James Dearing
| James Griffin Dearing | ||
|---|---|---|
![]() | ||
| Geboren | 25 april 1840 Campbell County, Virginia | |
| Overleden | 22 april 1865 Lynchburg, Virginia | |
| Rustplaats | Spring Hill Cemetery Lynchburg, Virginia | |
| Land/zijde | ||
| Onderdeel | ||
| Dienstjaren | 1861-1865 (CSA) | |
| Rang | ||
| Bevel | Dearing's (Lynchburg) Battery 38th Virginia Light Artillery Battalion 8th Confederate Cavalry Regiment Dearings Brigade | |
| Slagen/oorlogen | Amerikaanse Burgeroorlog | |
James Griffin Dearing (Campbell County, 25 april 1840 – Lynchburg, 22 april 1865) was een Amerikaans militair. Hij werd in 1858 toegelaten tot de United States Military Academy maar vertrok op 22 april 1861 om dienst te nemen in het Confederate States Army. Hij klom op tot de rang van kolonel en werd op 29 april 1864 bevorderd tot brigadegeneraal door president Jefferson Davis. Dearing raakte dodelijk gewond tijdens de Slag bij High Bridge op 7 april 1865 en overleed twee weken later aan zijn verwondingen. Zijn bevordering tot brigadegeneraal werd nooit officieel bevestigd door de Zuidelijke senaat.
Vroege jaren
James Dearing werd geboren op 25 april 1840 in Campbell County, Virginia. Hij was de achterkleinzoon van kolonel Charles Lynch, een veteraan uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en die zijn naam aan "Lynchen" zou gegeven hebben.[1] Dearing liep school aan de Hanover Academy. Hij werd in 1858 toegelaten tot de United States Military Academy in West Point. Toen zijn thuisstaat voor secessie koos, verliet Dearing de militaire school op 22 april 1861.
Amerikaanse Burgeroorlog
Dearing keerde terug naar Virginia. In Richmond kreeg hij een aanstelling tot luitenant in de artillerie bij de Virginia Militia. Toen de Washington Artillery uit New Orleans, Louisiana arriveerde werd Dearing aangesteld als twee luitenant en instructeur in de 3rd company. Zijn eenheid werd ingedeeld in de brigade van kolonel Jubal Early die deel uitmaakte van het Army of the Potomac onder leiding van generaal P.G.T. Beauregard. Dearing trad ook op als adjudant van zijn bataljonscommandant majoor James B. Walton.[2] Hij nam deel aan de Eerste Slag bij Bull Run.
In juli 1861 werd Dearing bevorderd tot eerste luitenant en in april 1862 tot kapitein toen hij bevelhebber werd van de Lynchburg ("Latham´s") Battery. Zijn batterij werd toegevoegd aan de brigade van George Pickett en werd ingezet tijdens de Schiereilandveldtocht en de Tweede Slag bij Bull Run. Dearing werd geprezen voor zijn moed en inzet door generaal-majoor James Longstreet.[3] Toen Pickett in september 1862 een divisie kreeg in Longstreets First Corps werd Dearing's batterij toegevoegd aan de divisie. In december werd zijn eenheid ingezet tijdens de Slag bij Fredericksburg.
Begin 1863 werd Dearing bevorderd tot majoor en aangesteld als bevelhebber van de artillerie in de divisie van Pickett. In april bestond zijn bataljon uit de batterijen van de kapiteins Stribling ("Fauquier"), Caskie ("Hampden"), Macon ("Richmond Fayette") en Blount (Dearing's old Lynchburg) en werd officieel het 38th Battalion, Virginia Light Artillery genoemd. Hij voerde hij bevel over zijn bataljon tijdens het Beleg van Suffolk onder leiding van Longstreet.[4]
Op 2 juli 1863 had het bataljon van Dearing zijn kampement opgericht bij Chambersburg, Pennsylvania toen het orders kreeg om richting Gettysburg te marcheren. Terwijl zijn manschappen op weg waren, reed Dearing vooruit naar het slagveld en bood hij zijn diensten aan luitenant-kolonel Edward Porter Alexander, die bevelhebber was van de artilleriereserve van het korps. Dearing kreeg het bevel over twee batterijen die de aanval van generaal-majoor Lafayette McLaws op Peach Orchard ondersteunde.[5] Deze batterijen, Jordan's "Bedford" en Woolfolk's "Ashland" stonden opgesteld op de rechterflank van Alexanders slaglinie en ondersteunden de aanval van Barksdale en Kershaw. Op 3 juli nam Dearings bataljon deel aan de kannonade die voorafging aan Pickett's Charge op het centrum van de Noordelijke slaglinie. Dearings kanonnen konden zware schade toebrengen, maar werden zelf onder vuur genomen door Noordelijke artillerie. Dearing werd voortdurend versterkt door kanonnen en manschappen die Alexander stuurde. Tijdens de infanterie-aanval ondersteunde Dearings bataljon de opmars van Richard Heron Andersons brigade en probeerde de tegenaanval van de 2nd Vermont Brigade onder leiding van brigadegeneraal George Stannard's 2nd Vermont Brigade te verhinderen.[6]
Na Gettysburg werd Pickett aangesteld als bevelhebber van het Department of Southern Virginia and North Carolina. Toen Pickett een cavalerie-eenheid nodig had voor een aanval verzamelde majoor Dearing 200 soldaten uit zijn bataljon.[7] Op 12 januari 1864 werd een nieuw cavalerieregiment opgericht om te dienen onder Pickett. Hij stelde voor om Dearing tot bevelhebber te benoemen. Dit werd goedgekeurd door de minister van oorlog James A. Seddon. Dearing, ondertussen een luitenant-kolonel bij de artillerie, werd benoemd tot kolonel bij de cavalerie met voorlopige rang. Zijn regiment die bekend stond als de 8th Confederate (of "Dearing´s Confederate") Cavalry, bestond uit het voormalige 12th North Carolina Cavalry Battalion, enkele andere pelotons en een batterij van lichte artillerie.[8][9]
In April 1864 nam Dearing deel aan de operaties tegen New Bern en Plymouth. Daarna keerde hij terug naar het Army of Northern Virginia waar hij opnieuw zijn rol als luitenant-kolonel bij de artillerie opnam.[10] Bij het begin van de Richmond-Petersburgveldtocht veranderde Dearing opnieuw van de artillerie naar de cavalerie. Hij werd op 29 april 1864 bevorderd tot brigadegeneraal van een cavaleriebrigade (waaraan zijn eigen artillerie toegevoegd werd). Hoewel hij het bevel voerde over zijn brigade werd zijn benoeming nooit officieel bevestigd door de Zuidelijke senaat. Ondertussen was het commando over het Department of Southern Virginia and North Carolina overgenomen door generaal P.G.T. Beauregard. Dearing en zijn brigade werden ingezet als verkenners en als brandweerkorps[11]
In juli kreeg Dearing het bevel over een brigade in de divisie van generaal-majoor W.H.F. "Rooney" Lee in het Army of Northern Virginia. Zijn nieuwe brigade bestond uit het 8th Georgia Cavalry Regiment, het 4th en 65th North Carolina cavalry regiments en de 16th North Carolina Battalion.[12] Toen Beauregard in de winter van 1864 bevelhebber werd van het Department of the West stelde hij voor om Dearing een divisie te geven. Dit advies werd echer niet gevolgd.[13]
Tijdens de Appomattoxveldtocht werd Dearing bevelhebber van een brigade in de divisie van generaal-majoor Thomas L. Rosser, een oude vriend en klasgenoot in West Point. De brigade bestond uit het 7th, 11th en 12 Virginia Cavalry regiments en het 35th Virginia Battalion.[14] Op 6 april 1865 botste Dearings cavalerie op een Noordelijke eenheid bij High Bridge. Hij vuurde op de vijandelijke bevelhebbers Theodore Read en Francis Washburn. Read sneuvelde en Washburn raakte levensgevaarlijk gewond. Maar ook Dearing viel zwaar gewond van zijn paard en werd gevangen genomen. Hij werd naar het old city hotel gebracht in Lynchburg die dienst deed als een hospitaal. Dearing kreeg bezoek van een oude klasgenoot uit West Point, namelijk brigadegeneraal Ranald S. Mackenzie. Mackenzie was de Noordelijke bevelhebber in Lynchburg. Hij liet Dearing vrij onder voorwaarden[15] maar Dearing overleed op 22 april 1865 aan zijn verwondingen. James Dearing werd begraven op het Spring Hill Cemetery in Lynchburg, Virginia.
Zie ook
Voetnoten
- ↑ Enne Koops, Lynchen - Vernoemd naar de dubieuze rechter Charles Lynch. Historiek (6 november 2016). Geraadpleegd op 11 december 2025.
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-IX, pp. 515
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XI-1, pp. 939
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XVIII, p. 995
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XXVII-2, pp. 429
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XXVII-2, pp. 387
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-LI-2, p. 799
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XLV, pp. 895
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XLV, p. 1083
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XLV, pp. 1265
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XLVIII
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XL-3, p. 763
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-XLIV, p. 979
- ↑ The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies I-LVI-1, pp. 1267
- ↑ Warner, p. 70
Bronnen
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel James Dearing op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- War Department; The War of the Rebellion : a compilation of the official records of the Union and Confederate armies., Series I; Washington, D.C.; 1881–1901
- Eicher, John H., and David J. Eicher, Civil War High Commands. Stanford: Stanford University Press, 2001. ISBN 978-0-8047-3641-1.
- Krick, Robert K. "James Dearing." In The Confederate General, vol. 2, edited by William C. Davis and Julie Hoffman. Harrisburg, PA: National Historical Society, 1991. ISBN 978-0-918678-64-5.
- Sifakis, Stewart. Who Was Who in the Civil War. New York: Facts On File, 1988. ISBN 978-0-8160-1055-4.
- Warner, Ezra J. Generals in Gray: Lives of the Confederate Commanders. Baton Rouge: Louisiana State University Press, 1959. ISBN 978-0-8071-0823-9.
