Freule van Dorth

Freule van Dorth (voluit Johanna Magdalena Catharina Judith van Dorth tot Holthuyzen en in de volksmond bekend als Judith van Dorth) (gedoopt Warnsveld, 7 mei 1747 - Winterswijk, 22 november 1799), was een Hervormde orangiste en dochter van Jan Adolph Hendrik Sigmund van Dorth, heer van Huis 't Velde en Holthuizen en Jacoba Schimmelpenninck van der Oije.
De Freule Van Dorth verwierf bekendheid met haar arrestatie, terechtstelling en executie na de gebeurtenissen vanaf 14 september 1799 toen de Bataafse Republiek de staat van beleg uitriep in het graafschap Zutphen gelegen Ambt Bredevoort. Men zond 200 soldaten van de nationale garde en 100 Franse soldaten naar Bredevoort om de vesting te versterken, nadat de oranjegezinde August Robert van Heeckeren van Suideras een inval vanuit Pruisen ondernam met medestanders om een oranjerevolutie uit te lokken ten gunste van de in Engeland verblijvende erfprins Willem V van Oranje-Nassau.
Jeugd
Freule van Dorth groeide op in een woelig gezin. In 1750 kregen haar ouders een zoon, die drie jaar later zou sterven. In 1755 volgde een tweede zoon en acht jaar jongere broer van Freule, Gerrit van Dorth tot Holthuysen. Haar familie woonde afwisselend op het Huis 't Velde in het oosten van Warnsveld en in hun 'winterhuis' in Zutphen. Volgens een (patriottische) tijdgenoot was het gezin zich 'befaamd' gemaakt 'door geweldadige acten'. Freule's moeder zou uit woede met een bijl de deur van haar slaapkamer hebben gesloopt en haar vader en broer zouden hun geweer niet alleen voor de jacht gebruikt hebben. Freule zelf stond echter ook bekend om haar 'ongemessuurde passien', maar was ook strijdbaar en moedig. Haar ouders zaten heel haar jeugd maar ook later in geldnood omdat zij grote geldbedragen bij zeer veel mensen hadden geleend. Dit leidde uiteindelijk tot het verlies van al hun bezittingen, waaronder hun woonhuizen en boeken.[1]
Op twaalfjarige leeftijd werd Freule in 1759 stiftsjuffer van het Adlige Damenstift Gevelsberg in het Graafschap Mark. Gevelsberg stond bekend als een plaats waar dochters van voornamelijk verarmde adel een respectabel bestaan vonden. Dit zou ze tot haar vroegtijdige dood in 1799 blijven, maar ze verbleef zelden in Gevelsberg zelve: iets dat niet noodzakelijk was. Vermoedelijk zat ze op de Franse school in Zutphen, was gebruikelijk was voor meisjes van haar stand toen. Ook hield ze van het lezen van boeken (voornamelijk over tuinieren en godsdienst) en reisverhalen.[1]
Liefdesaffaire
In 1766 en 1767 raakte Freule op 19-jarige leeftijd verwikkeld in een liedfesaffaire met de Zutphense advocaat en huisvriend Engelbert G.J. Crookceus. Nadat haar ouders er achter kwamen dat zij hem regelmatig 's nachts op haar kamer ontving, ontstond er een hooglopend conflict tussen Freule en haar ouders. Vermoedelijk was de relatie met haar naar het schijnt hardvochtige en driftige moeder toen al niet best, wat ervoor zorgde dat haar ouders Freule huisarrest gaven. As reactie hierop besloot ze van huis weg te lopen. Later beraamde hij in februari 1767 een poging tot schaking, waarbij hij haar naar Duitsland wilde meenemen, maar alleen als zij het nodige zilver en geld van de familie zou meenemen. Een dienstmeisje werd ook in het complot betrokken. De nodige spullen werden in gereedheid gebracht maar nadat haar ouders het plan ontdekten, waren ze bang dat hun dochter 'volkomen geprostitueerd en geruineerd' zou worden en kregen ze op 16 september 1767 toestemming van de magistraat van Zutphen om haar voor een onbekende periode op te sluiten in de particuliere vrouwengevangenis 'vrouwenbeeterhuys Duynkerken' in Delft. Zij werd tevens onterfd door haar familie wegens haar 'verkwistende en reprochabele levenswijze'. Het is niet bekend hoelang zij opgesloten zat.[2][1] Daarnaast startte de vader van Van Dorth een proces aan Crookceus, die verklaarde dat het Freule was die hem had verleid. Zij had alles in touw gezet en hij had uit medelijden het spel meegespeeld. Een jaar later was hij al met een ander getrouwd terwijl Freule, net als haar broer, altijd ongehuwd zou blijven.[3][4]
Erfenis en aankoop kasteel Harreveld
Na de dood van haar moeder woonde Freule rond 1776 weer in het Huis 't Velde, waar ze het huishouden op zich nam. In 1788 ontving de Freule Van Dorth samen met haar acht jaar jongere broer Gerrit van Dorth tot Holthuysen een erfenis van een tante Schimmelpenninck, beleend met de heerlijkheid Holthuysen. Zij werden daardoor toegelaten tot de ridderschap van Zutphen. In 1789 kochten zij de havezate Harreveld bij Lichtenvoorde en gingen daar wonen om het 'ongemakkelijk humeur' van hun vader te ontvluchten.[2] In de omgeving waren zij echter niet geliefd. Er was zelfs sprake van dat er een vloek lag op het kasteel van Harreveld. Hun vader, een landedelman van de oude stempel, zou zich vermaakt hebben met het schieten vanuit het kasteel op passanten en werd door zijn pachters 'de gevleesde Duivel' genoemd omdat hij mensen zou afpersen en beknevelen. Ook over broer en zus gingen de wildste geruchten: ze zouden weinig innemend zijn en Gerrit stond zelfs bekend als gewelddadig. Beiden gingen vrij nonchalant om met schulden en schuldeisers, zouden er verschrikkelijke ruzies zijn en bestonden er 'onbehoorlijke intimiteiten' tussen broer en zus.[5][1] In deze periode raakten zij bevriend met de baron August Robbert van Heeckeren, die tevens bekend stond als baron Van Suideras.[3]
Verlies van privileges en faillissement
Gedurende de jaren 80 van de achttiende eeuw waren er geregeld schermutselingen tussen orangisten en patriotten. De gemoederen liepen zelfs zo hoog op dat, na de aanhouding van de vrouw van Willem V door patriotten op 28 juni 1787, het Pruisische leger de Republiek binnenviel om de macht van stadhouder Willem V te herstellen. Nadat dit was gelukt, kwamen belangrijke posten met bijbehorende emolumenten voor trouwe orangisten vrij. Zowel Freule als haar broer kregen echter bijna geen posten vanwege hun omstreden reputatie. Na de Bataafse Revolutie van 1794 die ertoe leidde dat stadhouder Willem V werd verjaagd in 1795 en de Bataafse Republiek een feit werd, waren de patriotten aan de macht gekomen. Hierdoor werden de voorrechten van de Nederlandse adel ingedamd en dreigden de Van Dorths niet alleen hun privileges maar ook al hun bezittingen te verliezen. Ondertussen hielden Freule's broer Gerrit en hun vriend Van Heeckeren van Suideras zich schuil in Pruisen. Freule zelf reisde in deze periode veelvuldig tussen het kasteel Harreveld en haar vader die in het Huis 't Velde woonde. Zijzelf was altijd een fanatieke orangiste, maar was het voor een vrouw toentertijd ongebruikelijk dat ze zich zo openlijk met de politiek bemoeiden. Freule zou een aantal jaar later met dit vooroordeel breken. In 1797 volgde slecht nieuws; er werd beslag gelegd op de inboedel van het Huis 't Velde door de schuldeisers, die bijna letterlijk het Huis 't Velde belegerden. Freule verzette zich hevig en schreeuwde 'Goddomy, gij komt er niet op!' tegen de boze menigte die bij de ophaalbrug stond. Ook de uitgebreide bibliotheek van de familie kwam onder de hamer, iets dat Freule erg aan het hart ging. Als reactie verduisterde ze een aantal boeken die voor haar zeer dierbaar waren uit de verzegelde boekenkamer. Later werd dit ontdekt en voelde ze zich 'zeer bedonderd', wat ervoor zorgde dat ze op 23 november 1797 in de koude winter van 1797 op 1798 voor het eerst opgesloten werd. Ze werd voorlopig in bewaring gesteld in het Zutphense stadhuis in afwachting van haar straf. Freule wist bijna vijf maanden later echter te ontsnappen met hulp van de arts en huisvriend en een omgekochte meid van de cipier J.H. Berns en hield zich vervolgens een periode schuil in de Pruisische provincie Westfalen.[3][4] Op 26 februari 1799 werd, opmerkelijk genoeg, de strafrechtelijke procedure afgebroken en in augustus van dat jaar bevond ze zich alweer op het kasteel Harreveld.[1]
Oranjerevolutie en gevangenname

In september 1799 ondernam de oranjegezinde baron Van Heeckeren van Suideras vanuit Pruisen een inval in de Achterhoek, om daar tegelijk met de Brits-Russische invallen in Noord-Holland een landelijke oranjerevolutie voor de in Engeland verblijvende erfprins Willem V uit te lokken, de Republiek te bevrijden van het Bataafse bewind en het stadhouderschap in ere te herstellen. Het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek reageerde met een noodverordening waarin een standrechtelijk doodvonnis werd afgeroepen over iedereen die op enige wijze aanleiding zou geven 'tot samenrottingen en oproer'. Baron Van Heeckeren van Suideras werd geholpen door de baron Jan Elias Nicolaas van Lynden van Hoevelaken (die de leiding had van Twente en de Veluwe), baron Maximiliaan Louis van Hangest d'Yvoy (die de leiding had over het Sticht) en generaal-majoor Johannes Gerhardus van Spengler. De opstand ontstond nadat er nauwelijks Bataafse troepen waren achtergebleven in deze regio's in verband met de recente overgave van de Bataafse vloot bij de Vlieter. Tussen 2 en 5 september 1799 werden onder andere Winterswijk (een gebeurtenis die uiteindelijk bekend kwam te staan als gele donderdag), Dinxperlo, Westervoort, Aalten, Groenlo, Borculo, Enschede, Oldenzaal, Almelo en Zutphen in te nemen. Ook in de Bommelerwaard ontstond een opstand waar zich tevens boeren bij de groep voegden. Toch mislukte de opstand nadat de stedelijke bewoners zich niet aansloten bij de opstand. Dit kwam mede doordat de Prins van Oranje een verklaring liet uitgaan waarin het Nederlandse volk werd opgeroepen zich achter de Oranjes te scharen, zonder de moeite te doen om de bevolking te overtuigen waarom het stadhouderschap hersteld zou moeten worden. Hierdoor reageerde het gros van het Nederlandse volk onverschillig op een oproep door de erfprins Willem V om in opstand te komen, wat er uiteindelijk voor zorgde dat er in het gros van het land geen opstanden ontstonden ondanks de berichten die de Prins persoonlijk te horen kreeg door zijn vrienden. De Nationale Garde wist de opstandelingen, versterkt met vrijwilligers uit Utrecht en Amsterdam en een aantal troepen uit Frankrijk, weer terug over de Pruisische grens te dringen vanaf 6 september. Rond half september was de opstand volledig mislukt. Ook in Bredevoort riep hij de inwoners op om zich te verzetten tegen de Bataafse regering, maar hij vond hier aanzienlijk meer verzet dan gedacht en enkel de Oranjevlag werd gehesen in de kerktoren en de vrijheidsboom (die symbool was van de Franse Revolutie) werd door inwoners omgehakt. Nadat het Frans-Bataafse gezag de staat van beleg voor de stad en het ambt Bredevoort had uitgeroepen, vluchtte de oranjegezinde opstandelingen uit de stad.[6]
Tijdens de kortstondige opstand van baron Van Heeckeren van Suideras, wapperde de Oranjevlag al vrij snel van de toren van het kasteel Harreveld. Verder tooide ze zichzelf en haar koets in oranje (een vergrijp waar toen een zware straf op stond) en reed ze 's ochtends tegen 08:00 uur naar Lichtenvoorde. De ingezetenen werden getrakteerd op oranje strikken en een toespraak waarin herstel van het stadhouderlijk bewind en bestraffing van de patriottische tegenstanders werden beloofd. Hendrik Huinink, de ontvanger der belastingen, vertelde daar aan de bevolking dat de baron Van Heeckeren van Suideras en de erfprins Willem Frederik van Oranje (de latere koning Willem I) die dag Groenlo zouden bezoeken. Enthousiaste orangisten vertrokken daarop ‘met vliegende vendels en slaande trom’ naar Groenlo, maar dit verhitte de gemoederen tussen de prinsgezinden en patriotten zo heftig dat het in verschillende plekken tot vechtpartijen kwam. Toen in de avond het bericht kwam dat de opstand mislukt was, de baron Van Heeckeren van Suideras en aanhangers waren gevlucht naar het Pruisische Gemen en de erfprins niet kwam opdagen, keerden de orangisten (waaronder Freule van Dorth) weer teleurgesteld huiswaarts naar Lichtenvoorde. Tijdens die terugtocht werd het nieuws bekend dat de bekende lokale patriot Frederik Reesink was doodgestoken tijdens een ruzie in een herberg te Lichtenvoorde, waarna Freule enthousiast riep "Broer, daar is er nog maar één capot, daar moeten er meer aan, het is maar één patriot!" en tegen haar broer Gerrit "Broer, Toon (de koetsier) moet direct naar Grol (de oude naam van Groenlo) om 4 à 500 huzaren te halen, dan moeten ze allen kapot!". Toen een patriot reageerde door "Vive de republiek!" te roepen, reageerde Van Dorth door "Wagt manneken, wij zullen u wel krijgen!" terug te roepen. Opnieuw riep een patriot "De moord op Reesink kan doen zien wat men van de oranjepartij te verwachten heeft!", waarop Freule antwoordde: "Dat was geen moord! De oproerige patriot heeft zijn verdiende straf ontvangen. Zijn opstand tegen de Prins was hoogverraad!"[7] Broer Gerrit vluchtte opnieuw naar Pruisen, Freule bleef echter achter op het kasteel Harreveld. Haar harde taal was genoeg voor het Bataafse bewind om haar op 18 september in het kasteel Harreveld te arresteren, nadat de Fransen al op 15 september een onderzoek hadden gestart in verband met de ongeregeldheden in Groenlo en zij naar voren kwam. Op 19 september werd ze naar een overvolle gevangenis te Arnhem gebracht en opgesloten, later werd ze naar Winterswijk gebracht en in een leegstaande woning gevangen gezet die door Bataafse soldaten werd bewaakt. Er werd een militaire rechtbank opgesteld die bestond uit vijf officieren en onderofficieren van de nationale garde, van wie er één uit de streek afkomstig was. Deze lekenrechters werden bijgestaan door de drost van Bredevoort, de herbergier Willem Passchen en door advocaat Bom uit Lichtenvoorde, de enige jurist in deze groep, die als openbaar aanklager optrad. Over de kwaliteiten en de motieven van de rechters is veel te doen geweest. Ze werd ze door de rechters niet alleen beschuldigd van oproerstokerij, maar ook dat zij onderdak geboden zou hebben aan de moordenaar van Reesink.[3][8][4]
Vonnis en executie
_binnen_Wenterswyk%252C_op_den_22_November_1799_(titel_op_object)%252C_RP-P-1937-285.jpg)
Freule van Dorth werd voor lange tijd verhoord, maar uiteindelijk beschuldigd van hoogverraad. Op donderdag 21 november werd het doodvonnis over de 52-jarige Freule uitgesproken door Cornelis van der Aa:
"... om anderen ten Exempel, met de Kogel gestraft te worden dat 'er de dood naa volgt".[9]
Ook de manier van executie werd uitgesproken:
"... dat zij op weinig voeten affstands, door zes van de twaalf hiertoe gecommandeerde manschappen, met het doodlijk lood getroffen zijnde, levenloos neerviel, en als zoodanig opgenomen en in de kist gelegd".
Op vrijdag 22 november, de dag van de executie, werd zij 's ochtends op een kar geplaatst en naar de Joodse begraafplaats van Winterswijk gebracht onder grote belangstelling van de lokale bevolking, waar al een kuil in de aarde was gegraven en een doodkist in gereedheid stond. Eenmaal gearriveerd werd zij door een zeskoppig vuurpeloton van Bataafse soldaten gefusilleerd.[4][1] Hieronder is de gebeurtenis zoals beschreven door Van der Aa en door Reinier Vinkeles in bovenstaande gravure weergegeven:
Nu gingen de geweeren los: de Doorschotene hier en daar gekwetst, doch geene der capitaale Levensdeelen getroffen zijnde, stroomde het bloed wel uit de veele toegebragte wonden, maar levend bleef zij, en worstelde dus in het zand liggende, met de angsten en smerten des doods. Fluks liepen eenigen toe: beurden de Zieltogende op, en wierpen haar in de doodkist, zekerlijk vermoedende dat zij reeds dood was. Dan, dit bleek wel draa geheel andere te zijn: daar zij dus gekwetst en doorboord, de ééne hand nog naar den Hemel uitstrekte, even als beklaagde zij zich bij de Godheid, over de mishandeling haar aangedaan, en smeekende om een spoedig uiteinde!

Een soldaat schoot bij wijze van genadeschot nog eens in de kist en volgens de overlevering vloog daarbij de zijden japon van de freule in brand.[10] Soldaten zouden het vuur in de lijkkist geblust hebben door water te halen in hun steken die ze als emmers gebruikten. Johanna Magdalena Catharina Judith van Dorth tot Holthuyzen werd twee dagen later in de Hervormde kerk van Lichtenvoorde bijgezet, waar haar resten in 1936 tijdens een renovatie van de kerk werden ontdekt.[11][3][8]
Zeven uur voor haar dood schreef ze een brief aan haar goede vriend, burgemeester Christiaan Casper Stumph van Aalten: Mijn Waarde Vriend Ik bedank uw zeer voor alle Vriendelijkheid aan mijn bewezen in dit leven. Ik schrijf [deeze][12] om 4 uuren, dus 7 uuren voordat mij het [leven], door een kogel zal benomen worden. De reijs van [=naar] Groenlo etc. is oorzaak van mijn Dood. Ik vind in dezelve een verzoend God, troost mijn Ongelukkige Broeder die mij tot in de Dood benauwd. Weest zo goed en zegt een Eeuwig Vaarwel aan alle mijn bekenden. J.M.C.J. van Dorth.
Nasleep
De ongebruikelijke fusillade van Freule van Dorth door het Bataafse bewind bracht schrik bij de orangisten en was bedoeld geweest als afschrikwekkend voorbeeld om toekomstige demonstraties en opstanden te voorkomen. Al een dag na de executie verscheen een vurig pamflet in dichtvorm getiteld 'Op de afschuwelijke onrechtvaardigheid'. Het was de aanzet tot een bescheiden pennenstrijd over de rechtmatigheid van het voltrokken vonnis. Broer Gerrit ontving rouwbetuigingen van de erfprinses en van prinses Wilhelmina van Pruisen, de echtgenote van Willem V. Toch groeide zij nooit uit als een heldin van het orangisme. Daarvoor waren de omstandigheden van de gebeurtenissen te ondoorzichtig en haar karakter en optreden te twijfelachtig. In 1891 noemde de historicus Theodorus Jorissen haar een 'schreeuwende en tierende dame' en ook historicus Jan Romein beschreef haar als een 'hysterica'. In 1999 verscheen een biografie over het excentrieke leven van Freule van Dorth onder de titel 'Een allerneeteligst caracter - Het leven van Judith van Dorth (1747-1799) ', die Hermine Manschot-Tijdink had opgesteld.[1]
Dit is het enige geval van een politieke executie, die in Nederland ten tijde van de Franse overheersing heeft plaatsgevonden. Een tweede zaak, waarbij een vonnis werd uitgesproken over de 35 jarige smid Jan Berend Klein Hesselink uit Dinxperlo, had tevens voltrokken moeten worden. Zijn vonnis luidde "... dat hij gebracht zou worden ter plaatse, daartoe door den plaatselijken commandant het geschikst geoordeeld wordende, om aldaar, anderen ten exempel, gefusilleerd te worden". Daartoe kwam het echter nooit; hij wist uit de gevangenis te ontsnappen voordat de fusillade kon worden uitgevoerd. Het gerucht ging dat hij naar Pruisen was gevlucht, maar nadat de Bataafse soldaten de smid nabij Dinxperlo vonden, schoten ze hem uiteindelijk dood nadat hij op de vlucht sloeg.[13]
- 1 2 3 4 5 6 7 Van Setten, Dorth, Johanna Magdalena Catharina Judith van (1747-1799). Huygens Instituut (13 januari 2014). Geraadpleegd op 31 december 2025.
- 1 2 Instituut voor de Nederlandse geschiedenis
- 1 2 3 4 5 Manschot-Tijdink, Johanna Magdalena Catharina Judith van Dorth. Bibliografisch Woordenboek Gelderland (1998). Geraadpleegd op 31 december 2025.
- 1 2 3 4 Huntink, De freule van Dorth. MijnGelderland (Onbekend). Geraadpleegd op 31 december 2025.
- ↑ DBNL. Jacobus Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en papier
- ↑ Staring Instituut: Bredevoort een Heerlijkheid, ISBN 90-9002135-3 (eerste uitgave 1988)
- ↑ Het Leeskabinet - Johan Gram, David François van Heyst, D. A. van Waalwijk
- 1 2 'Oranje boven! - De Fransche overheersching en het herstel van onze onafhankelijkheid, 1795-1813' - H. te Winkel, 1913
- ↑ De navorscher-Nederlands archief voor genealogie en heraldiek, heemkunde
- ↑ KASTEEL- EN KERKSAGEN
- ↑ Fietsen in de Achterhoek
- ↑ De brief is te vinden in het Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 1, onder redactie van drs P.W. van Wissing, drs R.M. Kemperink, dr J.A.E. Kuys en E. Pelzers. Verloren Hilversum, 1998, pagina's 33-36. De tekst tussen [ ] betreft aanvullingen en verduidelijkingen van H. Manschot-Tijdink.
- ↑ Stegeman, Franse revolutie. Oud Winterswijk (1927). Geraadpleegd op 31 december 2025.