Cornelis van Quaelberg

Masulipatnam. De vlaggen markeren de Europese factorijen.

Cornelis van Quaelberg (Amsterdam, ca. 1620 - Batavia, 3 februari 1687), ook als Quaalbergen en andere varianten geschreven, was een koopman in dienst van de VOC. Het begin van zijn loopbaan bracht hij door aan de Coromandelkust van India. Van 1666 tot 1668 was hij commandeur van de Kaap de Goede Hoop. In 1673, tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog, boekte hij als admiraal van een VOC-vloot een overwinning in een zeeslag tegen de Engelse Oost-Indische Compagnie bij Masulipatnam. Van 1677 tot 1680 was hij gouverneur van Banda, en van 1680 tot 1684 gouverneur van Malakka. Hij eindigde zijn loopbaan als lid van de Raad van Indië in Batavia, waar hij in 1687 overleed.

Koopman aan de Coromandelkust

Lijnwaad voor de Indonesische markt.

Cornelis van Quaelberg ging in 1639 in de rang van assistent-koopman naar Indië op het schip Maria de Medici. Na aankomst in Batavia in december werd hij geplaatst aan de Coromandelkust van India, waar de VOC meerdere factorijen had. Er werden vooral geweven en geverfde katoenen stoffen ingekocht, de zogeheten lijnwaden. Hij werd er in 1644 bevorderd tot onderkoopman en in 1647 tot koopman. In 1649 was hij betrokken bij de expeditie van Joan Maetsuycker en Jan van der Laen tegen de Portugezen in Tuticorin, die de stichting van een VOC-factorij in Kailpatnam met geweld probeerden te voorkomen.[1] In 1650 werd hij bevorderd tot opperkoopman. Hij trouwde toen met Margaretha de With, dochter van Jacob de With die in 1651 gouverneur van Coromandel werd. In augustus 1652 werd hij benoemd tot opperhoofd van de factorij in Masulipatnam, de havenstad van het sultanaat Golkonda waar al sinds 1605 het hoofdkwartier van de VOC aan de kust gevestigd was. Margaretha stierf er in 1655. Ze werd begraven op het oude kerkhof, met een grafschrift van de koopman Anthonie Paviljoen: 'De Witte Peerl verliet haar Berg, en dook hier onder. Dees Quaal die trof Cornelis ziel, gelijk een donder'.[2]

Zoals velen deed Van Quaelberg hier ook aan handel voor eigen rekening om zijn karige salaris van de VOC aan te vullen. De particuliere handel door medewerkers werd oogluikend toegestaan zolang die binnen de perken bleef en niet ten koste ging van de handel van de VOC. Vaak was dat echter wel het geval. De commissaris Rijcklof van Goens had opdracht gekregen ‘ten scherpsten te informeeren’ naar deze 'particulariteyten' want ‘in Suratte en onderhoorige comptoiren schijnt den particulieren handel uijttermaten in swang te sijn, als blijckt uyt de groote capitalen, die de ministers van tijt tot tijt van daer brengen’, zodat zij 'van tijt tot tijt successive op dat comptoir ende de onderhoorige residentien hare beursen soo weten te specken, dat in corte jaren rijck ende welig worden ende zich dan naer het vaderland transporteeren‘. Tot nog toe had Van Goens er nooit overtuigende bewijzen van kunnen vinden, tot hij in 1656 als admiraal van een vloot naar Indië van het Engelse schip Society door ‘sonderlinghe bestieringe God’ brieven in handen kreeg die door onder andere Van Quaelberg naar Nederland waren verstuurd. Hieruit bleek dat hij via Engeland particuliere handel dreef in lijnwaden en ruwe diamanten uit Golkonda. In 1657 werd hij hierom naar Batavia ontboden. Daar werd hij door de Raad van Justitie ontheven uit zijn functie en veroordeeld tot een boete van 3000 realen, de waarde van zijn verhandelde goederen.[3]

Vanuit Masulipatnam werd door velen verzocht hem te laten terugkeren, 'alzo hy den dienst van de E. Compagnie daar ten Comtoire grondig verstond'.[2] Dat gebeurde niet, maar wellicht daarom werd hij eind 1657 ondanks zijn veroordeling samen met de equipagemeester Matthijs Crab benoemd tot commandeur van de retourvloot naar Nederland. Op het schip Prinses Royaal kwam hij eind juli 1658 terug in Amsterdam.

Commandeur van de Kaap de Goede Hoop

Poort van Kasteel de Goede Hoop in Kaapstad.

De jaren die Van Quaelberg in Nederland doorbracht vallen buiten de archieven van de VOC dus is er weinig over bekend. Hij hertrouwde met Judith van den Bogaerde en kreeg met haar in 1663 een dochter Catharina. In 1666 trad hij opnieuw in dienst van de VOC toen hij door de Heren XVII werd benoemd tot commandeur van de Kaap de Goede Hoop. Hij werd de derde commandeur sinds Jan van Riebeeck. Op 25 augustus kwam hij er aan op het schip Dordrecht, dat vervolgens zijn voorganger Zacharias Wagenaer naar Batavia bracht. Onder Van Quaelbergs bestuur werd verder gebouwd aan het in opdracht van IJsbrand Godske begonnen nieuwe stenen Kasteel de Goede Hoop, om het oude houten fort uit 1652 te vervangen. De dreiging van oorlog met Engeland en Frankrijk had daartoe aanleiding gegeven. Een van Van Quaelbergs handelingen aan de Kaap was het toekennen van een stuk grond aan de Heerestraat in Kaapstad aan Angela van Bengale. Deze vrijgemaakte ex-slavin wordt beschouwd als een van de ‘stamouers’ van Zuid-Afrika.[4]

Toen begin 1667 een grote Franse vloot op weg naar Madagaskar de Kaap aandeed ging Van Quaelberg in de fout. Uit beleefdheid verleende hij de vloot allerlei diensten, en mochten de Franse admiraal en zijn officieren in het fort overnachten. Dit werd hem door de Heren XVII gezien de politieke situatie in Europa erg kwalijk genomen. De Fransen moesten maar 'op haar eygen vinnen drijven'. Hij werd daarom in juli 1668 ontslagen en vervangen door een nieuwe commandeur, Jacob Borghorst. Van Quaelberg werd voor de keuze gesteld om terug te keren naar Nederland of om naar Batavia te gaan en zich daar voortaan als vrijburger te vestigen. Hij koos voor het laatste. De richtlijnen voor de Kaap de Goede Hoop hoe te handelen bij de aankomst van ‘dese of geene Europische natiën’ werden nog eens benadrukt: alleen drinkwater leveren en andere verversingen zo sober mogelijk houden, aangezien ‘wy die residentie tot sulcke swaere lasten quamen te houden tot gerief van onse, en niet van vreemde schepen’.[5]

Vrijburger in Batavia

Terug in Batavia moet Van Quaelberg zijn handelwijze goed verdedigd hebben. Zijn verweer, dat destijds aan de Kaap nog niemand op de hoogte was van de oorlog tussen Frankrijk en de Republiek, leidde tot rehabilitatie. Op 22 november 1669 werd hij namens de vrijburgers vice-president van de Schepenbank van Batavia, en vervolgens ook van het College van Weesmeesters, dat belast was met het toezicht op het beheer van de bezittingen van minderjarige wezen. Ook werd hij ouderling in de kerk. Zijn vrouw Judith moet intussen gestorven zijn want in 1672 trouwde hij voor de derde keer, met de weduwe Henriëtte Chastelein.[6]

Zeeslag bij Masulipatnam

Coromandelkust. Kaart van ca. 1672.

In juli 1672 (het rampjaar) trad hij opnieuw in dienst van de VOC toen hij werd benoemd tot commandeur van een vloot ter verdediging van de factorijen in India en Ceylon tegen de Engelsen en de Fransen. Hij had zelf zijn diensten aangeboden. Vanuit Frankrijk was een grote oorlogsvloot, het zogeheten Perzisch Eskader, naar Ceylon gevaren om daar aan de oostkust een basis voor de nieuwe Franse Oost-Indische Compagnie te stichten. Toen in januari 1673 de oorlog in Ceylon bekend werd had Rijcklof van Goens, inmiddels superintendent en admiraal, de Fransen uit Trincomalee verjaagd en hen vervolgens in bondgenootschap met de sultan van Golconda belegerd in St. Thomé,[7] vlak bij Madras aan de Coromandelkust. In Batavia verzamelde men intussen schepen voor vloten die in de Straat Malakka, Straat Bangka, Straat Soenda en voor Bantam moesten kruisen tegen vijandelijke schepen en koopvaarders naar Batavia begeleiden. Van Quaelberg zeilde eind juli met de schepen Dordrecht, Kranesteyn, 't Huys te Velsen, Outhoorn en Buiksloot de Indische Oceaan op om zich bij Van Goens voor St. Thomé te voegen.[8]

St. Thomé

Van Goens liet een deel van de bemanning ontschepen om mee te helpen bij de belegering van St. Thomé en stuurde Van Quaelberg met een vloot naar het noordelijker gelegen Masulipatnam om daar opgeslagen handelsgoederen op te halen en uit te kijken naar Franse en Engelse schepen. De vloot bestond uit dertien grote koopvaarders en vijf kleinere schepen, met in totaal 644 kanonnen aan boord. Van Quaelbergs vlaggenschip was de Damiate, een schip met 50 stukken geschut. De viceadmiraal Jan Frederiksz. van Groningen voer op de Tulpenburg, ook met 50 stukken. De andere schepen waren de Dordrecht, Kranesteyn, Outhoorn, 't Huys te Velzen, Rheenen, Poeleron, Gouda, Brederode, Cogge, Rijzende Zon en Nieuwenhove.[9][10]

Masulipatnam

Masulipatnam ca. 1676.

Eind augustus voor de kust van Masulipatnam aangekomen ontwaarde men bij de hoek die de kust daar maakt een vloot van tien schepen van de Engelse Oostindische Compagnie. Die vloot was daar al eerder gesignaleerd. Hij stond onder bevel van William Basse en bestond uit de schepen London, President, Samson, Caesar, Bombay, Junette, Antelope, Maegdenburch en nog een onbekend schip. Ze zouden zich met hun Franse bondgenoten in St. Thomé kunnen verenigen maar hadden dat nog niet gedaan. Ook zij zagen de Fransen eigenlijk liever gaan dan komen zo vlak bij Madras. Op 1 september begon niet ver van de rede van Masulipatnam om 9 uur 's ochtends een zeeslag tussen de vloot van Van Quaelberg en die van Basse, met het vormen van de slaglinies en het losbarsten van de honderden kanonnen. Schipper Bruynvisch wist met de Kranesteyn (een 'welbeseyld oorlogsjaght') als eerste een Engels schip te enteren en te veroveren: de President, het schip van de Engelse viceadmiraal, met 130 man en 50 stukken. In een hevig gevecht van 3 à 4 uur veroverden de Nederlanders ook nog de Samson, het schip van de schout-bij-nacht, en de Antelope, beide met 35 stukken. Dat schip had ook nog 80 stukken in het ruim die bestemd waren voor Bombay, maar het was zo zwaar beschadigd dat het de volgende dag zonk. Ongeveer 100 Engelsen sneuvelden in de strijd en 270 werden gevangen genomen. De zeven overgebleven schepen vluchtten weg naar het zuiden tot voorbij St. Thomé, waarschijnlijk op weg naar Bombay.[11] Aan Nederlandse kant gingen geen schepen verloren maar sneuvelden ongeveer 60 man, waaronder drie schippers. Van twee van hen werd een been afgeschoten waaraan zij kort daarna stierven: de schipper van de Poeleron Cornelis Poort en die van de Rheenen Andries Pietersz., bijgenaamd de Pelikaan. Ook de viceadmiraal Jan Frederiksz sneuvelde. Hij was 'een dapper, zagtzinnig Zee-held, die veel proeven van zijn kloeke moet en Couragie gegeven had'. Allen werden begraven in Masulipatnam. Daar werden de Nederlanders volgens de koopman Daniël Havart, die korte tijd later in Masulipatnam arriveerde, met 'groot respect en gejuyg van alle Hollanders en Muhammedanen' ontvangen. Tevreden noteerde hij over de Engelsen en Fransen in Masulipatnam 'dat al haar pocchen en groots opgeven in rook verdweenen is.'[12]

Resultaat

De kust van Coromandel tussen St. Thomé en Masulipatnam.

Wellicht was er meer te bereiken geweest. Van Quaelberg zei echter dat de vluchtende Engelsen niet achterhaald hadden kunnen worden omdat men belemmerd was door de veroverde schepen die erg beschadigd waren, en omdat Van Goens in St. Thomé veel van het scheepsvolk van de vloot had gehaald. In Batavia was men daar niet zo zeker van, maar alles werd hem vergeven. Toen men op 5 november het nieuws vernam noteerde men in het dagregister: 'Godt zy hooglyck te dancken voor dese verleende victorie, die 's Comp.s reputatie in de Moorse landen en daer alomme niet weynich sal herstellen, etc'. De advocaat van de VOC Pieter van Dam schreef daarentegen in 1702: 'Off nu d'onse die grote avantagie op den vyand bekomen hebbende, deselve niet hadde behoren te vervolgen, heeft men gemeynt van jae, en dat een schoone kans was geboren om haer onder Godes bystand t'eenemaal te verdelgen off te ruïneren.'[13]

Van Quaelberg nam in Masulipatnam de goederen aan boord ('4000 packen kleeden en cattoene garen, nevens party indigo, roggevellen, yser, stael, koehuyden, ruwe robynen en bezoar-steenen')[14][15] en bleef nog een poos in de buurt van St. Thomé kruisen om bevoorrading of een Franse uitval te voorkomen, en zeilde ook nog naar de Malabarkust. In januari 1674 was hij weer terug in Batavia met de Damiate, de IJsselsteyn en de Brederode en een groot deel van de goederen. Ook een aantal Engelse krijgsgevangenen waren aan boord, waaronder de viceadmiraal 'Jonathan Hiddi' (Hides) en de kapitein van de Antelope 'Jan Goelboerong' (Goldsborough). Ze mochten naar Europa vertrekken. De belegering van St. Thomé eindigde in september 1674 met de overgave van de uitgehongerde Fransen.

Gouverneur van Banda

Banda Neira.

Terug in Batavia arriveerden in augustus 1675 twee nichtjes en een neef van Henriëtte: Ida, Machteld en Cornelis Chastelein.[16] Van Quaelberg hielp Cornelis aan zijn eerste baan als boekhouder bij de VOC. Rond 1680 zou hij trouwen met Van Quaelbergs dochter uit zijn tweede huwelijk Catharina.

Op 1 december 1676 werd Van Quaelberg benoemd tot gouverneur van Banda, waar hij in februari 1677 aankwam met het schip de Tulpenburg volgeladen met provisie en materialen voor de eilanden. Hij nam zijn intrek in Fort Nassau op Banda Neira. Uit een volkstelling die hij later dat jaar liet houden bleken er op heel Banda 6725 mensen te leven.[17] Zijn bestuur was er een zonder grote problemen. In 1678 ondernam de opperkoopman Johannes Keyts op verzoek van de Raad van Indië met enkele jachten een ontdekkingstocht naar de zuidkust van Nieuw-Guinea op zoek naar handelsmogelijkheden. Een nog onbekende rivier aan de kust noemde hij 'heer Quaalberghs Bay', op latere kaarten ook als de 'Quaalbergs bocht' weergegeven. Vermoedelijk is dit de huidige Arguni baai.[18] De reis was overigens geen succes. In plaats van handel te verkrijgen werden zes Nederlanders en hun tolk vermoord door de bewoners van het eiland Namatota. De stuurman op die tocht, Augustijn Dircksz, maakte in 1679 met de Pisang een tocht naar de Aru-eilanden omdat zuidelijk daarvan nog vier eilandjes met parelbanken zouden liggen. De eilandjes werden echter niet gevonden.

Van Quaelberg zelf was op Banda geruime tijd ziek en hij vroeg meerdere malen om overplaatsing.

Gouverneur van Malakka

Nederlandse schepen voor Malakka.

Van Quaelberg bleef in Banda tot september 1680, toen hij benoemd werd tot gouverneur van Malakka. Hij droeg het gezag over aan zijn opvolger Willem van Zeyl en was op 3 oktober terug in Batavia. Hij verscheen 'vermits indispositie of onlust' niet op zijn welkomstmaal met leden van de Raad van Indië ten huize van de gouverneur-generaal Rijcklof van Goens. Op zijn afscheidsmaal op 27 oktober was het Van Goens die niet aanwezig was omdat hij 'in zyn slaepkamer of te bedde' was.[19] Twee dagen later vertrok Van Quaelberg met zijn gezin op de Den Briell naar Malakka, waar hij in november aankwam. Op 30 november 1681 benoemden de Heren XVII hem ook tot extraordinair lid van de Raad van Indië. Malakka had sinds de verovering op de Portugezen haar functie als handelsknooppunt grotendeels verloren ten gunste van Batavia en was voornamelijk van strategisch belang. Van Quaelberg raakte er in conflict met de predikant Hubertus Leydekker; een ruzie die enige vermaardheid zou verwerven. Van Quaelberg had een katholieke priester toegestaan om te prediken voor het katholieke volksdeel dat na de verovering in de stad was achtergebleven, en Leydekker maakte daar bezwaar tegen. De ruzie liep zo hoog op dat toen de twee elkaar op straat tegenkwamen er een verhit gesprek volgde waarbij Van Quaelberg zijn lijfwacht opdracht gaf Leydekker 'onder de voet te schieten'. Dit kon door iemand anders net op tijd worden voorkomen door de loop van het geweer omhoog te slaan. Toen Leydekker de gouverneur vanaf de kansel beschuldigde werd hij naar Batavia teruggeroepen vanwege de scheiding van kerk en staat.[20]

Raad van Indië

Gouden begrafenispenning voor Cornelis van Quaelberg, gemaakt in 1687.

Na vier jaar in Malakka werd Van Quaelberg opgevolgd door Nicolaas Schagen. Hij schreef voor hem een zogeheten memorie van overgave.[21] In december 1684 ging hij met het schip Japan terug naar Batavia en ging daar deelnemen aan de vergaderingen van de Raad van Indië. Die bestond toen uit de nieuwe gouverneur-generaal Johannes Camphuys, Anthonio Hurdt, Willem van Outhoorn, Marten Pit en Joan van Hoorn, later nog aangevuld met Rijcklof van Goens de Jonge en Isaac de Saint-Martin. In de raad werd veel ruzie gemaakt omdat Hurdt het niet eens was met de benoeming van Camphuys. Van Quaelberg hield zich daar zo veel mogelijk buiten. Hij vroeg in 1685 samen met Van Hoorn om promotie tot ordinair lid van de raad, maar dat zou er voor hem niet meer van komen. Hij overleed op 3 februari 1687.

Zijn dochter Catharina overleed in december van hetzelfde jaar. Zijn vrouw Henriëtte repatrieerde naar de Republiek in maart van het volgende jaar. Ze wilde zo graag terug dat ze met de impopulaire tweede retourvloot meeging, omdat 'se liever als tot het eynde van dit jaar te wagten haar heeft willen getroosten d'ongemacken, die dese tweede en laat vertreckende schepen ordinair meer als die van de vroege ofte eerste besendinge onderworpen sijn'.[22] Ze stierf in 1694 in Rotterdam.