Erasmus Schetz

Postume portretgravure door Suavius (1554)
Huis van Aken op het Hendrik Conscienceplein in Antwerpen, later gebruikt als professenhuis door de jezuïeten.
Overblijfselen van de Engenho São Jorge dos Erasmos, de plantage-suikermolen van Schetz op São Vicente

Erasmus Schetz, heer van Grobbendonk (ca. 1480 – 31 mei 1550) was een Zuid-Nederlands ondernemer die vanuit het vroegmoderne Antwerpen handel dreef met voornamelijk Lissabon, Aken en Leipzig. Als koopman-bankier combineerde hij commerciële, financiële en ook wel industriële activiteiten. Hij bezat de grote suikerplantage Engenho São Jorge dos Erasmos, waarvan de overblijfselen in Brazilië tot nationaal erfgoed zijn verklaard.

Leven

Erasmus was een zoon van Conrad Schetz, muntmeester van de Luikse prins-bisschop te Maastricht, en van Marie Kranz, herbergiersdochter uit Hasselt. Hij werd geboren in de buurt van Aken. In 1500 maakte zijn kinderloze oom Rutger Kranz hem tot zijn erfgenaam, op voorwaarde dat hij zich in Antwerpen vestigde en hem hielp bij het drijven van zijn koperhandel. Koper en messing werden aangeleverd uit Duitse steden als Keulen, Aken en Nürnberg, om dan te worden verkocht aan Portugese zeevaarders die er – in de vorm van manilla's – slaven mee betrokken in West-Afrika. Uit dat gebied voerden de Portugezen ook peper aan (paradijskorrels en piper Guineense), en verder rietsuiker uit Madeira. Schetz arriveerde op het juiste moment in Antwerpen, dat net de rol van Brugge aan het overnemen was en de Portugese natie aantrok. De eerste lading peper werd er gelost in 1501, en in dat jaar sloot Schetz direct zijn eerste transactie in deze specerij. Als agent van de rijke Claes van Richtergem reisde hij toen ook naar Lissabon om contacten te leggen. Ongetwijfeld zullen zijn humanistische opleiding en vroomheid hem geholpen hebben bij het omgaan met koning Emanuel I van Portugal, die zijn wederpartij was.

Claes van Richtergem moet Schetz hoog gewaardeerd hebben, want hij introduceerde hem in het Gilde van Onze-Lieve-Vrouw Lof en kort voor zijn dood liet hij in 1511 zijn oudste dochter Ida van Richtergem met hem in het huwelijk treden. Bij de verdeling van de nalatenschap kregen ze in 1516 het Huis van Aken in de Spuistraat. Dankzij het huwelijk kreeg Schetz toegang tot de rechten van Claes van Richtergem op hoogwaardig kalamijn uit de Altenbergmijn in Kelmis. Dit mineraal was nodig voor de productie van messing. Al vroeg streefde hij naar verticale integratie tussen productie en handel, alsook naar monopolievorming. Hij richtte de firma Schetz & Co op met Jan Vleminck de Oude en Aert Pruynen. Dit waren zorgvuldig uitgekozen handelspartners uit verwante families. Ze verzekerden zich van een reguliere aanvoer van hoogwaardig koper door in 1526 een contract te sluiten met de Saiger-Handelsgesellschaft uit Leutenberg. Vervolgens verwerkten ze dit in Aken – waar ze beschikten over een factor en over grote pakhuizen – tot messingproducten. Na de dood van Vleminck in 1527 en van Pruynen in 1536, bracht Schetz zijn oudste zonen in het bedrijf. Tegen het midden van de eeuw was het uitgegroeid tot het voornaamste van Antwerpen. Een belangrijke reden voor het succes was dat de firma de mijn van Kelmis kon huren aan zeer gunstige voorwaarden, met een feitelijk monopolie op messing tot gevolg. Bovendien werd de huur doorheen de opeenvolgende verlengingen nauwelijks of niet opgeslagen, omdat Schetz politieke bescherming genoot door de leningen die hij verstrekte aan keizer Karel V (en aan de stad Antwerpen).

In de jaren 1540 begon de West-Afrikaanse vraag naar manilla's af te nemen. Door lagere prijzen en winstmarges begon Schetz & Co deze activiteit af te bouwen, en in 1547 werd het contract met de Portugese kroon niet meer verlengd. Door suiker en specerijen bleef de as Antwerpen-Lissabon niettemin cruciaal voor de onderneming. Toen koning Emanuel I in 1521 stierf, smeedde Schetz banden met zijn opvolger Johan III. Hij drong er bij zijn vriend Desiderius Erasmus op aan een werk aan de Portugese vorst op te dragen, wat resultaat afwierp met de Chrysostomi lucubrationes (1527). Tegen 1544 stond Schetz & Co in voor niet minder dan 13% van de peperexport vanuit de Habsburgse Nederlanden. De suikerhandel met Madeira was een andere pijler van het bedrijf. Toen de Madeirasuiker een crisis kende, investeerde Schetz in suikerbakkerijen op de Antwerpse Suikerrui (aangekocht in 1531 en weer van de hand gedaan in 1549). Vervolgens werkte hij samen met Martim Afonso de Sousa voor de oprichting in 1534 van een suikerrietplantage met suikermolen op het eiland São Vicente voor de Braziliaanse kust.[1] Een rapport uit 1548 beschrijft dat er 130 inheemse slaven waren op deze Engenho São Jorge dos Erasmos, naast 7 à 8 zwarte technici en de factor Pierre Rousée. Het was een investering die opbracht, want het werd de grootste plantage van zuidelijk Brazilië.

Ook in handelsdomeinen die voor hem minder centraal stonden, toonde Schetz een gave om opportuniteiten te spotten en te grijpen. Zo richtte hij zich tijdens de Italiaanse Oorlog (1521-1526) op de handel met La Rochelle, doordat hij dankzij zijn politieke bescherming kon ontsnappen aan de handelsrestricties. Met Franse zakenpartners deed hij aan export van suiker en specerijen en aan import van Poitouwijnen, wede (voor de blauwe kleurstof pastel) en Brouagezout. Zo kon hij een monopoliepositie opbouwen waarvan hij nog geruime tijd voordeel had. Een ander voorbeeld was het huren van Hollandse en Zeeuwse schepen om aan internationale graanhandel te doen, met omzeiling van de Hollandse en Zeeuwse uitvoerrechten (congiegeld). Na de Sint-Felixvloed kocht hij in 1534-1537 met Pruynen bijna 400 ha poldergrond in Ossendrecht, in de verwachting van stijgende graanprijzen. Verdere nevenactiviteiten waren het leveren van buskruit, salpeter, wandtapijten en luxegoederen aan soevereinen.

Op financieel vlak was Schetz de bankier van keizer Karel V, van de centrale regering van de Nederlanden en van hoge gezagsdragers. Zijn kredieten waren voor de Habsburgers onmisbaar om de oorlogen tegen de Valois te kunnen voeren. Schetz was zich ervan bewust dat er op de geldmarkt grotere winsten te rapen vielen dan met goederenhandel, maar hij besefte ook dat de risico's groter waren. Voor hem – net als voor de Fuggers – was kredietverstrekking een middel om politieke voordelen te bekomen in de kernactiviteiten, zoals de goedkope mijnconcessie van Altenberg – waarop een monopolistische waardeketen was gebouwd –, of zoals vrijstelling van handelsverboden. Deze filosofie was zichtbaar vanaf zijn eerste lening aan de keizer in 1522: hij vroeg geen rente, maar dekte zich stevig in door zekerheden te vragen van Antoon I van Lalaing. Het leverde hem groot politiek krediet op. In juli 1542 wist hij dat nog te versterken door niet te vluchten voor de aanslag van Maarten van Rossum op Antwerpen, maar op eigen kosten troepen uit te rusten voor wat een ongelijke strijd leek. In 1546 verkreeg ook koning Hendrik VIII van Engeland een kortlopend maar aanzienlijk krediet van Schetz, via zijn agent Stephen Vaughan. Weer ging dit aan de kant van Schetz gepaard met een achterliggend economisch motief: leveringen van buskruit en graan aan Engeland waren in die inflatoire tijd zeer lucratief. Het hoeft niet te worden betwijfeld dat de kredieten aan keurvorst Hendrik van Saksen en aan koning Johan III van Portugal eveneens gekoppeld waren aan economische wederdiensten. In 1542-1547 verstrekte hij een reeks kortlopende leningen aan de stad Antwerpen voor de bouw van nieuwe stadsmuren. Toen een zweem van malversaties werd waargenomen rond de Fortificatiekas, was Schetz een van de drie personen in wie regentes Maria van Hongarije voldoende vertrouwen stelde om in de onderzoekscommissie te zetelen.

Als gevolg van de grotere plaats die Schetz' zonen Gaspar, Melchior en Balthasar waren gaan innemen binnen de vennootschap, werd eind 1545 een naamswijziging doorgevoerd naar Erasmus Schetz ende Sonen. Alledrie waren ze meer dan hun vader geneigd tot de financiële wereld. Op 7 juni 1548 overleed Erasmus' echtgenote Ida, nadat ze beiden hun testament hadden opgemaakt. Hij hertrouwde het volgende jaar met zijn nicht Kathelijne de Cock, waarvoor hij een pauselijke dispensatie van 12.000 florijnen veil had, en hij de tegenkanting van zijn kinderen trotseerde. Hij overleed twee jaar later. Zijn kinderen zetten de zaken met succes voort en met name Gaspar werd een belangrijke figuur in de Spaanse Nederlanden.

Adeldom

De economische macht van Schetz vertaalde zich in zijn maatschappelijke status. In 1527 werd hij opgenomen in de adelstand. Als wapen koos hij een opstijgende raaf met gespreide vleugels, verwijzend naar zijn patroonheilige Erasmus van Formia. Op 18 mei 1545 nam hij Grobbendonk over van graaf Philibert de Mastaing. Een dergelijke heerlijkheid, met hoge justitie dan nog, was in Brabant essentieel om ook als adellijk te worden aanzien. Datzelfde jaar verbleef keizer Karel bij Schetz in het Huis van Aken, dat hij in 1536-1539 had laten herbouwen als een renaissancepaleis, zij het een met opslagplaatsen. Ook regentes Maria van Hongarije kwam er over de vloer, en na zijn dood Willem van Oranje. In 1548 verhief de keizer hem tot paltsgraaf. Niettemin bleef hij zich steeds presenteren als een zakenman.

Huwelijk en kinderen

Uit zijn eerste huwelijk met Ida van Richtergem kreeg Erasmus Schetz vier zonen en twee dochters, van wie de eerste drie vernoemd zijn naar de drie koningen, die geassocieerd werden met internationale, exotische handel:

  • Gaspar Schetz (1513-1584)
  • Melchior Schetz (1516-1577), getrouwd met Anna van Stralen
  • Balthasar Schetz (1520-1586), getrouwd met Marie van Stralen
  • Maria Schetz (geb. 1525), getrouwd met Nicolas Cretic(o)
  • Isabella Schetz (ca. 1526-1580), in 1547 getrouwd met Jan Vleminck
  • Koenraad Schetz (1527-1579), getrouwd met Marie de Brimeu

Op hogere leeftijd hertrouwde hij in 1549 met Kathelijne de Cock.

Literatuur

  • Bron gebruikt voor het schrijven van dit artikel Hugo Soly, "Erasmus Schetz, c. 1480-1550" in: Capital at Work in Antwerp's Golden Age, Brepols, 2022, p. 29-96. ISBN 9782503595634
  • André Godin, "Érasme et son banquier" in: Revue d'histoire moderne et contemporaine, 1987, nr. 4, p. 529-552. DOI:10.3406/rhmc.1987.1425
  • Floris Prims, "Erasmus Schetz in 1525-1532" in: Antwerpiensia, 1939, p. 63-69
  • Jan Leonard Meulleners, "De Antwerpsche bankier Erasmus Schetz en zijne geassocieërden Jan Vleminck en Arnold Proenen in hunne betrekking tot Maastricht en Aken" in: Publications de la Société historique et archéologique dans le Duché de Limbourg, 1890, p. 307-333. Online tekst

Voetnoten

  1. John Everaert, "Een ‘zoete nachtmerrie’. De suikerplantage der Schetzen in Brazilië (ca. 1540-1615)" in: HistoriANT, 2020, p. 13-27