Gemene gronden van de Biest

Spruitenstroompje bij de stevortbrug
Informatiebord land van de hilver

De gemene gronden van de Biest ook wel de gemeynt genoemd is een stuk grondgebied in het dorp Biest-Houtakker in de gemeente Hilvarenbeek, dat als enige in Nederland nog volgens een middeleeuws statuut in eigendom is van de inwoners van het dorp. De Gemeynt besloeg in de veertiende eeuw een stuk grond van ongeveer achthonderd hectare, maar in de loop der eeuwen is een groot gedeelte verkocht, maar bleef wel landbouwgrond. In de periode 1910-1919 werd dwars door het grondgebied van de gemeynt het Wilhelminakanaal aangelegd. Na de Tweede Wereldoorlog werd een gedeelte van de grond bebouwd. Binnen het landinrichtingsproject De Hilver werd in de periode tussen 1980 en 2020 een weidegebied van dertig hectare onder andere via ruilverkaveling opnieuw ingericht.

Etymologie

Gemeen is afgeleid van gemeenschappelijk, gezamenlijk of openbaar en heeft zijn oorsprong in een germaans woord dat 'last, plicht, schatplicht' betekent.[1] Gemeente staat voor het gehele volk of de verzamelde burgerij.[2]

De toevoeging van de i of y in de combinatie met de e in gemeint stamt uit het Middelnederlands en geeft aan dat de voorafgaande klinker verlengd moet worden. Dat is ook het geval bij de 'oi' in plaatsnamen, zoals Oirschot, Oisterwijk, Oirsbeek, Goirle, Helvoirt en Cromvoirt, waar de o lang uitgesproken wordt.

Een ander woord voor gemene gronden is vroente. Het woord gemeynt of gemene grond is later overgegaan op de moderne bestuurseenheid gemeente.

Biest is afgeleid van waar biezen groeien, meestal als cultuurgewas aangelegd op verder onvruchtbare zandbodem.

Achtergrond

De gemene gronden in het hertogdom Brabant vinden zijn oorsprong in de middeleeuwen, zij zijn meestal gelegen op delen van de hogere zandgronden. Het landschaptype met deze zandgronden ontstond in het Pleistoceen (±10.000 jaar geleden) op plaatsen buiten de rivierdalen, waar regenwater niet vastgehouden werd, maar door de zanderige bodem wegsijpelde. Het waren stukken onvruchtbare zandgrond, waarop alleen hei en mos groeide, met her en der verspreid een boomgroep, waar later zandverstuivingen zoals die van de Beekse Bergen ontstonden. De grond was voor de landeigenaren of landsheren oninteressant en werd in beheer werden gegeven aan de dorpelingen. De heerlijkheid Hilvarenbeek was een halfheerlijkheid, met als leenheren de prins-bisschop van Luik en de hertog van Brabant, die beiden halfheer waren. De hertog heeft zijn helft nooit uitbesteed aan een leenman en bemoeide zich niet actief met het gehucht de Biest. In de periode vanaf 1312 geeft hertog Jan III van Brabant aan vele dorpen in zijn hertogdom rechten aan de bewoners om op de woeste gronden[noot 1] vee te weiden en hei te steken, meestal tegen betaling van een bedrag ineens en een jaarlijkse cijns. Bij de gemeynt behoorde een schutsreglement, waarin geregeld werd hoe het vee van de dorpelingen “ingeschaard” konden worden, en hoe het bestuur en het toezicht door een zogenaamde schutter was geregeld. Op de gemeynt stond een houten “schutskooi” waarin het vee dat clandestien op de gemeynt terecht gekomen was door de schutter werd opgesloten. De eigenaren konden het tegen betaling weer vrijkopen.

Ontstaan van de Biestse Gemeynt

In 1331 gaven hertog Jan III van Brabant en de leenman van de bisschop, Rogier van Leefdael, de gemeenterechten aan de inwoners van Hilvarenbeek binnen de limieten van het dorp. De Biest ging daar op 7 augustus 1328 al aan vooraf, waarschijnlijk omdat het Armenhuis van de Heilige Geest in Den Bosch, dat in de Biest de Geefhoeve bezat, in 1328 die rechten had gekocht op een gebied van circa 800 hectaren, waaronder een stuk in de buurtschap Westerwijk.[3][4] Die rechten kwamen bij verval van deze aan de bewoners van Biest 'tegen eene in eens te betalen som en eenen jaarlijkschen chijns ten eeuwigen dage van omtrent 25 centen'. Een vidimus, een gelegaliseerd afschrift van de oorkonde, berust bij het Regionaal Archief Tilburg.[5] De tekst hierin luidt "de possesie van de Biestersche gemeijnte, dieselve gemeijnte te moogen besitten voor hen ende henne nacomelingen ten eewigen dage, exempt ende vrij van alle houtschat"

Beeld van de regenten van de Biestse gemeint

In 1388 tijdens de Tweede Gelderse Oorlog tussen het hertogdom Brabant en het hertogdom Gelre vielen milities van Gelre de meierij van 's-Hertogenbosch binnen en brandden vele plaatsen plat, waaronder Oisterwijk, Moergestel en Hilvarenbeek met de omliggende gehuchten. Ook de bezittingen van het Armenhuis van de Heilige Geest uit Den Bosch in de Biest gingen verloren. In 1390 gaf Johanna van Brabant ter compensatie aan de bewoners van de Biest het privilege om op de gemeynt bomen te planten en te kappen waar de gemeenschap dat passend en nodig achtte, zonder dat daar “houtschat” voor betaald hoefde te worden. Bij de buurtschap rond boerderij Vossenhol werd een driehoekig bos aangeplant, waarvoor de naam Houtakker in gebruik kwam, een naam die later aan de dorpsnaam werd toegevoegd.[6] Het hout werd gebruikt voor de grenspalen van de gemeynt en voor de aanleg van bruggen.

De jaarlijkse cijns konden de bewoners echter niet betalen, waarna de bewoners zich weer tot Johanna richtten. Johanna stemde in er mee in, dat de gemeenschap jaarlijks drie bunders[noot 2] hiertoe verkocht en bepaalde verder dat twee regenten werden aangesteld, alsmede een schutter (veldwachter) als beschermer. Tijdens de volgende eeuwen werden geleidelijk alle woeste gronden ontgonnen en verkocht, op een klein bosje in de Westerwijk na en een grote strook in het Broek, het lage natte gebied langs de zuidkant van het Spruitenstroompje, waar een gemeenschappelijke weide werd ingericht.

Ligging

Het oude gehucht de Biest is ontstaan bij een waterpoel aan de kruising van twee wegen ten noorden van de beek het Spruitenstroompje, voorbij waar een nog kleinere beek de Roodloop in het Spruitenstroompje uitmondt. De beek stroomt voornamelijk op het grondgebied van Hilvarenbeek, van Esbeek aan de de grens met België totdat zij ten noord-oosten van de Biest uitmondt in de Reusel. De waterpoel werd nog tot eind 18e eeuw als visvijver geëxploiteerd.[7] De oudst bekende grenzen van de gemeynt waren aangegeven door palen, zwerfkeien of zoals bij de Biestse Gemeynt de Stevort brug. Op een kaart uit 1871 staan deze palen nog aangegeven. De gemeynt werd hierop in het noorden begrensd door de gemeentegrens van Moergestel, zijnde de Reijweg (later Heuvelstraat geheten), in het oosten door een paal aan de Biestse dijk en in het zuiden door een paal aan de Veldbraken.

Op het in 1832 ingestelde kadaster van Brabant telt “de Gemeente van De Biest”, van de Hakvoorde tot de Kleine Westrik en van Driehuizen tot de grens met Moergestel 42 woningen op een oppervlakte van 47 bunder.

De gemeentewet van 1851

Ten tijde van de Bataafse Republiek werden de feodale gemeinten omgevormd naar gemeenten. De gemene gronden kwamen in eigendom van die gemeenten. In 1810 ontstonden de volledig zelfstandige gemeenten. Het Soeverein vorstendom der Verenigde Nederlanden kreeg in 1814 zijn grondwet, die in 1848 door Johan Rudolph Thorbecke werd herzien. In 1851 volgde de op deze herziene grondwet gebaseerde gemeentewet, waarin werd vastgelegd dat dorpen die over een eigen vermogen beschikten en in een grotere gemeente opgenomen werden, konden blijven bestaan als afzonderlijke afdelingen binnen die gemeente; het begrip afdeling kwam in plaats van het oude begrip gemeynt. Hiermee kreeg de afdeling van de Biest de mogelijkheid van bescherming.[8] De gemeente Hilvarenbeek had hier echter geen belang bij en ondernam geen stappen.

In 1871 werd op verzoek van de ingezetenen van de Biest door de gemeenteraad van Hilvarenbeek aan Gedeputeerde Staten een verzoek ingediend tot instelling van deze bedoelde afdeling. Gedeputeerde Staten stemde in januari 1872 hiermee in en stelde drie regenten in, die op voordracht van de inwoners benoemd werden. Eenzelfde regeling werd bepaald voor het gebied van de Donk en de Goirlese heide in het gehucht Westerwijk. De wettige eigenaren verkochten de grond aan de familie Van Puijenbroek, die al in het bezit was van het landgoed Gorp.

In 1994 werd de gemeentewet van 1851 vervangen door de gemeentewet van 1992. Hierin werd het artikel over deze afdelingen binnen een gemeente niet meer opgenomen, waarna er geen nieuwe afdelingen binnen een gemeente mogelijk werden. Van de in die tijd nog bestaande acht afdelingen is de Biest nog de enige bestaande, de overige zijn opgeheven.

Latere geschiedenis

Biest-Houtakker wapen
Nostalgisch lichtpuntje in de Biest

In de tweede helft van de negentiende eeuw werden onder invloed van landbouwhervormingen en de uitvinding van de kunstmest de woeste gronden ontgonnen en voor een groot deel aan de boeren verkocht.[9]

In de periode 1910-1919 werd een stuk van de gemeynt onteigend voor de aanleg van het Wilhelminakanaal. Na de aanleg was het noordelijk deel van de gemeynt afgesneden van de Biest.

Begin twintigste eeuw wordt de Biest een kerkdorp met de bouw van de Sint-Antonius van Padukerk. De gemeynt droeg via een lening 10.000 gulden bij aan de bouw van de pastorie.

In 1966 werd het oudste deel van de Biest bij de vispoel aan de Akkerstraat en Biestsestraat, een voormalig eigendom van de gemeynt door de gemeente Hilvarenbeek verkocht, de aangrenzende dijk afgegraven en de vispoel vernietigd.[7] Sinds 1978 ziet het Belangenorgaan Biest-Houtakker (B.O.B.) toe op het beheer van de gemeynt en de besteding van de opbrengsten.

In 1997 schonk de Boerenbond een beeldengroep gemaakt door Harm Timmermans, voorstellende de drie regenten. De beeldengroep staat op een pleintje tegenover de dorpskerk.

In 2005 werd de kleine stichting Wel Gement opgericht, die echter samenwerkt met een grote groep vrijwilligers uit de dorpscoöperatie Biest-Houtakker. Een van de activiteiten was de ontwikkeling van een dorpswapen, een groen schild met daarop een golvende zilveren schuinbalk, die symbool staat voor het door het dorp stromende Spruitenstroompje. De groene kleur en de korenaar slaan op het agrarisch karakter van het dorp en de rijke landbouwgronden van Biest. De bijenkorf slaat op de voormalige bijenhouderij in Houtakker. Een ander initiatief was het plaatsen van twaalf lichtpuntjes (straatlantarens), die symbool staan voor personen die van belang zijn geweest in de cultuurhistorie van Biest-Houtakker.

In juni 2025 bereikte een regent de statutaire leeftijdsgrens van zeventig jaar en moest zijn functie neerleggen. Met Karlijn van de Pas als opvolger kreeg de gemeynt de eerste vrouwelijke regent.[10]

Overig

De verwijzing naar de gemeynt en zijn historie komt op meerdere plaatsen voor in Biest-Houtakker. Er is een gemeenschapshuis onder de naam Gemeynt en in 2025 is een horecagelegenheid omgedoopt tot de Regentenhoeve.

Fotogalerij