Jansen & Sutorius
Machinefabriek v/h „Jansen & Sutorius” was een te Utrecht gevestigd metaalbewerkingsbedrijf dat, met voorgeschiedenis, bestond van 1896 tot 1977.
Oorsprong
In 1896 vestigde zich F.M.J. (Frans) Jansen (Oud-Beierland, 1871 - 1959 De Bilt) zich te Utrecht waar hij in de Donkerstraat onder de firmanaam Frans Jansen een metaalklopperij oprichtte. Hij specialiseerde zich in café-inventarissen. Omstreeks 1900 begon hij als enige in Nederland met de fabricage van biertap- en mineraalwatermachines. In 1907 sloot Jansen een compagnonschap met P.E.M. (Piet) Sutorius te Rotterdam onder de firmanaam Jansen & Sutorius. In 1909 werd het fabriekje, gevestigd in de Annastraat (met een winkel in de Minrebroederstraat), als gevolg van een brand verplaatst naar de Minrebroederstraat. De groei van het bedrijf en het gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden aldaar leidde tot een bedrijfsverplaatsing, naar de rand van de stad. Om de nieuwbouw en groei te financieren werd met financiële inbreng van familieleden van Jansen en Sutorius de zaak in een nv Machinefabriek v.h. Jansen & Sutorius omgezet. Startkapitaal fl. 100.000,-, waarvan fl. 20.000,- door de twee firmanten en fl. 80.000,- door familieleden. De onderneming kocht een terrein van 16000 m² aan de Koningsweg waar in 1911 een nieuw fabrieks- en kantoorgebouw verrees. Daar was plaats voor de arbeidspopulatie die tussen 1910-14 nogal schommelde, van 50 tot 22 werknemers.
Na het overlijden van Sutorius, in 1913, voerde Frans Jansen alleen de leiding, tot 1935. Jansen & Sutorius bleef de enige fabriek in Nederland die complete mineraalwaterinstallaties vervaardigde. In 1929 werd begonnen met machines voor de zuivelindustrie. Ook die machines bleken een succes. Jansen bleef tot zijn 65ste jaar, hij werd opgevolgd door zoon M.A. Jansen samen met J. Goedhart. In 1929 waren de belangen van de familie Sutorius in de nv overgedragen aan H.P. Goedhart, de vader J. Goedhart. De productie van hotel- en koffiehuisartikelen was inmiddels gestaakt ten gunste van de machinefabricage: vul-, spoel- en mineraalwatermachines alsmede machines voor de zuivel- en (spijs)olie-industrie. In 1938 kwam, een Nederlandse primeur, de eerste volautomatische mineraalwaterinstallatie tot stand. Naast afzet in het binnenland vond ook export plaats, met name naar Nederlands-Indië.
Na oorlog
Na 1945 wist de directie zich aan de nieuwe marktverhoudingen aan te passen. Er volgden diverse uitbreidingen. Twee nieuwe hallen werden aan de bestaande fabriek toegevoegd en de personeelsbezetting werd in korte tijd tot het vijfvoudige opgevoerd. Het 4,5 ha grote fabrieksterrein raakte aardig volgebouwd. De produktie veranderde van hoofdzakelijk stukproductie van halfautomatische machines voor limonadebedrijven in de vervaardiging in serie van moderne volautomatische installaties, zowel voor de zuivel- als voor de mineraalwaterindustrie en in het algemeen voor die bedrijven die vloeistof in flessen verwerken. Daarnaast hoorden flessenetiketteermachines en sterilisatoren tot het productiepakket.
In 1948 kwam het tot een belangengemeenschap met nv machinefabriek G Thomassen te Arnhem die over een aanvullend productieprogramma beschikte: melkflessenvulmachines en krattenspoelmachines. Uiteindelijk werden alle aandelen (nominaal f 100.000) verworven. In 1957 werd de productie van Thomassen naar Utrecht overgebracht. Marktverzadiging en concentratie en schaalvergroting in de bedrijfssectoren waar Jansen & Sutorius actief was (de melk-, mineraalwater- en limonade-industrie) leidde in april 1951 tot een samenwerking met Gebr. Stork & Co’s Apparatenfabriek. Stork nam de export van machines voor de zuivelindustrie voor zijn rekening en nam de fabricage van spoelmachines over, Jansen & Sutorius kreeg het alleenrecht voor de leverantie van vulmachines. De commerciële activiteiten waren in 1945 gebundeld in de nv Marja, met naast M.A. Jansen ook zijn broer J.P.M. Jansen als directie.
Concentratie
De goed lopende samenwerking leidde vanwege concurrentieverhoudingen binnen de EEG uiteindelijk tot een integratie binnen Stork’s Apparatenfabriek, het S.A.F.-concern. Belangrijk voor een uniforme marketing en verkoop naar het buitenland, de inkoop, technische samenwerking en verdeling van de productie en de exploitatie van licenties. Die integratie kwam na langdurige onderhandelingen in 1963 tot stand waarbij Stork’s Apparatenfabriek het aandelenpakket van Jansen & Sutorius tegen 225 pct. van de nominale waarde overnam. Er volgde in 1967 een naamswijziging in nv Machinefabriek Stork-Jansen & Sutorius. Ook een andere dochteronderneming, IMA te Elst, werd omgedoopt, in Machinefabriek Stork-I.M.A.
In 1969 fuseerden Stork-Jansen & Sutorius en Stork-I.M.A. tot een nieuwe naamloze vennootschap, de nv Stork Vultechniek, vanaf 1972 Stork Vultechniek bv. Pogingen om de productie op een plaats te concentreren leverden aanvankelijk geen resultaat op. De economische recessie maakte een verdere reorganisatie noodzakelijk. Het S.A.F.-concern werd januari 1975 opgesplitst in vier zelfstandige ondernemingen. Van een ervan, Stork Bepak (= Bottling and Packaging Systems), maakten de Vultechniek-vestigingen te Utrecht en te Elst deel uit naast de Stork-vestiging te Grouw en de in 1970 overgenomen fabriek Stork-Packo te Nörten-Hardenberg. Het kantoor van Stork-Bepak, oorspronkelijk nog ondergebracht in het kantoorgebouw van het S.A.F.-concern te Amstelveen, zou naar een van de Bepak-vestigingen gaan. Utrecht leek een goede optie, waarbij de teruggang bij een andere Stork-dochter, Stork-Jaffa, een goede gelegenheid bood. Door integratie van Jaffa bij Stork-Bepak kon zowel de werkgelegenheid (deels) gered als de verplaatsing van het kantoor geregeld worden. Na langdurige en moeizame onderhandelingen kwam ondanks twijfels en verzet vanuit de werknemersorganisaties de integratie tot stand. In februari 1977 ging de fabriek aan de Koningsweg naar het Jaffa-terrein over, in mei en juni volgde het kantoor te Amstelveen. In 1978 volgde, vanwege de tegenvallende bedrijfsresultaten, ook de overbrenging van de vestiging te Elst naar Utrecht.
Literatuur
- Flessenvulmachines Wat maken wij in Nederland, Plastica 11 (1958), 534-535
- DUIC Verdwenen fabrieken: Jansen & Sutorius aan de Koningsweg
- Een belangrijke Nederlandsche Industrie, Industrieel weekblad 7 (1912), 41-45