Hendrik Mande
| Hendrik Mande | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboortedatum | ca. 1350 | |||
| Geboorteplaats | Dordrecht | |||
| Overlijdensdatum | 1431/1432 | |||
| Overlijdensplaats | Beverwijk | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep | schrijver, kopiist, boekverluchter | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Invloeden | Hugo van Sint-Victor, Hadewijch, Jan van Ruusbroec | |||
| ||||
Hendrik Mande (Dordrecht, ca. 1350 — Beverwijk, 1431/32) was een auteur uit de kringen van de Moderne Devotie die een veertiental korte, mystieke werken heeft geschreven in het Middelnederlands.
Vrijwel al onze kennis over Hendrik Mande is gebaseerd op de levensbeschrijving van de hand van zijn medebroeder Johannes Busch (1399/1400–1479/80) in diens De viris illustribus ordinis canonicorum regularium monasterii in Windesem (‘De vooraanstaande mannen van de orde van reguliere kanunniken van het klooster in Windesheim’).[1]
Levensloop
Hendrik Mande werd geboren in Dordrecht als zoon van een voorname burgerfamilie.[2] Hij werkte als schrijver aan het hof van de graaf van Holland. Deze functie en ook zijn latere optreden als procurator (zakelijk beheerder) van een klooster-in-oprichting doet vermoeden dat hij een gedegen opleiding heeft gehad.[3] Ook kan men op grond van zijn werken veronderstellen dat hij het Latijn beheerste.
Mande bekeerde zich onder invloed van de prediking van Geert Grote en hij behoorde tot de eerste moderne devoten. Jaren voordat in Zwolle een broederhuis wordt gesticht zien we hem daar, in de kring rond Johannes Cele. In 1382 is zijn geestelijk leven al zo ver ontwikkeld en betrouwbaar dat Geert Grote hem aanbeveelt als geestelijk raadsman voor een jongeman met weinig devotie.[4]
Mande heeft ook een tijd in het Heer Florenshuis te Deventer verbleven voordat hij naar het klooster Windesheim bij Zwolle gegaan is. In een brief van eind 1391 of begin 1392 beveelt Florens Radewijns de prior van Windesheim aan Hendrik Mande zo spoedig mogelijk te laten intreden.[5] Misschien is dit inderdaad nog in 1392 gebeurd, maar het duurde nog tot 11 november 1395 dat Mande de kloosterpij ontving. Ongeveer een jaar later zal hij geprofest zijn, en wel als ‘reddiet’: volwaardig kloosterling die echter niet – zoals gebruikelijk – priester gewijd zou worden. Busch schrijft dat Mande ‘om bepaalde redenen’ niet de hogere wijdingen kon ontvangen.
Mande was een vaardige verluchter en heeft in het klooster meer dan dertig jaar de initialen van grote bijbels en zangboeken geschilderd.
Hij was vaak ziek, leed aan jicht en verlammingen en hij lag soms maandenlang ziek op bed. Als hij weer in staat was de kerkdiensten bij te wonen, betoonde hij zich een emotioneel persoon, begiftigd met zo’n grote tranenvloed dat hij een handdoek moest meenemen om zijn tranen te drogen. Hij liep door de kloostergangen met zijn ogen en armen ten hemel gericht, want ‘zijn rijk was niet van deze wereld’ (vgl. Johannes 18,36).[6]
Een jaar voor Mandes dood reisde Busch samen met hem naar Delft. Op deze reis werd Mande ziek en hij overleed in het klooster Sion te Beverwijk.
Geboortejaar en sterfjaar
Traditioneel wordt het geboortejaar van Hendrik Mande rond 1360 geschat.[7] Aangezien Mande al schrijver aan het Hollandse hof was toen hij zich in 1380 of kort daarna bekeerde, is het aannemelijk dat hij op dat moment ouder was dan 20 jaar. Anderzijds moet hij rond 1430 niet te oud geweest zijn om nog een verre reis te maken naar Delft en Beverwijk. Op grond van deze argumenten kan zijn geboortejaar rond 1350 geschat worden.
Als zijn sterfjaar wordt gewoonlijk 1431 genoemd. Dit is gebaseerd op het de vermelding bij Busch dat Mande na 36 jaar kloosterleven overleden is. Aangezien Mande in november 1395 ingetreden is, is de kans echter groter dat 1432 zijn sterfjaar is en niet 1431.
Werken
De titellijst van Johannes Busch
Volgens Busch heeft Mande zijn werken in het Middelnederlands geschreven en ze gebundeld in een perkamenten boekje voor de Windesheimer bibliothecaris van de Nederlandstalige boeken om het uit te lenen aan iedereen die het wilde.
Busch geeft 14 titels in het Latijn. In de handschriften zijn Mandes werken altijd anoniem overgeleverd. Precieze overeenstemming tussen de Latijnse titel en de titel in de handschriften is het enige houvast dat we hebben om Mandes werken te identificeren. In 9 van de 14 gevallen is dat met zekerheid gelukt. Daarbij bleek dat Busch soms onderdelen van een werk met een afzonderlijke titel had opgenomen. Zo verwijzen Busch’ 11de en 12de titel naar het tweede en derde deel van Van drien staten, dat hij al als 7de had vermeld.
Geïdentificeerde werken
De volgende werken zijn met zekerheid geïdentificeerd. Ze zijn allemaal anoniem overgeleverd. Zonder de lijst van Latijnse titels bij Busch zouden we niet geweten hebben dat ze van dezelfde auteur zijn.
- Een devoet boexken hoe dat wij uut selen doen den ouden mensche mit sinen werken ende ons mit Cristo overmids warachtighe doechden sellen verenighen (Busch, titel 1: Liber unus, quomodo veterem hominem cum actibus suis exuere debemus et Christo nos unire, habens novem capitula)
- Een devoet boecskijn van den binnensten ons liefs heren Jhesu Cristi ende hoe men daerin comen mach ende wat weghe daerin leiden (Busch, titel 2: Liber de intimis domini nostri Ihesu Christi et septem viis quibus itur ad ea, habens quindecim capitula)
- Een devoet boexken van der volmaecster hoecheit der minnen ende hoe men dairtoe sal pinen te comen (Busch, titel 3: Liber de perfecta amoris altitudine et de viis ad eam perveniendi, tredecim habens capitula)
- Een spiegel der waerheit (Busch, titel 5: Speculum veritatis)
- Een boec van den licht der waerheit (Busch, titel 6: Liber de luce veritatis)
- Een boecskijn van drien staten eens bekierden mensche dairin begrepen is een volcomen gheestlic leven (Busch, titel 7: Liber de tribus statibus hominis conversi, in quibus consistit perfectio vite spiritualis)
- Een minnentlike claege der minnender ziele tot horen geminden om verlost te werden van hoerre duusternisse ende gebreken (Busch, titel 8: Amorosa querela amantis anime ad deum suum pro liberacione tenebrarum defectuumque suorum)
- Een corte enighe sprake der minnender sielen mit haren gheminden (Busch, titel 9: Allocucio brevis amantis anime cum amato suo)
- Een devoet boecskijn van der bereydinghe ende vercieringhe onser inwendigher woeninghe (Busch, titel 10: Liber de preparacione interne nostre habitacionis)
Het zijn allemaal tamelijk korte geschriften (160–1700 regels).
Onzekere identificaties
Discussie is er over de identificatie van:
- Busch’ 4de titel: Liber de sapida sapientia, habens duodecim capitula (‘Boek over de smakende wijsheid, dat 12 hoofdstukken omvat’). Volgens sommige onderzoekers heeft Busch een fout gemaakt en verwijst deze titel naar het tweede deel van Een spiegel der waerheit.[8] De Spiegel omvat 17 hoofdstukken en de titel van het 11e hoofdstuk luidt: Dit is vanden zeven gaven des heiligen geest ende eerst van der smakender wijsheit.
- Busch’ 13de titel: Dyalogus sive allocucio devote anime cum deo amato suo et responsio eius ad animam devotam (‘Dialoog of aanspraak van de innige ziel met zijn beminde God en diens antwoord aan de innige ziel’). In de ijver van de onderzoekers om Mandes werken te identificeren heeft men aangenomen dat deze titel verwijst naar een anonieme dialoog in handschrift Amsterdam, Universiteitsbibliotheek UvA, I G 10. Onderzoekers hebben deze dialoog de noodnaam de ‘Vurighe begherten’ gegeven.[9]
- Busch’ 14de titel: Liber de raptibus et collocucionibus suis cum deo et dei secum, decem habens capitula secundum decem revelationes diversis temporibus sibi factas (‘Boek over zijn (d.w.z. Mandes) visioenen en zijn gesprekken met God en van God met hem, dat tien hoofdstukken bevat overeenkomstig de tien openbaringen die hem op verschillende momenten te beurt gevallen zijn’). Deze tekst is als zodanig niet teruggevonden, maar de verschillende visioenen die in de handschriften afzonderlijk voorkomen, zouden delen ervan kunnen zijn.[10]
Werken die Busch mogelijk niet genoemd heeft
Men kan zich afvragen of de titellijst van Busch volledig is.[11] Busch ondergraaft die volledigheid misschien zelf al door een boekje te noemen dat Mande voor Lidwina van Schiedam had geschreven, maar het kan ook zijn dat het hier gaat om het werk dat aangeduid wordt met de 14de titel uit Busch’ lijst.
Busch neemt zich ook voor om aan het eind van zijn boek een aantal visioenen van Mande op te nemen, een voornemen dat hij echter niet ten uitvoer heeft gebracht.[12]
De afzonderlijk overgeleverde visioenen (zie boven bij Busch’ 14de titel).
Visioenen
Busch beschrijft Mande als een groot, extatisch schouwer die visionaire gaven heeft. Hij schrijft ook dat Mande in zijn werken ter illustratie van zijn betoog visioenen anoniem beschreven heeft alsof ze aan ‘een broeder in een klooster’ gebeurd waren. Inderdaad zien we dat in drie van zijn geïdentificeerde werken. Uit verschillende bronnen zijn ons in totaal 29 visioenen van Mande bekend. Bij sommige daarvan die buiten Mandes werken zijn overgeleverd, wordt zijn naam genoemd.
Busch vertelt ook dat Mande veel visioenen over de staat van overledenen had. Mande heeft gefungeerd als een medium dat op bestelling informatie leverde. Van heinde en verre kwamen mensen om hem te vragen hoe het nu met hun gestorven ouders of andere overledenen ging. In zijn tijd werd dit al gewantrouwd. Busch heeft zelf ook zijn twijfels gehad en Lidwina van Schiedam gevraagd wat zij ervan vond. Lidwina antwoordde hem dat ze geloofde Mandes openbaringen van God kwamen, maar dat hij er niet zo openhartig over moest zijn.
Busch besteedt in zijn levensbeschrijving veel aandacht aan Mandes visionaire begaafdheid en vertaalt zelfs in een apart hoofdstuk een visioen van Mande dat hij de Apocalyps noemt. In dit visioen ziet Mande een groot aantal overleden voorgangers van de Moderne Devotie. Busch beschouwt dit visioen als een goddelijke bekrachtiging van de religieuze beweging die hij beschrijft en hij doet daarom veel moeite om Mandes visionaire begaafdheid te verdedigen.[13]
Waarderingsgeschiedenis
In de zeventiende en achttiende eeuw gold Mande als een vertegenwoordiger van het verdorven middeleeuws katholicisme.[14]

Het tij keert als de protestantse kerkhistoricus Willem Moll Mande ontdekt, in 1854 een drietal werken van hem uitgeeft[15] en hem vereert met de bijnaam ‘de Noord-Nederlandse Ruusbroec’.
Mandes ster rijst snel in de tweede helft van de negentiende eeuw. In 1895 voert Margaretha Maclaine Pont hem op als een belangrijk personage in de historische roman De poorterszoon van Hoorn, geïllustreerd door Charles Rochussen,[16] en in 1899 wijdt de protestantse kerkhistoricus Gerard Visser een proefschrift aan hem.
Het tij keert opnieuw als men na 1900 ontdekt dat Mandes geschriften voor een groot deel gebaseerd zijn op oudere werken en dus onoorspronkelijk genoemd kunnen worden: werken van onder anderen Hugo van Sint-Victor, pseudo-Richard van Sint-Victor, Hadewijch, Jan van Ruusbroec en Rudolf van Biberach.[17] In 1936 verbant Gerard Lieftinck hem uit de literatuurgeschiedenis:
Indien hij het waard wordt geacht, genoemd te worden in de geschiedenis onze letteren, dan is hij dat als een vertegenwoordiger van den soort en zeker niet als een litteraire figuur.[18]
Pas in de jaren 80 van de 20e eeuw komt Mande weer in beeld, inderdaad als een vertegenwoordiger van de soort, maar nu in positieve zin: een unieke kans om een aantal anonieme geestelijke teksten, zoals er zo veel in de handschriften te vinden zijn, als de producten één auteur te bestuderen. Mandes ‘onoorspronkelijkheid’ wordt nu gezien als zijn persoonlijke manier om zich de teksten van grote auteurs eigen te maken in de lijn van de praktijk van het rapiarium, die de moderne devoten cultiveerden.[19]
Literatuur
- Johannes Busch, De viris illustribus, uitgegeven door Karl Grube, Des Augustinerpropstes Iohannes Busch Chronicon Windeshemense und Liber de reformatione monasteriorum, Halle: Otto Hendel, 1886, p. 122–135 Digitale versie
- Gerard Visser, Hendrik Mande. Bijdrage tot de kennis der Noord-Nederlandsche mystiek. Den Haag: Martinus Nijhoff, 1899 (diss. Leiden) Digitale versie
- Th. Mertens, ‘Hendrik Mande (±1360-1431). Een geannoteerde bibliografie van de werken over hem en van de uitgaven van zijn geschriften’, Ons Geestelijk Erf 52 (1978) 363–396.
- Thomas F.C. Mertens, Hendrik Mande (?–1431). Teksthistorische en literairhistorische studies. Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 1986 (diss. Nijmegen) Digitale versie
- Th. Mertens, ‘Hendrik Mande als visionair’, Millennium 3 (1989) 106–114
- Mathilde van Dijk, 'Henry Mande: The Making of a Male Visionary in Devotio Moderna', in: Saints, Scholars, and Politicians: Gender as a Tool in Medieval Studies, ed. by Mathilde van Dijk and Renée Nip, Turnhout: Brepols, 2005, p. 133-151.
- ↑ Busch, De viris illustribus, hst. 43–45, ed. Grube 1886, p. 122-135.
- ↑ J.L. van Dalen, ‘Hendrik Mande’, in Zondagsblad van het nieuws van den dag, jrg. 31, nr. 50 (11 december 1904), 2–3. Digitale versie
- ↑ Klooster Engelendaal bij Leiderdorp, gesticht in 1400, zie Wilhelm Kohl e.a., Monasticon Windeshemense, Brussel: Archief- en Bibliotheekwezen in België, 1976–1984, dl. III (1980), p. 292.
- ↑ Geert Grote, Brief 25 (Mulder 34), Gerardi Magni epistolae, ed. Rijcklof Hofman en Marinus van den Berg, Turnhout: Brepols, p. 154-155.
- ↑ Busch, De viris illustribus, hst. 22, ed. Grube 1886, p. 61.
- ↑ Mathilde van Dijk 2005 laat zien hoe de anekdotes over zijn ziekte en tranenvloed bijdragen aan de constructie van het beeld van Mande als bron van wijsheid en als gezaghebbende geestelijk leidsman.
- ↑ Deze traditie begint bij J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed, Utrecht: Van der Post, 1875–1881, dl. I, p. 262, n. 1.
- ↑ Guido de Baere, ‘Hendrik Mandes Liber de sapida sapientia teruggevonden?’, in: Ons Geestelijk Erf, 63 (1989), 172-179.
- ↑ Kees Schepers, ‘Hugo de Balma bij Hendrik Mande, in ‘Vurighe begherten’ en in Bedudinghe op Cantica Canticorum’, Ons Geestelijk Erf 68 (1994) 229-240.
- ↑ Mertens 1986, 109–128
- ↑ Mertens 1986, p. 67–76.
- ↑ Busch, De viris illustribus, ed. Grube 1886, p. 135.
- ↑ Bertram Lesser, Johannes Busch: Chronist der Devotio moderna, Frankfurt a.M.: Peter Lang, 2005, p. 145-147.
- ↑ Zie bijvoorbeeld Geuze-kost opgedist in paapse schotelen, (z.pl.), 1725, p. 26–31 Digitale versie
- ↑ Willem Moll, Johannes Brugman en het godsdienstig leven onzer vaderen in de vijftiende eeuw, Utrecht: Potielje, 1854, dl. II, p. 259–313. Digitale versie
- ↑ Margaretha Maclaine Pont, De poorterszoon van Hoorn (1895). Digitale versie met illustraties van Ch. Rochussen. Zie ook Jan Lambertsz. Cruyf.
- ↑ Een aantal relevante artikelen is elektronisch beschikbaar in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL)
- ↑ G.I. Lieftinck, ‘Hendrik Mande als bewerker en compilator’, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 51 (1932) 201–217, m.n. 215. Digitale versie
- ↑ Mertens 1986, 393–432; Thom Mertens, ‘Lezen met de pen. Ontwikkelingen in het laatmiddeleeuws geestelijk proza’, in: F.P. van Oostrom en F. Willaert (red.), De studie van de Middelnederlandse letterkunde. Stand en toekomst, Hilversum: Verloren, 1989, 187-200.