Ott-Heinrich Keller

Ott-Heinrich Keller
Eduard Ott-Heinrich Keller (links) and Hellmuth Kneser (rechts).
Eduard Ott-Heinrich Keller (links) and Hellmuth Kneser (rechts).
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 22 juni 1906Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Frankfurt am MainBewerken op Wikidata
Overlijdensdatum 5 december 1990Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats HalleBewerken op Wikidata
Beroep wiskundige, academisch docentBewerken op Wikidata
Lid van Saksische Academie van Wetenschappen, Duitse Academie der Wetenschappen Leopoldina, Corps Austria Frankfurt am MainBewerken op Wikidata
Academische achtergrond
Alma mater Universiteit van Frankfurt (1929),[1][2] Wöhlerschule (1920; 1924),[3] Universiteit van Frankfurt (1924; 1926),[3] Universiteit van Wenen (1926; 1926),[3] Frederick William Universiteit (1926; 1927),[3] Georg-August-Universität Göttingen (1927; 1928),[3] Universiteit van Frankfurt (1928; 1930)[3]Bewerken op Wikidata
Proefschrift Über die lückenlose Erfüllung des Raumes mit WürfelnBewerken op Wikidata
Promotor(s) Max Dehn[1]Bewerken op Wikidata
Wetenschappelijk werk
Vakgebied(en) meetkundeBewerken op Wikidata
Bekend van Keller's conjectureBewerken op Wikidata
Prijzen en erkenningen Nationalpreis der DDR (1960)Bewerken op Wikidata

Eduard Ott-Heinrich Keller (Frankfurt am Main, 22 juni 1906 - Halle, 5 december 1990) was een Duits wiskundige die gespecialiseerd was in de meetkunde, topologie en de algebraïsche meetkunde. In 1939 formuleerde hij het probleem dat nu bekendstaat als het Jacobiaans vermoeden.

Biografie

Hij werd geboren in Frankfurt am Main en studeerde aan de universiteiten van Frankfurt, Wenen, Berlijn en Göttingen. Als student van Max Dehn schreef hij een dissertatie over het betegeling van de ruimte met kubussen. Dit leidde in 1930 tot een ander 'vermoeden van Keller': het kubusbetegelingsvermoeden van Keller.

Vervolgens werkte hij in Berlijn samen met Georg Hamel. Hij habilitateerde in 1933 op een proefschrift over Cremona-transformaties. Het Jacobiaanse vermoeden komt in een dergelijk omgeving op natuurlijke wijze naar voren. De motivatie om vrij algemene polynoomtransformaties, zeg van het projectieve vlak te onderzoeken, kwam van de singulariteitstheorie voor algebraïsche krommen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij in Flensburg docent bij een college van de Kriegsmarine. Na de oorlog bekleedde hij verschillende functies, In 1952 werd hij aan de universiteit van Halle-Wittenberg tot hoogleraar benoemd. Hij was daar de opvolger van Heinrich Jung. In 1971 ging hij met emeritaat.

Werken

Voetnoten