Het boek van Trijntje Soldaats

Het boek van Trijntje Soldaats
Auteur(s) Trijntje Soldaats, opgeschreven door Gerrit Arend Arends
Redacteur Eilina Huizinga-Onnekes
Voorwoord Herman Poort
Illustrator Johan Dijkstra
Land Nederland
Taal Nederlands
Reeks/serie Groninger Volksvertellingen (deel I)
Genre volksverhaal / sprookje
Uitgever P. Noordhoff
Uitgegeven 1928
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Het boek van Trijntje Soldaats is een bibliofiele boekuitgave met zeventien Groningse volksverhalen gepubliceerd in 1928.[1] De teksten zijn rond 1804 opgetekend in Ezinge door de elfjarige Gerrit Arend Arends, naar verhalen die in huiselijke kring werden verteld door de huisnaaister Trijntje Soldaats.[2]

De eerste editie, gemaakt door folkloriste Eilina Huizinga-Onnekes, werd geïllustreerd met houtsneden, vignetten en initialen van Johan Dijkstra en typografisch vormgegeven en gedrukt door Hendrik Nicolaas Werkman.[1][3] De optekeningen zijn ouder dan de publicatie van de Kinder- und Hausmärchen van de Gebroeders Grimm (1812–1815) en worden in het volksverhalenonderzoek daarom geregeld als een vroege Nederlandse bron aangehaald.[2][4]

Ontstaan en handschrift

De verhalen zijn opgetekend in een klein schriftje dat doorgaans wordt aangeduid als het Vertel-boektje 1804.[5] Theo Meder, volksverhaalonderzoeker aan het Meertens Instituut, wijst erop dat het hier gaat om zeventien onopgesmukt genoteerde verhalen, opgeschreven door een kind, en dat de optekeningen daardoor niet beïnvloed kunnen zijn door de latere Grimmsprookjes.[2] Het oorspronkelijke Vertelsel Boektje bevindt zich in de Athenaeumbibliotheek in Deventer.[5]

Onder de naam Trijntje Soldaats wordt doorgaans Trijntje Alberts uit Ezinge verstaan. Zij trouwde in 1787 met de Duitse soldaat Andries Cramer; aan dit huwelijk dankte zij volgens latere beschrijvingen haar bijnaam Soldaats.[6] Na zijn dood keerde zij terug naar Groningen en hertrouwde in 1798 met de twintig jaar jongere Wijbe Wijbrands, waarna zij onder meer als huisnaaister werkte bij de familie Arends in Ezinge.[6]

Huizenga-Onnekes vermeldde dat het schriftje in de familie bewaard was gebleven en in de huisraad werd teruggevonden. Zij was een afstammeling van de optekenaar Gerrit Arend Arends en presenteerde de vondst als familiebezit dat opnieuw onder de aandacht werd gebracht door de uitgave van 1928.[1][2]


Inhoud

De bundel bevat sprookjes en andere volksverhalen met uiteenlopende motieven. Onder meer dierenverhalen, reuzen, koningsdochters en dwergen.[6] De sobere, kinderlijke schriftelijke vorm betekent niet dat de inhoud op kinderen is afgestemd: in de verhalen komen ook gruwelijke en scabreuze elementen voor.[6][1]

Uitgavegeschiedenis

De eerste uitgave verscheen in 1928 bij P. Noordhoff als Groninger Volksvertellingen I: Het boek van Trijntje Soldaats.[1] Huizenga-Onnekes liet de teksten in het Nederlands van de optekenaar afdrukken, inclusief diens schrijf- en spelfouten.[2][6]. Het voorwoord werd geschreven door Herman Poort.

Herdruk en heruitgaven

  • In 1958 verscheen een facsimile-herdruk van Het boek van Trijntje Soldaats.[7]
  • In 2003 verscheen bij Profiel (Bedum) een bewerkte heruitgave waarin Het boek van Trijntje Soldaats samen met Het boek van Minne Koning werd opgenomen (41 Groninger volksvertellingen), met redactie/bewerking door Carola Rombouts en Coos Dieters.[8] Over deze heruitgave werd onder meer opgemerkt dat er zowel een handelsuitgave als een bibliofiele uitgave verscheen en dat de teksten voor een breder publiek zijn bewerkt naar eigentijds Nederlands.[6][9]

Kunstenaarsboek

De editie van 1928 wordt niet alleen als volksverhalenbundel gezien, maar ook als een voorbeeld van een vroeg-twintigste-eeuws Nederlands kunstenaarsboek, doordat tekst, typografie, druk en beeld één geheel vormen. Het boek is voorzien van versieringen in de vorm van paginagrote houtsneden, vignetten en initialen. Werkman drukte naast de zwarte drukgang steunkleuren, terwijl Dijkstra een deel van de oplage met de hand van kleur en goud voorzag.[1] Het boek is opgenomen in de collecties van het Groninger Museum en het Stedelijk Museum Amsterdam.[3]

Fragment

Daar waren eenmaal een grootoog en een kleinoog en het waaren beide neefs en het waaren ook beide boeren. en kleinoog had een koe en grootoog had veel meer koijen en veel meer land en kleinoog zijn koe kwam in grootoog zijn land. doe zeide grootoog dat als zijn koe er weer in kwam – de koe dood te houwen. doe zeide kleinoog goed doe dat maar. en doe kwam de koe weer in en doe hoew hij de koe doot en kleinoog ging heenen en vilde de koe en ging er met na de markt met de kaar.

koijen = koeien, doe = toen, houwen = slaan, hoew = sloeg, kaar = kar

De eerste?

In het Nederlands verschenen eerder sprookjesboeken, maar dat betrof doorgaans vertalingen (zoals de sprookjes van Charles Perrault).[4] Het boek van Trijntje Soldaats is vooral bijzonder omdat het een vroeg en lokaal opgetekend corpus volksverhalen betreft, dat in onderzoek naar de Nederlandse vertelcultuur als belangrijke bron wordt gebruikt.[2][4]

Literatuur

  • W. de Blécourt, R.A. Koman e.a., Verhalen van stad en streek: sagen en legenden in Nederland. Amsterdam: Bert Bakker, 2010, p. 24–25.