Johannes Keyts

De route van Keyts naar Nieuw-Guinea.

Johannes Keyts, ook als Keijts geschreven (? – Iran, 29 mei 1690) was een koopman in dienst van de VOC. In 1678 ondernam hij vanaf Banda met enkele jachten een ontdekkingstocht naar de zuidkust van Nieuw-Guinea, waarvan hij een verslag schreef. Van 1684 tot 1688 was hij opperhoofd van de VOC-handelspost in Ayutthaya. Hier maakte hij de zogeheten Siamese Revolutie mee, waarbij na de dood van koning Narai de legerleider Phetracha de macht greep. In 1689 werd hij directeur in Perzië, maar onderweg van de kust naar de hoofdstad Isfahan werd hij ziek en overleed hij.

Banda

Kaart van de Banda-eilanden, ca. 1665.

Over Keyts' jeugd en wanneer hij naar Indië ging is niets bekend. In 1665 was hij boekhouder in de VOC-handelspost in Japara aan de noordkust van Java. Als onderkoopman benoemd verhuisde hij naar de Banda-eilanden en werd op 7 februari 1673 bevorderd tot koopman. Ook was hij opperhoofd van de eilanden Pulau Ai en Pulau Run.[1] Toen in 1677 zijn diensttijd verstreken was gaf hij aan te willen repatriëren, maar de gouverneur van Banda, Cornelis van Quaelberg, haalde hem over om zijn contract te verlengen. Hij maakte toen in oktober een uitstapje naar Batavia. Daar wenste ook de Raad van Indië hem voor de Compagnie te behouden en benoemde hem tot opperkoopman. Keyts stelde voor om na terugkomst in Banda een ontdekkingstocht naar de zuidkust van Nieuw-Guinea te ondernemen en dat werd goedgekeurd. Het ging daarbij vooral om het onderzoeken van de handelsmogelijkheden. In de regio werd met name gehandeld in massooi en slaven. Massooi was de schors van de lawang boom (massoia aromatica), waaruit olie werd bereid die lekker rook en geacht werd als massageolie een geneeskrachtige werking te hebben. De slaven werden verkregen in oorlogen en rooftochten. Ook gingen er geruchten dat er tin en steenkool werd gevonden. Eerdere pogingen om op Nieuw-Guinea handel te drijven waren op niets uitgelopen. In 1636 was Gerrit Thomasz. Pool met enkele van zijn mannen vermoord bij wat sindsdien de Moordenaarsrivier of Moordenaarsbaai werd genoemd.

De tocht naar Nieuw-Guinea

De Moordenaars Baay in François Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indië.

In januari 1678 was Keyts weer terug op Banda. Op 19 juli vertrok hij met twee jachten richting Nieuw-Guinea: de Rogh[2] (met Keyts) en de Spiering.[3] De sloep (chialoup) Pisang[4] was onder Augustijn Dircksz vooruit gevaren met aan boord een tolk genaamd Borry, een handelaar van het eiland Goram die vaker met de VOC samenwerkte maar eigenlijk een concurrent was. Keyts deed onderweg naast Goram en Keffing, beide ten oosten van Seram gelegen, verscheidene eilanden aan en onderhandelde over prijzen en hoeveelheden. De vindplaats van de steenkool bleef onduidelijk. De massooi leek vooral te komen van Ony, waarvan Keyts niet met zekerheid kon vaststellen of het een eiland was of dat het vast zat aan het vasteland van Nieuw-Guinea.[5] De massooi werd hier verkregen door middel van stille handel met de Papoea's, die het uit de bergen in het binnenland naar de kust brachten.

Keyts bleef op zoek naar steenkool. De hoofdman Lakoe die vanaf Keffing was meegekomen beloofde per contract dat hij aan gouverneur Van Quaelberg in Banda 'zal vertoonen en overhandigen, zoodanige sneekolen als ik aen den Opperkoopman Monsieur Johannes Keyts te doen belooft had, en waerop ik reeds 150 Rd. aen kleeden, dry musquets en een vlag ontfangen hebbe.'[6]

Keyts' tekening van de rotsschilderingen in Nieuw-Guinea.

Vanaf begin september zeilden de jachten langs de kust van Nieuw-Guinea en deden daar drie onbekende baaien aan, die Keyts de heer Rijkloffs Bay, de heer Speelmans Bay en de heer Quaelberghs Bay noemde.[7] In de Speelmansbaai zag hij op een klip 'diverse dootshoofden' staan, en 'een beelt hebbende de gedaente van een mensch tot de schouders, leggende daer beneffens een schilt en meer and're gereetschappen. Ook stonden er daer omtrent tegens de klippen diverse caracters, gelyk als met root kryt geschreven'.[6] Keyts maakte er tekeningen van in zijn journaal. Hij was hiermee de eerste Europeaan die de prehistorische rotstekeningen van de Papoea's zag en vastlegde.[8]

Keyts hield van poëzie. Bij de Rijkloffsbaai dichtte hij in het journaal de regels: 'Heer Rykloffs Bay, die is soo fray, als men oyt vandt, bij eenig landt.' Bij de Speelmansbaai: 'Dees bay door Godes hand en wijsheyt hier gewraght, Heeft ons veel ogenlust, en wonder toegebraght, En water zoet als melk, voor menig dorstig hert, die na Neptuyn vermoyt, hier ingedreven wert.' En bij de Quaelberghsbaai was het: 'Dees bogt nog onbenoempt, en voor yder blint, Geeft oesters abondant, waerin men peerels vint'.[6] De Quaelbergh baai, op latere kaarten ook de Quaelberg bocht genoemd, was waarschijnlijk de Argunibaai, die de Etna-expeditie van 1858 ten onrechte dacht als eerste Europeanen bezocht te hebben.[9]

'Volkeren van Nova Guinea en hun vaertuygen' in François Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indië.

Op 17 september kwamen de schepen aan bij de zuidpunt van het eiland Namatota, vlak langs de kust gelegen. Borry en een andere tolk gingen aan land en sloten op de rituele wijze vriendschap met de bewoners door elkaars bloed te drinken.[10] Informatie zou volgen over de locatie van de steenkool, waarvan enkele stukjes getoond werden. Het eiland bleek de stapelmarkt van de massooihandel te zijn, alsmede van ebbenhout en slaven. Er werd in de zomer druk gehandeld door kooplieden van Seram-Laut, een eilandje aan de uiterste oostpunt van Seram. Vermoedelijk hadden zij de bewoners opgehitst tegen de nieuwe concurrenten, want toen de stuurman Goosen en andere bemanningsleden ongewapend aan land gingen om drinkwater te halen werden ze eerst beleefd ontvangen maar daarna overvallen, wat men vanaf de schepen zag gebeuren. Er werden soldaten aan land gezet, maar Goosen, Borry en anderen waren al doodgeslagen. Verscheidene doden, aangetroffen met 'de hoofden afgehakt en moedernaekt uytgetrokken', werden terug aan boord gebracht. Na een aantal prauwen op het strand in brand gestoken te hebben gingen de schepen ervandoor, 'allerwegens uyt het bosch dapper met pijlen' beschoten. Keyts schreef in zijn journaal dat hij tevoren gedroomd had over Goosen, die aan zijn schipper dringend iets duidelijk probeerde te maken over zijn testament. Hij schreef: 'Verwonderensweerdig is hier aen te merken, de aenstootinge der menschelyke geesten, en nog overig zijnde innerlyke inspiratie des gemoets, bij sommige veege voorteekenen genoempt', en dichtte: 'Wie kan der oyt zijn deel ontgaen, Als 't noodlot immers moet staen.'[6]

Het was inmiddels halverwege september en de lichte oostenwind zou spoedig plaats gaan maken voor windstilte en daarna voor de westelijke moesson. Ook was er gebrek aan drinkwater en begon iedereen te lijden aan beriberi. In overleg met zijn schippers besloot Keyts terug te keren. Op 26 september waren de schepen weer in Banda.

Keyts' journaal en rapport

Kaart uit 1956 van het Johannes Keyts gebergte in Nieuw-Guinea.

Behalve het journaal van de tocht schreef Keyts ook een rapport voor Van Quaelberg.[11] De steenkool zag hij als een veelbelovend product. Na een bezoek aan Keffing in juni 1679 met de Rogh kwam hij terug met de vader van Lakoe, die als proeve een ‘sak met smeekolen’ meebracht. Ze zouden komen van een ‘Koolen eyland, daerop geen menschen wonen’ maar waarvan de locatie in het ongewisse bleef.

Op 18 juni 1679 ontving men in Batavia met de fluit de Lantman het bericht 'dat de toght van den oppercoopman Joannes Keyts na Nova Guinea, waervan bevorens sulcken goede opinie was geweest, een verkeerden uytslagh genomen hadde, zynde in plaetze van eenige handel te verkrygen op 't eylandt Namtotte, welckers inwoonders d'onse volgens haer voorgeven een plaets soude aenwysen daer overvloedigh veel smeekolen te becomen waaren, ses Nederlanders benevens den inlandzen tolck Borry seer jammerlyck vermoort'.[12]

Toch zag men eventueel toekomst in de handel in massooi olie. Men hoopte die als monopolist te kunnen verkopen in China en Japan. Om eventuele concurrenten op een dwaalspoor te brengen werden daarom in het rapport van Georg Rumphius van 1684 over Nieuw-Guinea de locatiegegevens van Keyts' tocht verhaspeld. Nicolaes Witsens boek Noord en Oost Tartarije, dat deels gebaseerd was op Rumphius’ al gecensureerd rapport, vermeldde in verband met Nieuw-Guinea helemaal niets over massooi, en zelfs de namen van Rumphius en Keyts werden niet genoemd.[9]

De historicus P.A. (Pieter Arend) Leupe vond in 1875 het journaal van Keyts 'een der best geschreven verhalen' over de ontdekkingstochten naar Nieuw-Guinea.[13] Dat Keyts een officieel journaal opluisterde met zijn eigen dichtregels heeft echter zoals verwacht de spotlust opgewekt van latere commentatoren. In 1911 was de landsarchivaris in Batavia Frederik de Haan er niet over te spreken. Hij vond het 'iets wat hem in onze dagen rijp zou hebben doen verklaren voor het gekkenhuis'.[14] De schrijver E. du Perron plaatste Keyts' gedichtjes in het Indische weekblad De Revue van 1921 in de categorie 'erbarmelijke koopmansrijmelarij'.[15] Dat Keyts ook harp gespeeld schijnt te hebben werkte niet in zijn voordeel.

Op Nieuw-Guinea werd later een gebergte naar hem genoemd: het Johannes Keyts gebergte, het huidige Pegunungan Keyts.

Opperhoofd in Siam

Ayutthaya ca. 1683.

Keyts werd na zijn ontdekkingstocht op 29 december door de Raad van Indië benoemd tot 'secunde' op Banda,[16] oftewel tweede man en plaatsvervanger van gouverneur Van Quaelberg, die daarom zelf gevraagd had. Maar toen deze in september 1680 vertrok naar Malakka bleek Keyts niet goed te kunnen opschieten met zijn opvolger Willem van Zijl. In januari 1682 werd daarom besloten Keyts terug te halen naar Batavia, waar hij in september met zijn vrouw en kinderen aankwam.[17] In april 1684 werd hij benoemd tot opperhoofd van de handelspost in Ayutthaya, waar de zieke Arnold Faa om aflossing had gevraagd.[18]

Koning Narai

Roggenvellen uit Siam, tekening in François Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indië.

Ayutthaya, de hoofdstad van Siam, lag op een eiland in de Chao Phraya rivier. Een imposante stad met een koninklijk paleis en honderden boeddhistische tempels, omringd door stadsmuren. De VOC-factorij bevond zich vlak buiten de muren. Er werkten destijds ongeveer dertig mensen. Verder had de VOC nog pakhuizen in het dorp Bangkok in een moerasachtig gebied vlak bij de kust, en een ondergeschikt kantoor in Ligor (het Nakhon Si Thammarat koninkrijk). De handel bestond vooral uit de export van roggenvellen en hertenvellen naar Japan, waarop de VOC in 1664 van koning Narai het alleenrecht had gekregen. Dat monopolie was overigens tamelijk lek en de handelspost was ternauwernood rendabel.[19] Anderzijds was de VOC voor het zelf handel drijvende Siamese hof een belangrijke sleutel tot het internationale handelsverkeer.[20] Ook was de VOC een van de belangrijkste wapenleveranciers van het hof, alsmede van paarden en niet te vergeten 'rariteyten' uit alle delen van de wereld.[21] Wat die laatste betreft liet het hof begin 1686, wellicht ten overvloede bediend, weten dat de koning nog slechts geïnteresseerd was in 'eenige gesnede marmeren beelden van dieren en menschen'.[22]

Keyts' bestuur in Siam viel samen met een roerige periode in Siam die leidde tot de vervanging van een oude dynastie door een nieuwe. Koning Narai had onder invloed van zijn Griekse minister Constantijn Phaulkon diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met Lodewijk XIV van Frankrijk.[23] Na enkele wederzijdse ambassades raakte die ervan overtuigd dat Narai zich tot het katholicisme wilde bekeren, en zond ter ondersteuning zes Franse oorlogsschepen met honderden soldaten naar Siam, die daar in oktober 1687 arriveerden.

De Franse ambassadeurs probeerden vanaf het begin de VOC buiten spel te zetten en hadden aan het hof beweerd dat de VOC uit zou zijn op oorlog met Siam. Om de goede relatie met het hof te behouden regelde Keyts via Phaulkon een audiëntie bij koning Narai. Keyts kende Phaulkon goed, en prees zijn ‘illustre verstant, ongehoorde taalkunde, delicate tong, vlugge pen, eene weergadeloose memorie’.[20] Op 31 december 1685 verscheen hij aan het hof en ‘kwam den coning, sittende op eenen eliphant, uyt de binnenhof voor den dag’, tot op enkele meters voor hem, terwijl Phaulkon er naast op zijn knieën lag en optrad als tolk. Keyts had voorgesteld om met een Siamese gezant, Okluang Chula, naar Batavia te gaan, zodat deze van gouverneur-generaal Camphuys persoonlijk kon vernemen dat de Franse beschuldiging een ‘vals uytstrooysel’ was. De koning liet weten hier zeer mee ingenomen te zijn.[24]

De trip naar Batavia, met de Waalstroom,[25] was een succes. De Siamese gezant had twee jonken meegenomen voor op Java te kopen paarden. Keyts zei dat Narai graag een gezant van de prins van Oranje zou ontvangen maar aan de zin daarvan kon de Raad van Indië, getuige hun berichtgeving aan de Heren XVII, 'niet nalaten twijffel aan te slaan'.[26] Bij terugkomst in Ayutthaya werd op basis van het rapport van Okluang Chula de verhouding van de VOC met Siam weer genormaliseerd. Keyts werd opnieuw aan het hof ontvangen, ‘onder ‘t gedrang van duysenden’, en gezeten ‘op een van Sijn Maijesteijts beste pronckpaarden gansch heerlijck toegerust…beneffens den gesant Opra Soula’. Hij kreeg als dank voor zijn initiatief een mooie jas en een kort zwaard met goudbeslagen gevest. De Compagnie hervatte de steun aan Siam in de scheepsbouw en in 1687 kwamen er 11 jonge Siamezen naar Batavia om diverse ambachten te leren.[27]

De Siamese Revolutie

Kortbondig verhaal van de Op en Ondergang van d'heer Constantyn Faulkon.

In oktober 1687 arriveerden de Franse oorlogsschepen in Siam. Ze kwamen via Batavia, waar men opmerkte dat men in Siam 'niet anders kan oordelen, of het Troyaanse paard zal met die magt daar ingehaalt zijn'.[28] Keyts werd door de Franse ambassadeur Simon de la Loubère niet ontvangen toen hij zijn opwachting maakte, en bij een bezoek aan pakhuis Amsterdam in Bangkok werd hij met de bemanning van zijn prauw onder dwang gefouilleerd door soldaten van het Franse garnizoen dat daar gelegerd was. Hij protesteerde daarover tevergeefs bij het hof.

De Fransen maakten zich intussen bij iedereen impopulair. Hun invloed op het hof wekte weerstand op en de soldaten in Bangkok misdroegen zich op straat na het uitblijven van hun soldij. Dit alles keerde zich tegen de regering van koning Narai. Toen die begin 1688 op sterven kwam te liggen deed de legerleider Phetracha een greep naar de macht. Phaulkon en andere medestanders en nakomelingen van Narai werden in juni ter dood gebracht. De Fransen werden verjaagd en andere buitenlanders werden gevangen gezet, met uitzondering van de Nederlanders. Keyts wist in de chaos van de strijd om de troonsopvolging de VOC behendig neutraal te houden en op het juiste moment partij te kiezen voor de winnaar.[29] Phetracha werd op 11 juli na het overlijden van Narai gekroond als de nieuwe vorst. Bij zijn intocht in Ayutthaya op 1 augustus voer Keyts hem op de Chao Phraya een eind tegemoet en liet hij onder het volk textiel en klein geld uitdelen.

Keyts was opgetogen dat Phetracha de Fransen uit Siam had verdreven en kon tevreden zijn met het vervolg, ‘overmits den coninck soo rondelijck verklaart met geen Europeanen meer, dan alleen met de Hollanders in sijn land wil te doen hebben’. Op 14 november 1688 werd het oude handelscontract van Pieter de Bitter uit 1664 door Phetracha bevestigd.[30] Het op de Franse en Engelse ervaringen gebaseerde idee in de Europese geschiedschrijving over een Siam dat zich in 1688 afsloot voor het buitenland is dus niet juist. Ook het door Keyts geschetste beeld van Phetracha is aanzienlijk positiever dan dat van de wrede despoot in de Franse en Engelse literatuur.[21]

Koning Phetracha

Koning Phetracha.

Keyts werd op 17 augustus opgevolgd door Pieter van den Hoorn. Bij zijn vertrek uit Siam verscheen hij met Van Hoorn op audiëntie bij de op een paard gezeten Phetracha en werd hij benoemd tot Okluang Aphaiwari. Ook kreeg hij een gouden beteldoos, twee met goud en zilver beslagen mantels, een gouden ketting, een gouden kris en een hoed met een gouden band in de Siamese stijl. Van den Hoorn werd benoemd tot Okluang Wisitsakhon en ook hij kreeg een gouden beteldoos.[21]

De Fransen worden bij Bangkok belegerd door de troepen van Phetracha.

Keyts schreef twee verhalen over de gebeurtenissen die bekend kwamen te staan als de Siamese Revolutie: in november 1688 het Kort-bondig verhaal van den op en ondergang, van d’heer Constantyn Faulkon, ridder der ordre van St. Michiel, en voornaam gunsteling des konings van Siam; Mitsgaders van de dood des konings, en ‘t verdrijven der Franschen uit dat Rijk. Alles kort op den anderen gevolgd, binnen ‘t jaar 1688 en in Indien zelve t’zamen gesteld, en in april 1689, toen hij (sinds februari) weer in Batavia was: Beknopt Verhael van de Wonderlijke veranderingen voorgevallen in 't Koningrijck van Siam in 't Jaer 1688. Binnen een jaar werden beide verhalen in Amsterdam gepubliceerd, een indicatie van de grote belangstelling voor Siam in die tijd.[31] Als naam van de auteur werd vermeld 'Een Liefhebber der Waarheid'. In de inleiding vertelt een eveneens anoniem persoon die het geschrift vanuit Batavia naar Nederland stuurde dat het de schrijver 'heeft behaagd' zijn naam te verzwijgen maar dat het een heer is die een 'aanzienlyk ampt wegens d'Oost-Indische maatschappy bekleed'.[32] François Valentijn gebruikte Keyts’ verhalen in zijn Oud en nieuw Oost-Indië van 1726.

Directeur in Perzië

Op 10 februari 1689 was Keyts weer in Batavia, waar men de Heren XVII meldde dat de koning van Siam 'een zonderlinge genegentheyd tot d'E. Compagnie bethoond had om deselve voortaan alleen in zijn land te admitteren en haare negotie te favoriseren en dat om de trouwe en vredelieventheydt, die men van de beginne af aan in de Hollanders binnen dat rijk bespeurt hadt'.[33] Keyts vroeg de in Siam gekregen geschenken te mogen behouden, maar die werden door de Compagnie verrekend met de kosten van zijn geschenken aan Phaulkon en andere hovelingen boven het daarvoor toegekende budget.

In oktober werd het lid van de Raad van Indië Jan van Leenen benoemd tot ambassadeur naar het hof van Perzië, om de geschillen omtrent de verplichte afname van ruwe zijde van het hof op te lossen. Keyts werd benoemd als zijn secunde, en tevens om na afloop van de ambassade in Perzië directeur te worden. Zijn oudste zoon fungeerde als privésecretaris van Van Leenen. Op 31 januari 1690 kwam het gezelschap in Gamron aan met het spiegelretourschip Coevorden en het jacht Kasteel Batavia. Op 4 mei vertrok het van daar naar Isfahan voor een audiëntie bij sjah Suleiman I en onderhandelingen aan het hof. Onderweg werd Keyts ziek, en stierf op 29 mei in een dorp genaamd Sjerefy, 'een plaats tusschen beyde van de eerste ontrent 62 en Spahan 118 mijlen gelegen'...'soo als drie dagen bevorens sijn huysvrouw tot Gamron dienselven wegh hem was voorgegaan'.[34]