Halimeda

Halimeda
Halimeda
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Chlorophyta (Groenwieren)
Klasse:Ulvophyceae
Orde:Bryopsidales
Familie:Halimedaceae
Geslacht
Halimeda
Halimeda J.V.Lamouroux (1812)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Halimeda op Wikispecies Wikispecies
(en) World Register of Marine Species
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Halimeda is een geslacht van zeewieren uit de stam van de groenwieren (chlorophyta) met een thallus dat bestaat uit verkalkte, met elkaar verbonden schijfvormige segmenten. Het zeewier komt voornamelijk voor in warme zeeën. Het wier slaat calciumcarbonaat op in het weefsel en is minder aantrekkelijk voor herbivoren. Halimeda-soorten vormen opvallende cirkelvormige afzettingen in verschillende delen van het Groot Barrièrerif aan de noordoostelijk kust van Queensland in Australië. Deze "halimeda-afzettingen" vormen de westelijke buitenste rand van het rif (de lijzijde), waar nutriëntrijk oceaanwater de wereldwijd gezien meest uitbundige groei van deze bedden mogelijk maakt. Sommige soorten groeien zo uitbundig in tropische lagunes dat het sediment uitsluitend bestaat uit hun overblijfselen, een laag van kalkhoudend "halimedazand". In feite bestaan sommige tropische riffen, zoals atollen, grotendeels uit "halimedazand" dat zich in de loop van de eonen heeft opgehoopt.

Vormkenmerken

De thalli van Halimeda bestaan uit segmenten. Het calciumcarbonaat wordt afgezet als aragoniet en deze verkalking begint al na 36 uur. De segmenten zijn samengesteld uit 60-80% aragoniet  en worden gescheiden door "knopen" die niet verkalkt zijn. Halimeda kan op drie verschillende manieren met de ondergrond verbonden zijn. Bij types die op zandige bodem groeien vormen zich wortelachtige structuren die het zand bij elkaar houden. De segmenten kunnen via ketens recht omhoog groeien (groeivorm figuur links in de figuur) of wijd en rommelig vertakt (groeivorm rechts in de figuur).

Schema van twee groeivormen op zandige bodem. Links omhoog groeiend. Rechts wijd- en rommelig vertakt.

.

Het thallus kan ook aangepaste structuren op rotsen vormen die zorgen voor verankering op harde ondergrond. Het weefsel van Halimeda-soorten bestaat uit buisvormige structuren die ieder afzonderlijk een coenocytium vormen. Dit betekent dat de cellen niet worden gescheiden door dwarswanden. De celkernen liggen zonder dwarswanden in het cytoplasma. Dit is een groot verschil met een ander geslacht van groenwieren dat kalk opslaat, Acetabularia. Dit groenwier bestaat uit één cel met ook maar één kern.

Verspreiding

Halimeda-soorten komen hoofdzakelijk voor in tropische zeeën. Sommige soorten komen ook voor in de subtropen. Bijvoorbeeld H. tuna komt voor in de Middellandse Zee. Deze groenalgen groeien vastzittend aan de bodem (bentische zone) tot op 150 meter diepte onder water. Halimeda-soorten die die verankerd zijn in zand of modder zijn komen voor in lagunes en achter koraalriffen. De wijd vertakte groeivorm is te vinden op koraalriffen. Het World Register of Marine Species (WORMS) onderscheidt 70 soorten Halimeda.

Ecologische aspecten

Omdat het een kalkhoudende alg is, kan dit groenwier wereldwijd van belang zijn als koolstofdioxideput en dus een belangrijke rol spelen bij het reguleren van de koolstofvoorraad van de oceanen. Van sommige soorten, zoals H. opuntia, werd bekend dat ze tot 54,37 g CaCO3 m-1 jr-1 produceren.[1] Deze groenalgen dragen ook bij aan zowel de grove elementen van koraalriffen als aan de afzettingen van zand-, slib en kleideeltjes.

Aanvankelijk werd verondersteld dat de uitbundige aanwezigheid van Hakina-soorten werd veroorzaakt door het feit dat plantenetende dieren het groenwier met rust lieten. Uit modern onderzoek blijkt dat deze groenalgen worden begraasd door sommige vissoorten zoals Scarus rivulatus, Hipposcarus longiceps en Chlorurus microrhinos. Afscherming door hard koraal kan een sleutelrol spelen bij het in stand houden van de biomassa van Halimeda op riffen, dit bleek uit een onderzoek. De thalli die in de beschutting van Acropora-kolonies groeiden, waren groter dan die in open gebieden waar herbivoren makkelijk bij konden.[2]