Carl Röver

Carl Röver
Gouwleider Carl Röver.
Gouwleider Carl Röver.
Geboren 12 februari 1889
Lemwerder, Groothertogdom Oldenburg, Duitse Keizerrijk
Overleden 15 mei 1942
Berlijn, Provincie Brandenburg, Koninkrijk Pruisen, Nazi-Duitsland
Kieskring 14[1]
Regio Weser-Ems[1][2][3]
Land Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Politieke partij NSDAP
Partner Marie Hermine Tebben
(1893–1921)
Irma Kemmler
(1901–1969)
Beroep Koopman[4], militair, politicus
Religie Protestants tot 1936, Rijksdag databank vermeldt: evangelist[5][6]; verklaarde zich later Gottgläubig[7]
Gouwleider van het Gouw Weser-Ems
Aangetreden 1 oktober[1][8] 1928[9][2][8][5][10]
Einde termijn 15 mei 1942[8][10]
Leider(s) Adolf Hitler
Voorganger Ambt opgericht
Opvolger Paul Wegener
Rijksstadhouder van de Vrijstaat Oldenburg
Aangetreden 5 mei[11] 1933[9][2][3][10]
Einde termijn 15 mei 1942[10]
Premier George Joel
Voorganger Ambt opgericht
Opvolger Paul Wegener
Rijksstadhouder van de Vrije Hanzestad Bremen
Aangetreden 5 mei[11] 1933[9][2][3][10]
Einde termijn 15 mei 1942[10]
Voorganger Ambt opgericht
Opvolger Paul Wegener
Minister-president van de Vrijstaat Oldenburg
Aangetreden 16 juni 1932[1][2][2][3][12]
Einde termijn 5 mei 1933
Voorganger Friedrich Cassebohm
Opvolger George Joel
Parlementslid in de Rijksdag
Aangetreden 14 september[1] 1930[2][9][10]
Einde termijn 15 mei 1942[10]
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Carl Georg Röver (Lemwerder, 12 februari 1889 - Berlijn, 15 mei 1942) was een gouwleider van het gouw Weser-Ems en Rijksstadhouder van de Vrijstaat Oldenburg en Vrije Hanzestad Bremen. Hij was politicus en parlementslid voor de NSDAP in de Rijksdag.

Leven

Op 12 februari 1889 werd Röver geboren in Lemwerder, dat destijds deel uitmaakte van het Groothertogdom Oldenburg. Hij was de zoon van de verkoper en bedrijfsmanager Johann Gerhard Röver (1852–1936) en diens echtgenote Hermine Amalie Mathilde (geboortenaam Maass; 1853–1924).[7] Na het volgen van lager en middelbaar onderwijs in Oldenburg voltooide hij een handelsopleiding bij een koffiebedrijf[9][3] in Bremen. Van 1911 tot 1913 werkte Röver in een factorij in Duits-Kameroen[3], waar hij malaria opliep. De gevolgen van deze infectieziekte droeg hij de rest van zijn leven met zich mee.

Eerste Wereldoorlog

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde Röver zich in augustus 1914 als Kriegsfreiwilliger (oorlogsvrijwilliger) bij het Deutsche Heer. Hij werd als Ersatz-Reservist ingedeeld bij de 3e compagnie van het 233e infanterieregiment. Van 1916 tot 1918 was Röver werkzaam bij de propaganda-afdeling van de Oberste Heeresleitung.[9][13][3] Hij werd bevorderd tot Unteroffizier (sergeant). Na zijn demobilisatie werkte hij in een administratieve functie.

Interbellum

Na de oorlog werd Röver mede-eigenaar van het kledingbedrijf van zijn vader, J. Gerh. Röver, in Oldenburg. Enkele jaren later trad hij toe tot de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Nadat de NSDAP na de Bierkellerputsch was verboden, werd Röver lid van het Völkischer Block.[10] Hij was actief als Ortsgruppenführer (plaatselijk groepsleider) van de afdeling Oldenburg. Na de opheffing van het partijverbod werd hij opnieuw lid van de NSDAP.

Van 1924 tot 1932 was Röver gemeenteraadslid in Oldenburg. Als hernieuwd NSDAP-lid werd hij benoemd tot Bezirksleiter der NSDAP (districtsleider) voor Oost-Friesland. Aansluitend werd hij gekozen tot volksvertegenwoordiger in de Landdag van Oldenburg. Op 1 oktober 1928 benoemde Adolf Hitler hem tot gouwleider van het gouw Weser-Ems, een functie die hij tot zijn dood in 1942 bekleedde.

Nadat de NSDAP bij de Duitse Rijksdagverkiezingen 1930 van 14 september 18,3 procent van de stemmen had behaald, trad Röver als NSDAP-afgevaardigde toe tot de Rijksdag.

Bij de Landdagverkiezingen in Oldenburg op 29 mei 1932 behaalde de NSDAP met 48,5 procent van de stemmen een absolute meerderheid (24 van de 46 zetels). Op 16 juni 1932 werd Röver gekozen tot minister-president van de Vrijstaat Oldenburg. Het kabinet Röver bleef in functie tot 5 of 6 mei 1933. Op 5 of 6 mei 1933 benoemde Hitler Röver tot Rijksstadhouder voor Bremen en Oldenburg. [14] In deze functie speelde hij een rol in de uitvoering van de Holocaust, aangezien hij persoonlijk het bevel ondertekende voor de deportatie van iedere Jood die tijdens zijn ambtsperiode uit Bremen werd weggevoerd.

Röver was een overtuigd antisemiet, racist en antidemocraat. Zo noemde hij het bezoek van de Afrikaanse predikant Robert Kwami op 20 september 1932 aan de Sint-Lambertuskerk in Oldenburg een „schande voor het witte ras”. Dit incident vormde het begin van de zogenoemde Kwami-affaire.

In 1936 vaardigde de Oldenburgse minister voor Kerk en Onderwijs, Julius Pauly, een decreet uit waarin werd bepaald dat kruisen uit alle staatsgebouwen, waaronder ook katholieke confessionele scholen, moesten worden verwijderd. Verontwaardigde delegaties uit het overwegend katholieke Oldenburgische Münsterland dwongen de gouwleider ertoe dit decreet weer in te trekken.

Röver stond bekend als bewonderaar van de lokale schrijver August Hinrichs. Een bijzondere interesse van Röver, zelf afkomstig uit Stedingen, was de verheerlijking en ideologische exploitatie van de Stedingense vrijheidsstrijd. Hij gaf opdracht tot de bouw van een openluchttheater in de wijk Bookholzberg van de gemeente Ganderkesee, dat de bijnaam Stedingsehre kreeg. Hier werd Hinrichs’ toneelstuk De Stedinge in 1935 en 1937 opgevoerd. Röver noemde het theater later graag het „Oberammergau van het Noorden”.

Tweede Wereldoorlog

In het voorjaar van 1942 stelde Röver, met hulp van zijn secretaris Heinrich Walkenhorst, een memorandum op dat kan worden beschouwd als zijn politiek testament. Hierin schetste hij de situatie binnen de NSDAP en deed hij voorstellen voor het oplossen van interne partijconflicten, evenals voor een herstructurering van het Derde Rijk na de Tweede Wereldoorlog. Twee weken voor zijn dood verklaarde hij, kort na terugkeer uit Berlijn, tegenover zijn vrouw, zijn dochter en haar vriendin dat hij met Heinrich Himmler en Joseph Goebbels in onmin was geraakt.

“Berlin ist ein Saustall, wir werden den Krieg verlieren” – Carl Röver, 1942

“Berlijn is een zwijnenstal, we zullen de oorlog verliezen”

Begin mei 1942 werd Röver door Hitlers lijfarts Theodor Morell naar Berlijn overgebracht. Op 13 mei 1942 werd hij na opname in het Charité-ziekenhuis onderzocht door Karl Brandt en Max de Crinis, directeur van de psychiatrische en neurologische kliniek van de Charité.[9] Na behandeling met scopolamine en morfine[9] overleed Röver twee dagen later volgens de officiële lezing aan een longontsteking.[9] Er deden echter ook geruchten de ronde over een mogelijke euthanasiemoord, zelfmoord of een beroerte.

De historicus Harms vermeldt als teloorgang van Röver:[15]

“Ein Gauleiter des Dritten Reiches, der sich bei afrikanischen Frauen mit Syphilis infiziert hatte, konnte nicht geduldet werden. Die Staatsräson machte es erforderlich, Röver schnell aus dem Verkehr zu ziehen”

“Een gouwleider van het Derde Rijk die zich bij Afrikaanse vrouwen met Syfilis had besmet, kon niet worden getolereerd. De staatsraison maakte het noodzakelijk Röver snel uit te schakelen.”

De staatsbegrafenis van Röver in de Rijkskanselarij, waarbij Alfred Rosenberg de grafrede uitsprak.

In Oldenburg werd een grote herdenkingsdienst gehouden. Op 22 mei 1942 vond in Berlijn een staatsplechtigheid plaats in de Rijkskanselarij, in aanwezigheid van Hitler; de ceremonie werd landelijk via de radio uitgezonden.[14] Op 23 mei 1942 werd Röver begraven op de Neuen Friedhof in Oldenburg.

Paul Wegener (1908–1993) volgde Röver op als gouwleider. Victor von Podbielski nam Rövers zetel in de Rijksdag over.

In 1937 werd Röver benoemd tot ereburger van de steden Bremerhaven, Oldenburg en Melle; in 1938 volgde Jever. In 1942 werd de Heiligengeiststraße in Oldenburg hernoemd tot Carl-Röver-Straße. Na de capitulatie van Duitsland en het einde van de Britse bezettingszone in Duitsland werden de ereburgerschappen ingetrokken en werd de straatnaam in Oldenburg teruggedraaid.

Familie

Op 24 december 1915 trouwde Röver in Oldenburg met Marie Hermine Tebben. Het echtpaar kreeg een dochter. In 1921 hertrouwde hij met Irma Kemmler; uit dit huwelijk werden twee zonen geboren, die beide kort na de geboorte overleden.[7]

Carrière

Röver bekleedde verschillende rangen in zowel de Deutsche Heer als Sturmabteilung. De volgende tabel laat zien dat de bevorderingen niet synchroon liepen.

Datums Deutsche Heer NSDAP Overheid Sturmabteilung NSKK
Augustus 1914[10]Kriegsfreiwilliger
1915[16]Unteroffizier[3]
1924[16][9][3][12]Stadtrat
6 april 1925[16]Ortsgruppenleiter der NSDAP
1 juli 1927[16]Bezirksleiter der NSDAP
1 oktober[16][2][3] 1928[9][13][3][8]Gauleiter der NSDAP
16 juni 1932[2]Ministerpräsident
20 april 1935[16]NSKK-Gruppenführer
Gauehrenführer der Reichsarbeitsdienst[16]
9 november 1938[16]SA-Obergruppenführer[9]
30 januari 1939[16]NSKK-Obergruppenführer

Lidmaatschapsnummer

Onderscheidingen

Selectie:

Zie ook