Johannes Busch
Johannes Busch (Zwolle, 1399/1400 – Hildesheim, 1479/80) was geschiedschrijver van de Moderne Devotie en hervormer van kloosters in de Duitstalige gebieden. Busch schreef in het Latijn.[1]
Vrijwel al onze kennis omtrent Busch' leven is afkomstig uit zijn eigen geschriften.
Levensloop
Uit mededelingen van Busch zelf kan afgeleid worden dat hij tussen 10 augustus 1399 en 6 januari 1400 geboren is.[2]

Johannes Busch stamde uit een vooraanstaande Zwolse familie. Zijn grootvader maakte deel uit van het stadsbestuur van Zwolle. Zijn moeder is hertrouwd nadat haar eerste man was overleden. Johannes had een zus Berte, een halfzus (wier naam onbekend is) en een halfbroer Claes. Zijn zus Berte is ingetreden in het koorvrouwenklooster Diepenveen.[3]
Busch groeide op in nauw contact met de Moderne Devotie. Zijn moeder had als kind Geert Grote nog ontmoet op de dagen dat Grote bij haar ouders logeerde als hij in Zwolle moest zijn.[4] Busch ging vanaf zijn zevende jaar naar de stadsschool van Johannes Cele, waar hij tot de beste leerlingen behoorde.[5]
Op zijn achttiende trad Busch in bij de augustijner koorheren van Windesheim. Na een proeftijd van anderhalf jaar werd hij op 6 januari 1419 ingekleed en, na een jaar noviciaat, op 6 januari 1420 geprofest. Psalm 89(88):2 gold hem als levensmotto: Misericordias Domini in aeternum cantabo ('Ik zal de barmhartigheden van de Heer tot in eeuwigheid bezingen').[6]
Van 1424 tot september 1428 werd hij als diaken uitgezonden naar de omgeving van Keulen om daar mee te werken aan de stichting van het Maria-klooster in Bödingen.[7] In de jaren van deze zending werd hij priester gewijd in de dom van Keulen.[8]
Eind 1428 keerde hij terug naar Windesheim, om in januari 1429 naar het Martinus-klooster Ludingakerk bij Harlingen uitgezonden te worden en vervolgens van daaruit naar Beverwijk om te helpen bij de stichting van het klooster Sion. In 1431 werd hij zielzorger bij koorvrouwen in Brunnepe bij Kampen.[9] In 1434 keerde hij terug naar Windesheim en werd daar aangesteld als sacrista ('koster'), een veelomvattende functie die grote nauwgezetheid vereiste.[10]
Twee jaar later werd hij uitgezonden naar het koorherenklooster Wittenburg[11] bij Elze en vandaar in 1439 naar het twintig kilometer verderop gelegen Bartholomeus-klooster Sülte bij Hildesheim.[12] Daar werd hij in het jaar daarop proost, een functie die werd omgezet in die van prior toen Sülte zich aansloot bij het Kapittel van Windesheim. Vanuit Sülte hervormde hij vrouwenkloosters in de buurt, zij het niet altijd met blijvend succes.
Vanwege de geslaagde hervorming van het ontspoorde kloosterleven in Sülte werd hij in 1447 als proost aangesteld van het omvangrijke en machtige klooster Neuwerk bij Halle aan de Saale.[13] Met deze functie werd Busch ook aartsdiaken van het belangrijkste en grootste aartsdiakonaat van het aartsbisdom Magdeburg en daardoor de eerste in rang na de aartsbisschop. In 1451 kreeg hij bovendien van kardinaal Nicolaas van Cusa namens de paus de opdracht twintig augustijner kloosters in verschillende bisdommen te hervormen. Daarnaast heeft Busch een aantal vrouwenkloosters willen hervormen. Alles bij elkaar vormde dit een te zwaar takenpakket. De opgelegde hervormingen lokten bovendien tegenstand uit en het is de vraag in hoeverre de resultaten blijvend zijn geweest. Busch werd in 1454 om onbekende redenen door de aartsbisschop van zijn functie van proost van Neuwerk ontheven, waarna hij terugkeerde naar het klooster Wittenburg.[14] In 1455 is hij nog bezig geweest om vier kloosters in de buurt van Hildesheim te hervormen.[15]
Begin 1456 was hij weer terug in Windesheim als simplex frater, ambteloos broeder. Op verzoek van de prior zette hij zich aan een kroniek van het klooster. Hij vervulde in deze Windesheimse jaren ook enkele kortlopende opdrachten. Zo maakte hij dienstreizen en vervulde enige tijd functies in het koorvrouwenklooster te Diepenveen en vervolgens in Brunnepe bij Kampen. In deze periode heeft hij ook actie ondernomen tegen een dominicaan die gepreekt had dat het de leken verboden was religieuze boeken in de landstaal te bezitten.[16]
In 1459 werd hij weer tot prior gekozen in Sülte en vatte hij aldaar energiek weer zijn werk op als reformator van kloosters van verschillende ordes. Tevens werkte hij aan een herziening van de Windesheimer geschiedwerken en schreef hij zijn memoires als kloosterhervormer. In 1479 heeft hij om gezondheidsredenen ontslag genomen. Naar men aanneemt is hij kort daarna overleden.
Werken
Over de geschiedenis van Windesheim
Toen Johannes Busch in 1456 teruggekeerd was in het klooster Windesheim, vroeg de prior, Johannes van Naaldwijk, hem een kloosterkroniek te schrijven. Aan dit verzoek heeft Busch voldaan met twee werken: Liber de viris illustribus en Liber de origine. Beide werken heeft enkele jaren later in Sülte omgewerkt.[17] Bij zijn Liber de origine is het verschil tussen beide redacties groter dan bij zijn Liber de viris illustribus.[18]
Liber de viris illustribus
Liber de viris illustribus ordinis canonicorum regularium monasterii in Windesem (‘Boek over de vooraanstaande mannen van de orde van reguliere kanunniken van het klooster in Windesheim’) — Structuur: proloog, inhoudsopgave, 72 hoofdstukken[19]
- 1e redactie: Windesheim, 1456-1459
- 2e redactie: Sülte bij Hildesheim 1459-1464
De verschillen tussen beide redacties zijn niet heel groot. De tweede redactie is op een aantal plaatsen bewerkt en uitgebreid.
Aan de tweede redactie heeft Busch nog de Latijnse vertaling van een Middelnederlandse 'brief' achteraan toegevoegd die een aantal meditatie-onderwerpen bevat: Epistola de vita et passione Domini ('De brief over het leven en lijden van de Heer').[20]
Liber de origine devocionis moderne
Liber de origine devocionis moderne, de origine monasterii in Windesem ordinis canonicorum regularium et de origine capituli nostri generalis et eius consummacione ('Boek over het ontstaan van de Moderne Devotie, het ontstaan van het klooster van de reguliere kanunniken in Windesheim en het ontstaan van ons generaal kapittel en de ontwikkeling ervan') — Structuur: proloog, inhoudsopgave, 47 hoofdstukken
- 1e redactie: Windesheim, 1456-1459
- 2e redactie: Sülte bij Hildesheim 1459-1464
De tweede redactie wijkt sterk af van de eerste. De oorspronkelijke opzet van de geschiedenis van het klooster Windesheim is verbreed tot de geschiedenis van de Moderne Devotie en het hele Kapittel van Windesheim. Bovendien beantwoordde de eerste redactie van het Liber de origine nog niet aan Busch' streven naar een uitgebalanceerd, ambitieus literair werk.[21]
Deze geschiedkundige werken werden 1621 door Heribert Rosweyde uitgegeven onder de overkoepelende titel Chronicon Windeshemense ('Windesheimer kroniek').[22] Grube heeft die titel, die niet van Busch afkomstig is, in 1886 overgenomen voor zijn editie.[23]
Over de kloosterhervormingen
Toen Busch een bejaard man was vroegen de prior generaal van Windesheim en de abten van twee Hildesheimer abdijen hem zijn ervaringen als kloosterhervormer op te schrijven. Hierdoor ontstond in de jaren 1470-1475 Busch' Liber de reformatione monasteriorum.[24]
Liber de reformatione monasteriorum
Liber de reformatione monasteriorum diversorum ordinum ('Boek over de hervorming van kloosters van verschillende ordes') — Structuur: proloog inhoudsopgave, 4 boeken: I (56 hst.), II (49 hst.), III (35 hst.), IV (36 hst.)
Verslag van de kloosterhervorming, tevens handboek voor kloosterhervorming aan de hand van voorbeelden, ook wel te zien als de memoires van een kloosterhervormer. De verhaaltrant is niet gespeend van enige ijdelheid en zelfingenomenheid.
- 1e redactie (1470-1472)
- 2e redactie (1472-1474)
De eerste redactie was opgezet in drie boeken, waarbij het vierde boek een losstaande eenheid was. In de tweede redactie is de compositie meer een eenheid, waarvan ook het vierde boek deel uitmaakt. Busch is beide redacties blijven aanvullen met recenter materiaal.[25]
In 1710 had Gottfried Leibniz al het Liber de reformatione monasteriorum uitgegeven, maar deze uitgave biedt een lappendeken van drie basishandschriften.[26]
Kleine werken
Onjuiste / twijfelachtige toeschrijving
Enkele werken zijn door verschillende onderzoekers toegeschreven aan Busch, welke toeschrijvingen door andere onderzoekers betwijfeld of afgewezen zijn.
Literatuur
- Des Augustinerpropstes Johannes Busch Chronicon Windeshemense und Liber de reformatione monasteriorum, ed. Karl Grube, Halle 1886 (herdr. Farnborough / Hampshire 1968) Digitale versie
- De kleinere geschriften van Johannes Busch, ed. D.J.M. Wüstenhoff, Gent: Engelcke / Den Haag: Nijhoff, 1890 Digitale versie
- Sape van der Woude, Johannes Busch, Windesheimer kloosterreformator en kroniekschrijver, Edam: Keizer & Van Straten, 1947 (proefschrift Universiteit van Amsterdam). Digitale versie
- Bertram Lesser, Johannes Busch: Chronist der Devotio moderna. Werkstruktur, Überlieferung, Rezeption, Frankfurt am Main, 2005.
- ↑ De recentste edities van zijn werken zijn Grube 1886 en Wüstenhoff 1890.
- ↑ Grube 1886, p. XXXIII-XXXIV n. 5; Van der Woude 1947, 28 n. 2.
- ↑ Busch, Liber de reformatione monasteriorum, II.1, ed. Grube, p. 393-395. De stamboom (zie afb.) is gebaseerd op dit hoofdstuk en op Van der Woude 1947, p. 29 n. 2.
- ↑ Busch, Liber de refomatione monasteriorum, III.23, ed. Grube, p. 704.
- ↑ Busch, Liber de refomatione monasteriorum, I.1, ed. Grube, p. 393-395.
- ↑ Busch begint zijn Liber de reformatione monasteriorum met dit Bijbelcitaat en zal het herhalen als hij vertelt over zijn donkere momenten tijdens zijn noviciaat en later in zijn werk.
- ↑ Busch, Liber de reformatione monasteriorum, II.3, ed. Grube 1886, p. 399-402; Van der Woude 1947, p. 57-59. Bödingen maakt nu deel uit van de stad Hennef aan de Sieg (Nordrhein-Westfalen).
- ↑ Busch, Liber de refomatione monasteriorum, I.2, ed. Grube, p. 395-398.
- ↑ Busch, Liber de reformatione monasteriorum, I.3-4, ed. Grube 1886, 402-407; Van der Woude 1947, p. 59-67.
- ↑ Grube 1886, p. XXXV; Van der Woude 1947, p. 67-68.
- ↑ Klooster Wittenburg.
- ↑ Tegenwoordig maakt Sülte deel uit van de stad Hildesheim.
- ↑ Klooster Neuwerk.
- ↑ Grube 1886, p. XXXV-XXXVI; Van der Woude 1947, p. 69-94.
- ↑ Van der Woude 1947, p. 122-126.
- ↑ Grube 1886, p. XXXVI; Van der Woude 1947, p. 126-130.
- ↑ Grube 1886, p. XXXXI.
- ↑ Lesser 2005, p. 57-68;
- ↑ Aan het eind van de tweede redactie voegde Busch nog zijn Latijnse vertaling van de Middelnederlandse tekst over het leven en lijden van Jezus toe: Epistola de vita et passione Domini. Vgl. Lesser 2005, 182-208.
- ↑ Recente studie en uitgave: Epistola de vita et passione domini nostri, ed. Monica Hedlund, Leiden: Brill, 1975.
- ↑ Van der Woude 1947, p. 147-149; Lesser 2005, p. 59-68.
- ↑ Chronicon canonicorvm regvlarivm ordinis S. Avgvstini capituli Windesemensis [...]. Accedit Chronicon Montis S. Agnetis [...] vnà cum Vindiciis Kempensibvs, Antwerpen: Bellerus, 1621
- ↑ Grube 1886. De editie van Grube geeft de tweede redactie en is gebaseerd het oudst bewaarde handschrift, Utrecht, Universiteitsbibliotheek, 311, uit 1465-1466. Lesser (2005, p. 361-406) geeft een beschrijving van de handschriften.
- ↑ Busch, Liber de reformatione monasteriorum, proloog, ed. Grube 1886, p. 379.
- ↑ Lesser 2005, p. 68-80.
- ↑ Gottfried Wilhelm Leibniz (ed.) Scriptores rerum Brunsvicensium illustrationes inservientes, dl. 2, Hannover, 1710. Vgl. Grube 1886, p. XXXXII-XXXXIII. Van der Woude 1947, p. 151-152 beschrijft de samenstelling van Leibniz' editie.
- ↑ Wüstenhoff 1890, p. 13-64, geeft zes preken uit.
- ↑ Wüstenhoff 1890, p. 65-88, geeft zes brieven uit; Lesser 2005, p. 405-406, vermeldt nog een handschrift met een aantal niet-uitgegeven brieven over dagelijkse zaken van de kloosterhervormingen.
- ↑ Editie: Wüstenhoff 1890, p. 93-101
- ↑ Uitgegeven door Wüstenhoff 1890, p. 91-93, die er ook de benaming Rapiarium aan gaf. Van der Woude 1947, p. 153 noemt de toeschrijving aan Busch 'aanvechtbaar'. De toeschrijving wordt afgewezen door Lesser (2005, p. 297-298), die de tekst identificeert als het anonieme De regimine propriae personae.
- ↑ Digitale versie Door Van der Woude 1947, p. 154-159 aan Busch 'met zeer grote waarschijnlijkheid' toegeschreven; afgewezen door Lesser 2005, p. 413-420.
- ↑ Van der Woude 1947, p. 154 beschouwt de toeschrijving door Maurice Coens niet meer dan 'een vermoeden'.