Indexmineraal

Ligging van isograden in een druk-temperatuurdiagram. De afkortingen langs de lijnen staan voor de namen van mineralen die overschrijding van de isograad stabiel worden: ab = albiet; alm = almandien (= Fe-granaat); and = andalusiet; AS = aluminium-silicaat (= kyaniet, andalusiet of sillimaniet); bi = biotiet]; chl = chloriet; cld = chloritoïd; crd = cordieriet; crn = korund; gln = glaucofaan; Kfs = K-veldspaat; kln = kaoliniet; ky = kyaniet; mag = magnesiet; ms = muscoviet; ol = olivijn; phl = flogopiet; prl = pyrofylliet; q = kwarts; sill = sillimaniet; st = stauroliet.

Een indexmineraal is in de geologie een mineraal dat alleen bij bepaalde omstandigheden van druk en temperatuur kristalliseert. Indexmineralen worden gebruikt om de omstandigheden waarbij een metamorf gesteente rekristalliseerde te herleiden.

Bij oplopende metamorfe graad verschijnen mineralen in een vaststaande volgorde. Het eerste verschijnen van een mineraal kan als een isograad gekarteerd worden. Het gebied tussen twee isograden vormt een metamorfe zone op een geologische kaart.

Metamorf gesteente wordt in metamorfe faciës ingedeeld - dit zijn domeinen met een bepaalde temperatuur en druk. Elke faciës is herkenbaar aan bepaalde indexmineralen.

Een bekend voorbeeld van indexmineralen zijn de aluminiumsilicaten andalusiet, kyaniet en sillimaniet. Deze drie polymorfen zijn elk stabiel in een eigen druk- en temperatuurdomein. Kyaniet is de stabiele variant bij hoge druk maar relatief lage temperatuur, andalusiet bij relatief lage druk, en sillimaniet bij hoge temperatuur en druk.