Jonathan van Beuningen

Jonathan van Beuningen (Amsterdam, 9 oktober 1678 – aldaar, 2 mei 1724) was van 1715 tot 1720 gouverneur van Curaçao.

Hij was een zoon van de in Danzig geboren koopman Hendrick van Beuningen en Maria le Thor. Als koopman en bestuurder trad Van Beuningen in dienst van de West-Indische Compagnie en vervulde enige tijd het ambt van gouverneur van Curaçao, zij het tijdelijk.[1]

Tijdens zijn bestuur deed zich een aanzienlijke onrustsituatie voor: in oktober 1716 brak er een opstand onder de tot slaaf gemaakten uit, veroorzaakt door laakbare gedragingen van de blanke heersende klasse, onvoldoende voedselvoorziening en verminderde zorg voor de in waarde gedaalde slaven in de slavendepots.[2]

In 1717 organiseerde Van Beuningen een slavenverkoop, maar wegens gebrek aan belangstelling werd deze gestaakt. Uit medelijden liet hij slaven vrij, wat echter leidde tot ernstige problemen: velen gingen in de stad bedelen, sommigen pleegden diefstal, en enkelen werden door de bevolking op straat gedood; anderen stierven van honger.[3] Daarnaast heersten onder de blanke ambtenaren en kooplieden ruzies, wrok, frustratie, afgunst en onverdraagzaamheid. Het verzet tegen Van Beuningen escaleerde in 1717 zelfs tot een aanslag op zijn persoon.[2]

In datzelfde jaar stelde hij een College van commissarissen in voor rechtspraak in kleinere kwesties en geschillen tot een waarde van 300 peso. Dit college, bekend als de ‘kleine raad’, bestond uit hijzelf als voorzitter, bijgestaan door vijf commissarissen.[3]

In 1720 eindigde Van Beuningens bestuurlijke functie op Curaçao. Zijn broer Jan van Beuningen nam het gouverneurschap over, maar stierf al na enkele maanden.