Grand theory
Een grand theory is een poging tot een allesomvattend verklaringsmodel voor de sociale realiteit. In plaats van zich te richten op specifieke verschijnselen die met ad-hoc-terminologieën worden verklaard, wordt met deze algemene theorie van sociaal handelen geprobeerd om de sociale wetenschappen systematisch te benaderen met een eenduidig begrippenapparaat. De term is afkomstig uit The Sociological Imagination uit 1959 van C. Wright Mills die in dit boek onder meer het structureel functionalisme van Talcott Parsons bekritiseerde.
Parsons zette met onder meer zijn AGIL-schema universeel toepasbare principes neer voor het sociale systeem met een duidelijk raamwerk en classificatie waarmee onderzoek en onderwijs gestuurd konden worden, maar dit had een grote abstractie tot gevolg. Het allesomvattende raamwerk maakte volgens critici empirische testbaarheid moeizaam, terwijl het bij complexe sociale interactie tot oversimplificatie leidde.
Wright Mills bekritiseerde drie neigingen in de sociale wetenschappen:
- De pogingen om tot een theorie van geschiedenis te komen zoals Comte, Marx, Spencer en Weber hadden gedaan, waarbij de theorie een dwangbuis wordt waarin de feiten gepast moeten worden,
- De pogingen om tot een grand theory over de aard van de mens en samenleving te komen met het structureel functionalisme van Parsons als belangrijkste vertegenwoordiger,
- De empirische sociologie van onder meer Paul Lazarsfeld die enkel sociale feiten en problemen onderzocht zonder onderlinge samenhang.
Een poging om de allesomvattende structuur te verenigen met empirisch onderzoek is de theorie van middelbare reikwijdte van Robert K. Merton waarmee uit een beperkt aantal aannames van waaruit specifieke hypotheses afgeleid kunnen worden die vervolgens empirisch onderzocht kunnen worden. Deze hypotheses worden vervolgens ingepast in een breder netwerk van theorieën die voldoende abstractie moeten hebben om meerdere verschijnselen te kunnen verklaren. Het werd de dominante vorm van onderzoek, maar leidde tot een bijna verlammende fragmentatie.[1]
Quentin Skinner zag dan ook een terugkeer naar grand theory doordat utopische sociale filosofie weer opleefde, net als de vele varianten van marxisme, de vernieuwing van de psychoanalyse door Lacan, de Frankfurter Schule van ondermeer Habermas en de vrouwenbeweging met veel nieuwe benaderingen. Als verdere voorbeelden zag hij:
- De hermeneutiek van Gadamer,
- De deconstructie van teksten en betekenis van Derrida,
- De relatie tussen macht en kennis van Foucault,
- Het communicatief handelen en de publieke sfeer van Habermas,
- Het structureel marxisme van Althusser,
- het structuralisme in de antropologie door Lévi-Strauss,
- De politieke filosofie met de theorie over rechtvaardigheid van Rawls,
- De paradigmaverschuivingen in de wetenschapsfilosofie van Kuhn.
Daarmee domineerde het logisch positivisme dat op de natuurwetenschappen was gebaseerd niet langer en kwam er naast beschrijvende uitspraken ruimte voor normatieve vragen. Ook bij deze nieuwe lichting bleek echter het allesomvattende karakter problematisch, zodat grand theory meestal niet meer als eindbestemming wordt gezien, maar als interpretatief kader om complexe data te duiden. Deze interpretatie gaat dieper dan het Verstehen van Weber. In het antihumanisme staat niet de menselijke natuur centraal, maar de sociale structuur. Meestal wordt in het structure-agency-debat een middenpositie ingenomen tussen het menselijk handelen of agency van Weber en de structuur van de grand theories.
Literatuur
- Skinner, Q.R.D. (1985): The Return of Grand Theory in the Human Sciences, Cambridge University Press
- Wright Mills, C. (1959): The Sociological Imagination, Oxford University Press
Noten
- ↑ Bailey, K.D. (1991): 'Alternative procedures for macrosociological theorizing' in Quality & Quantity, Volume 25, p. 37-55