Heinrich Böhmcker

Heinrich Böhmcker
SA-Gruppenführer Heinrich Böhmcker tijdens een staatsceremonie, 1937.
SA-Gruppenführer Heinrich Böhmcker tijdens een staatsceremonie, 1937.
Geboren 22 juli 1896
Bosau-Braak, Groothertogdom Oldenburg, Duitse Keizerrijk
Overleden 16 juni 1944
Hannover, Vrijstaat Pruisen, Nazi-Duitsland
Kieskring 13
Regio Sleeswijk-Holstein
Land Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Politieke partij NSDAP
Partner Frieda Marie Kreide (1912)[1][2]
Beroep Advocaat[3]
Religie Evangelist tot 1937, verklaarde zich later Gottgläubig[4][2]
Burgemeester van Bremen
Aangetreden 16 april 1937[5][6]
Einde termijn 16 juni 1944[5]
Leider(s) Carl Röver
Voorganger Karl Hermann Otto Heider
Opvolger Richard Duckwitz
Regeringspresident van de regio Lübeck
Aangetreden 15 juli 1932[7][8][9][10][6][6]
Einde termijn 1 april 1937[8][6]
Voorganger Ernst Zeidler
Opvolger Ambt opgeheven
Voorzitter van de deelstaatregering van Bremen
Aangetreden 22 juni 1937[5]
Einde termijn 16 juni 1944[5]
Opvolger Wilhelm Kaisen[11]
Führer van de SA-Gruppe Nordsee[3]
Aangetreden 10 juli 1934[6][5][6]
Einde termijn 16 juni 1944[5]
Leider(s) Führer
Voorganger Hans-Joachim Fischer[5]
Opvolger Wilhelm von Schorlemer[5]
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Johann Heinrich Adolph Böhmcker (Bosau-Braak, 22 juli 1896 - Hannover, 16 juni 1944) was een Duitse advocaat, NSDAP-politicus en SA-Obergruppenführer (luitenant-generaal).

Hij was van 1932 tot 1937 regeringspresident van de regio Lübeck.[12] En van 1937 tot aan zijn dood burgemeester[3][12] en voorzitter van de deelstaatregering van Bremen.

Leven

Böhmcker werd geboren in Bosau-Braak als enige zoon van de boer Adolf Hermann Friedrich Böhmcker (29 augustus 1851, Bosau – 15 april 1927, Eutin) en diens echtgenote Elise Christine, (geboortenaam Sachs) (20 mei 1854, Braak – 9 mei 1926, Eutin).[2][1][12][6] Hij volgde onderwijs aan de plaatselijke dorpsschool en bezocht vervolgens het gymnasium in Eutin. In 1914 verliet hij de school na het behalen van het zogenoemde Notabitur.[6]

Eerste Wereldoorlog

Als Kriegsfreiwilliger (oorlogsvrijwilliger) diende hij in het Pruisische leger bij een Dragonder eenheid gestationeerd in Lüneburg. Later werd Böhmcker overgeplaatst naar de Reserve-Kavallerie-Abteilung 78 en vervolgens naar het 1.Garde-Fußartillerie-Regiment. In december 1914 werd hij ingezet aan het Oostfront en daarna aan het Westfront. Op 29 oktober 1918 ging Böhmcker met verlof, maar keerde niet meer terug in de actieve dienst.[2] In maart 1919 werd hij ontslagen uit het leger.

Interbellum

Na de Eerste Wereldoorlog ging Böhmcker van maart 1919 tot 1921 rechtswetenschap studeren aan de Christian Albrechts-Universiteit, Georg-August-Universität Göttingen en de Westfälische Wilhelms-Universität (hedendaags de Universiteit Münster). Tijdens zijn studie was hij lid van het studentencorps Brunsviga Göttingen en het Suevia Strassburg (Marburg 1919).[13] In juli 1921 behaalde Böhmcker zijn Referendar in Kiel en begon te werken als advocaat-stagiair in verschillende rechtbanken.

In mei 1923 werd Böhmcker gearresteerd en kortdurend vastgehouden vanwege zijn activiteiten in de ultranationalistische en antisemitische terroristische groep Organisation Consul. Op 26 december 1925 werd hij lid van de Sturmabteilung (SA) en diende als SA-Mann in Eutin. Een jaar later werd Böhmcker ook lid van de NSDAP.

In januari 1927 behaalde hij na de derde keer zijn assessor-examen en werd zelfstandige advocaat in Eutin tot 1931. In 1930 werd Böhmcker gemeenteraadslid in Eutin en deelstaatparlementslid voor het vorstendom Lübeck een landsdeel van de staat Oldenburg.

Op 1 november 1928 werd Böhmcker leider van de SA en de SA-Sturm 30 in Eutin. Op 2 juni 1929 werd hij bevorderd tot leider van de SA-Standarte III in Kiel en XI in het Kreis Plön in de regio Lübeck (niet te verwarren met de Hanzestad Lübeck). En werd benoemd tot gouwredenaar. Böhmcker nam deel aan de nazipartijdag in Neurenberg en werd hiervoor onderscheiden met het Insigne van de Neurenberger Partijdagen. Een jaar later volgde zijn benoeming tot leider van de SA-Brigade XV en in 1 juli 1931 leider van de SA-Standarte 163. Böhmcker werd ook gekozen voor de Oldenburgse Landdag en behield deze zetel tot ontbinding van het parlement in oktober 1933. In november 1931 werd hij door de NSDAP naar voor geschoven als kandidaat voor de post van minister-president, maar hij slaagde er niet in een regering te vormen met de Duitse Nationale Volkspartij.

In juli 1932 werd Böhmcker benoemd tot leider van de SA-Untergruppe Ostholstein, met deze benoeming voerde het bevel over alle SA-eenheden in Oost-Holstein. Op 15 juli 1932 namen de nazi's de controle over de Oldenburgse deelstaatregering over en vormde met een kleine meerderheid de eerste nazi-deelstaatregering zonder coalitiepartner. De nieuwe minister-president de gouwleider van de gouw Weser-Ems Carl Röver benoemde onmiddellijk Böhmcker tot regeringspresident van de regio Lübeck als enclave van Oldenburg.

Na de overname van de macht door de nazi's, gaf Böhmcker in de zomer van 1933 opdracht voor de oprichting van een concentratiekamp in Eutin. Ongeveer 300 tot 400 onwelgevallige werden in Schutzhaft geplaatst.[6] Alle schutzhäftlinge werd tussen oktober 1933 tot mei 1934 overgeplaatst naar het concentratiekamp Ahrensbök.

In november 1933 deed hij zonder succes mee aan de verkiezingen voor de Rijksdag. Hetzelfde resultaat behaalde hij ook bij de verkiezingen van maart 1936 en april 1938.

Op 30 januari 1935 werd Böhmcker door Carl Röver benoemd tot lid van de Raad van State. Na de invoering van de Groot-Hamburgwet werd de regio Lübeck door Oldenburg overgedragen aan Pruisen en op 1 april 1937 opgenomen in de provincie Sleeswijk-Holstein. Na de opheffing van de regio Lübeck werd Böhmcker op 16 april 1937 door Rijksstadhouder Carl Röver benoemd tot burgemeester van Bremen. Hij volgde daarmee Otto Heider op, die door Röver was afgezet. De senator Theodor Laue bekritiseerde deze beslissing van Röver en werd in mei 1937 uit zijn functie ontheven.

In de daaropvolgende jaren kwam Böhmcker echter herhaaldelijk in conflict met Röver, omdat Röver de positie van Oldenburg en Böhmcker die van Bremen wilde versterken. In 1939 slaagde hij erin om enkele territoriale wijzigingen ten gunste van de stad door te voeren. Ter gelegenheid van Hitlers geannuleerde bezoek aan Bremen van 1 juli 1939 gaf Böhmcker zijn collega Theodor Spitta opdracht de tekst "Bremens Duitse Missie" te schrijven; De brochure “zwolg van strijdmetaforen, waarbij de nadruk werd gelegd op de topos van Bloed en Bodem”.

Hij ontwikkelde een reputatie als een straatvechter die veel alcohol dronk en kreeg de bijnaam "Latten-Böhmcker",[6] naar zijn favoriete wapen: een grote houten plank. Hij was trots op deze benaming en zijn gedrag leidde tot meerdere verschijningen voor het Openbaar Ministerie. Als advocaat verdedigde hij zichzelf en zijn partijgenoten met succes voor de rechter tegen politieke aanklachten en intimideerde hij zijn tegenstanders vaak door rechtszaken wegens smaad aan te spannen.

Betrokkenheid bij de Kristallnacht

Op 9 november 1938 was Böhmcker in München aanwezig bij de herdenking van het 15-jarig jubileum van de Bierkellerputsch. Toen het nieuws binnenkwam van de moord in Parijs op de secretaris van de Duitse legatie, Ernst vom Rath, hield propagandaminister Joseph Goebbels een toespraak voor de verzamelde SA- en partijleiders waarin hij de Joden de schuld gaf van de dood van vom Rath. Böhmcker belde zijn stafchef in Bremen en gaf de volgende bevelen tot vergelding:[14]

Alle Joodse winkels moeten onmiddellijk door SA-mannen in uniform worden vernietigd … Joodse synagogen moeten onmiddellijk in brand worden gestoken … De brandweer mag niet ingrijpen. Alleen woongebouwen van Arische Duitsers moeten door de brandweer worden beschermd … De politie mag niet ingrijpen. De Führer wil dat de politie niet ingrijpt … Alle Joden moeten worden ontwapend. Bij verzet moeten zij onmiddellijk worden doodgeschoten.[15]

De uitbarsting van georganiseerd door de nazi's van terreurgeweld (pogrom) en werd bekend als de Kristallnacht en leidde in Bremen niet alleen tot de massale vernietiging en brandstichting van Joods bezit, maar ook tot de dood van vijf Joden en de arrestatie van meer dan duizend Joodse mannen uit de regio, die werden gedeporteerd naar het concentratiekamp Sachsenhausen.[16]

Dood

Op 16 juni 1944 overleed Böhmcker aan een hartaanval in de buurt van Hannover, terwijl hij met de trein van Berlijn naar Bremen reisde.[17][14] Op zijn begrafenis van 21 juni 1944 was Adolf Hitler en legde een bloemenkrans. Hij werd postuum onderscheiden met het Ridderkruis van het Kruis voor Oorlogsverdienste. De begrafenisceremonie bood de Bremer nationaalsocialisten opnieuw de gelegenheid om het publieke imago van het regime te versterken. Na het opbaren en de staatsbegrafenis in het oude stadhuis op 21 juni vond er een parade plaats met enkele honderden mannen, compagnieën van de Wehrmacht, de Schutzpolizei, de erewacht van de SA-Standarte "Feldherrnhalle", een SA- en NSKK-stormtroepen eenheden, en verschillende marsblokken van de SS en de Rijksarbeidsdienst, van het stadhuis naar de Schwachhauser Heerstraße. De weduwe, samen met familieleden en andere rouwenden, volgde direct achter de kist, waarna de as naar het crematorium op de begraafplaats Riensberg werd gebracht voor crematie. Op 22 juni werd de urn werd vervolgens bijgezet in het kasteelpark Etelsen.

Familie

Op 29 augustus 1941 trouwde Böhmcker met Frieda Marie Valsechi. Het echtpaar kreeg twee zonen.[2][1] Frieda Marie Valsechi zelf sinds 1931 partijlid was de weduwe van SA Oberführer Johannes Karl Ernst August (Hans) Valsechi (1904-1940) voormalig adjudant van Böhmcker met wie hij ook goed bevriend was.[18] Het voormalig echtpaar Frieda en Hans Valsechi hadden samen drie dochters.[2]

Na de dood van Böhmcker weigerde de Senaat van Bremen het staatspensioen dat Frieda Marie Böhmcker als weduwe van de burgemeester had aangevraagd. Böhmcker werd, zelfs na hoger beroep, nog steeds als hoofdverdachte in de denazificatieprocedures van 1949/50 aangemerkt.

Zij trouwde vervolgens met Wilhelm Estorff, die net als haar twee eerder overleden echtgenoten eveneens uit Eutin kwam en eveneens een SA-functionaris was.[2][1]

De latere Lübeck NSDAP-senator Hans Böhmcker (1899–1942) was de neef van Böhmcker.

Carrière

Böhmcker bekleedde verschillende rangen in zowel de Pruisische leger als Sturmabteilung. De volgende tabel laat zien dat de bevorderingen niet synchroon liepen.

Datums Pruisische leger Sturmabteilung NSDAP Staatsdienst
Augustus 1914[13][2]Kriegsfreiwilliger[19]
1918[13]Unteroffizier-Offiziersaspirant[2]
26 december 1925[13]SA-Mann
1928[13]Gauredner der NSDAP
1930[13]Bezirksleiter der NSDAP
1930Stadtrat
1 januari 1931[13]SA-Standartenführer[20]
17 mei 1931[13]Landtag
15 juli 1932[13]Regierungspräsident
9 september 1932[13]
(met ingang van 1 juli 1932[13])
SA-Oberführer
1 juli 1933[13]SA-Brigadeführer
9 november 1934[13][6]SA-Gruppenführer[20]
30 januari 1935[13]Staatsrat
6 oktober 1940[13][14]SA-Obergruppenführer[20]

Lidmaatschapsnummers

Onderscheidingen

Selectie:

Zie ook