Hugo van Zuylen van Nijevelt (1781-1853)

Hugo van Zuylen van Nijevelt
Hugo van Zuylen van Nijevelt
Geboren 7 juli 1781
Rotterdam
Overleden 18 maart 1853
's-Gravenhage
Land Vlag van Nederland Nederland
Minister van Buitenlandse Zaken a.i.
Aangetreden 13 september 1841
Einde termijn 6 oktober 1841
Monarch Willem I
Voorganger Johan Gijsbert Verstolk van Soelen
Opvolger Johan Willem Huyssen van Kattendijke
Minister van Zaken van de Hervormde en andere Erediensten, behalve die der Rooms-Katholieke
Aangetreden 1 maart 1841
Einde termijn 25 maart 1848
Monarch Willem I
Willem II
Voorganger Frederik Willem Floris Theodorus van Pallandt
Opvolger Lodewijk Caspar Luzac
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Hugo baron van Zuylen van Nijevelt, heer van Nieuw-Beijerland en 's-Gravenambacht (Rotterdam, 7 juli 1781's-Gravenhage, 18 maart 1853) was een Nederlands diplomaat en minister.

Familie

Van Zuylen was een zoon van mr. Jacob van Zuylen van Nyevelt (1739-1805), wethouder van Rotterdam, en Adriana Maria Cornets de Groot (1746-1816). Hij trouwde in 1823 met jkvr. Cornelia Adriana Boreel (1796-1875), dame du palais van koningin Sophie, dochter van jhr. mr. Jacob Boreel, heer van Hogelanden, 8e baronet (1768-1821) en Johanna Margaretha Munter (1772-1846). Zij kregen een dochter die nog geen één jaar oud werd. Aan moederszijde stamde hij af van rechtsgeleerde Hugo de Groot.[1]

Biografie

Carrière in de Frans-Bataafse tijd

Hugo van Zuylen van Nijevelt studeerde aan de Universiteit Utrecht rechten en promoveerde daar op 14 december 1803 op zijn proefschrift Specimen Academicum, exhibens observationes quasdam de munere Legatorum. Na zijn studie ging hij als particulier secretaris werken voor de legatie van ambassadeur Gerard Brantsen in Parijs. Toen Napoleon besloot om raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck te vervangen door zijn broer Lodewijk Napoleon was het aan Van Zuylen om dit nieuws aan de raadspensionaris over te brengen.[2] In 1802 ontmoette hij in Utrecht Anton Reinhard Falck, met wie hij bevriend raakte.[3]

Op maart 1807 kreeg hij de aanstelling van secretaris van de legatie en later als charge d'affairs in Madrid. Na de Inlijving van het Koninkrijk Holland in 1810 kwam er een einde aan deze positie en keerde hij terug naar zijn vaderland. Tijdens zijn periode in Spanje maakte hij het uitbreken van de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog mee en in deze periode werd hij een enkele maal in zijn koets samen met ambassadeur Verhuell ondervraagt: "Wie moet leven? wie moet sterven?" Hierop antwoordde Van Zuylen: "Leve Ferdinand, dood aan (sterve) Godoy!"[2] Daarnaast kwam hij tijdens zijn eerste periode in Spanje in aanraking met het werk van Manuel José Quintana. Van Zuylen vertaalde diens nationalistische pamfletten naar het Nederlands en liet die in het geheim verspreiden onder de orangisten in Nederland.[1]

Op 23 mei 1811 kreeg Van Zuylen van Nijevelt een functie als adjunct-maire van Rotterdam. Bij zijn benoeming werd hij beschreven als een rentenier en stond hij bekend als "weinig Fransgezind". Zijn broer Jan Adriaan diende op dat moment als onderprefect van de regio Rotterdam.[4]

Carrière in het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden

Nadat de Fransen in 1813 waren weggetrokken uit Nederland sloot Van Zuylen zich aan bij het nieuwe bestuur. Begin februari 1814 stuurde soeverein vorst Willem Frederik en Gijsbert Karel van Hogendorp hem als "commissaris-politiek" naar de Zuidelijke Nederlanden om de Belgen te helpen met het afwerpen van het Franse juk en het verspreiden van Orangistische propaganda in het Zuiden. Voor deze actie zou Willem Frederik een tik op de vinger krijgen van de Britse ambassadeur Clancarty.[5]

Na de vestiging van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden stuurde het nieuwe bestuur hem naar Zweden als ambassadeur. Daar behartigde hij de belangen van de Nederlandse schuldeisers nadat de Zweedse regeringen hun leningen teniet had gedaan. Hij wist succesvol deze belangen te verdedigen.[1] Op 18 april werd hij tot jonkheer verheven binnen de Nederlandse adel.[6]

In 1816 stuurde de Nederlandse regering hem als ambassadeur naar Spanje om met deze staat een verbond te sluiten tegen de Barbarijse zeerovers.[7] Van Zuylen kwam al snel tot overeenstemming met de Spaanse premier Pedro Cevallos en op 10 augustus 1816 ondertekenden ze het Verdrag van Alcalá, waarin de beide staten elkaar hulp toezegden als ze door de kapers werden aangevallen.[8] Van Zuylen bleef tot 1822 in functie in Spanje voor hij een nieuwe ambassadeurspost accepteerde om Nederland in Constantinopel bij het Ottomaanse Rijk te vertegenwoordigen.[6]

Tijdens de Conferentie van Londen stuurde Willem I Van Zuylen naar Londen om als tweede onderhandelaar op te treden en kreeg hij de taak om als waakhond van de koning op te treden tegen ambassadeur Falck.[9] In 1835 keerde hij in opdracht van koning Willem I terug naar Londen om namens zijn koning bij de Hertog van Wellington te polsen of deze openstond voor een herstel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Volgens hem kon het koninkrijk alleen hersteld worden in het geval van een Europese oorlog, iets dat de hertog wilde voorkomen.[10]

Ministerschap

Op 1 maart 1841 benoemde koning Willem II Van Zuylen als zijn nieuwe Minister van Hervormde Eredienst,[6] in deze functie volgde hij Frederik Willem Floris Theodorus van Pallandt op.[11] Later dat jaar behoorde hij tot een staatscommissie van drie ministers die de koning adviseerden om de onderhandelingen te hervatten met Pruisen aangaande de aansluiting van Luxemburg bij de Zollverein. Minister van Buitenlandse Zaken, Johan Gijsbert Verstolk van Soelen, stapte in deze periode op en Van Zuylen gaf vervolgens aan de koning te kennen dat hij alleen als minister ad interim op dit departement wilde besturen. Johan Willem Huyssen van Kattendijke zou vervolgens de positie van hem overnemen.[12]

In de periode dat Van Zuylen tot het kabinet van Willem II behoorde sprak hij zich enkele malen uit voor een grondwetsherziening. Toen de koning op 15 maart 1848 zijn ministers passeerde door de Tweede Kamer goedkeuring te geven voor de herziening diende Van Zuylen samen met zijn collega's hun ontslag in. De koning aanvaardde het ontslag van zijn ministers.[13]