Jordaanse bezetting van de Westelijke Jordaanoever

Jordanië, inclusief bezet gebied tussen 1948-1967
Jeruzalem was tussen 1948 en 1967 een verdeelde stad.
Jordaanse soldaten bij de scheiding tussen het Jordaanse en Israëlische deel van de stad.
De ruïne van de Hurva-synagoge in 1948.

Met de Jordaanse bezetting van de Westelijke Jordaanoever wordt de verovering en annexatie van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem door Transjordanië bedoeld. Toen de Joodse leiders op 14 mei 1948 de staat Israël uitriepen, vielen de volgende dag legers vanuit de omringende Arabische landen Israël aan. Deze oorlog eindigde in april 1949. Israël had toen een groot deel van Palestina en de westelijke wijken van Jeruzalem veroverd. Transjordanië had de, later geheten, Westelijke Jordaanoever met Oost-Jeruzalem, de Oude Stad veroverd. Oost-Jeruzalem werd daarna verboden gebied voor Joden uit Israël en andere landen.[1] Christelijke pelgrims moesten een doopbewijs tonen aan de Jordaanse autoriteiten om te bewijzen dat ze geen Jood waren.[2] Dit bleef zo tot de Zesdaagse Oorlog in 1967.

Achtergrond

De Westoever was tot aan de Eerste Wereldoorlog deel van het Ottomaanse Rijk en werd in 1917 samen met de rest van historisch Palestina militair bezet door Groot-Brittannië. Ingaande 1923 werd Palestina, samen met het latere Transjordanië, met machtiging van de Volkenbond bestuurd onder het Brits Mandaat.[3][4] Groot-Brittannië erkende Transjordanië per 17 juni 1946 als onafhankelijke soevereine staat, oostelijk van de Jordaanrivier, [5] en trok zijn troepen terug, waarmee de bezetting van Transjordanië werd beëindigd. Groot-Brittannië gaf vervolgens het Mandaat terug aan de inmiddels oprichte Verenigde Naties, de opvolger van de Volkenbond. Middels VN-resolutie 181 van 29 november 1947 werd het Mandaat beëindigd, waarna de Britse troepen ook uit historisch Palestina werden teruggetrokken en aldus ook de bezetting daar werd beëindigd. Het hele Mandaatsgebied was daarmee formeel onder beheer van de VN gekomen, waarna het VN-verdelingsplan van Resolutie 181 werd voorgesteld en aangenomen.

Bezetting en annexatie

In 1948, in de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948, veroverde en bezette Jordanië de Westoever, inclusief Oost-Jeruzalem. Op de Jericho-conferentie van 1 december 1948 spraken lokale Palestijnse notabelen hun steun uit voor annexatie van "Arabisch Palestina" (de Westoever [3][6]) door Transjordanië, met Abdullah als hun koning.[7] De VS keurde het principe van de resoluties van de Jericho-conferentie informeel goed en was voorstander van de annexatie van het grootste deel van "Arabisch Palestina" door Transjordanië, waardoor de meeste Palestijnen burgers van Transjordanië zouden worden.[8]

In maart 1949 werd de militaire regering overgedragen aan een lokale burgerregering en benoemde de Koning een aantal Palestijnen in zijn kabinet. In december kregen de inwoners van de Westoever 20 zetels in een nieuw parlement. Dit parlement stemde op 24 april 1950 in met de formele samenvoeging van de Westoever met Jordanië.[3] In december betuigde ook een lokale vertegenwoordiging in Ramallah haar steun voor de annexatie en daarna in Nablus voor samenvoeging met de Oostoever onder Jordaans bestuur. Op 23 september 1948 was in Egypte echter al een voorlopige 'Heel Palestina regering' in Gaza uitgeroepen, die soevereiniteit over het hele gebied claimde. Deze werd gesteund door de Arabische Liga, die tegen een vredesverdrag met Israël was.[9]

Transjordanië annexeerde de Westoever op 24 april 1950 en wijzigde zijn naam in Jordanië (Transjordanië betekent "over de Jordaan", dat wil zeggen 'aan de oostelijke kant van de Jordaanrivier, terwijl de "Westoever" of "West Bank" verwijst naar de westelijke kant van de Jordaan). De officiële naam van de "samensmelting tot één enkele staat" werd "Het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië".[10] De inwoners vormden nu meer dan de helft van de Jordaanse bevolking en zij kregen de helft van de zetels in het Lager Huis.[11]

Deze annexatie werd door drie landen erkend, Pakistan, Irak en Groot-Brittannië. De Arabische Liga steunde de annexatie niet, aangezien zij het Palestijnse gebied bij elkaar bij de Arabische Liga wilde houden.[12] Een motie in 1950 om Jordanië uit de Arabische Liga te zetten, haalde het niet door tegenstemmen van Noord-Jemen en Irak. In plaats werd op 13 juni 1950 besloten de annexatie te gedogen in afwachting van een eindoplossing voor het 'Palestijnse probleem'.[6]

Jeruzalem

De Oude Stad was in de oorlog van 1948 veroverd door het Arabisch Legioen. Alle Joodse bewoners werden geëvacueerd, met achterlating van een groot deel van hun bezittingen. In de nacht van 20 op 21 mei werd de Tiferet Jisrael-synagoge opgeblazen. Op 27 mei gaf Generaal Tell van het Arabische Legioen de opdracht ook de Hurva-synagoge te verwoesten. Er werd een gat in de buitenmuur geslagen. De Arabische vlag werd gehesen, maar vervolgens door Joodse scherpschutters van het gebouw geschoten. Korte tijd later verwoestte een explosie het 84 jaar oude gebouw.[13] Het Joodse kwartier werd op grote schaal geplunderd en deels verbrand. Synagogen werden vernietigd en de Jordaanse commandant Tell rapporteerde aan de koning: For the first time in 1,000 years not a single Jew remains in the Jewish Quarter. Not a single building remains intact. This makes the Jews' return here impossible.[14] Aan het eind van de oorlog in 1949 hadden Jordaanse troepen de controle over de gehele Westelijke Jordaanoever.

Op 20 juli 1951 werd Koning Abdoellah I nabij de Rotskoepel in Jeruzalem vermoord door een Palestijn. Zijn verzet tegen een Palestijnse staat en onderdrukking van de Palestijnen hadden Abdoellah niet geliefd gemaakt op de Westoever. In toespraken in 1953 en 1960 noemde de latere koning Hoessein Jeruzalem de 'tweede hoofdstad van het koninkrijk' en een 'onafscheidelijk deel van de Jordaanse Staat'.[15]

Langs de grens tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever was voortdurend spanning. Direct na de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 werd de Scopusberg een door de Verenigde Naties beschermde, Joodse enclave binnen het door Jordanië bezette gebied. De toegang vanuit Israël was zeer problematisch. In november 1948 bereikten Moshe Dayan en Abdullah al-Tall een principieel akkoord over vrije toegang tot de Scopusberg onder toezicht van de VN. Maar dat was een precaire situatie die geen veiligheid garandeerde. In 1958 doodden Jordaanse sluipschutters twee Israëli’s en een VN-waarnemer op de Scopusberg.[16]

Overdracht aan de PLO

Op de Arabische topconferentie van 1974 in de Marokkaanse hoofdstad Rabat had Jordanië de PLO al erkend als enige wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. Op 31 juli 1988 gaf Jordanië de aanspraken op de Westelijke Jordaanoever op ten gunste van de PLO, met uitzondering van het beheer over de islamitische heilige plaatsen in Jeruzalem.[11][17]

Zie ook