Duvelskut

Uitsnede van de kaart Frisia van Ortelius waarop de zuilen van Hercules, "thans genaamd Duvelskut" staan weergegeven in Drenthe

Duvelskut is het eerste vermelde Nederlandse hunebed bij Gasteren in Drenthe. Lange tijd werd gedacht dat het om een van de hunnebedden D17 en D18 bij Rolde ging. Archeoloog Wijnand van der Sanden liet echter zien dat hunebed D10 te Gasteren beter overeenstemt met de beschrijving. De bijzondere naam is al vroeg in onbruik geraakt.

De Groningse kroniekschrijver Sicke Benninge beschrijft dit hunebed in 1505 als Des Duvels Kolse.[1] Het woord kolse (kous) slaat vermoedelijk op het vrouwelijk geslachtsdeel.

In 1547 vermeldt Antoon van Schoonhove, die destijds kanunnik in Brugge was, de Duvels Kut of Daemonis Cunnus als een steenhoop, die door Tacitus zou zijn beschreven als de Zuilen van Hercules. Bovenop lag een platte steen die naar het idee van Van Schoonhove als altaarsteen zou moeten hebben gediend. De geleerde monnik schrijft dat de stenen zo groot zijn dat ze niet met wagens of schepen aangevoerd kunnen zijn. Steengroeven ontbreken daar. Zijn verklaring is dat ze door de demonen gebouwd zijn. De bewoners van de streek rond deze hunebed zouden volgens de kanunnik het gebruik hebben gehad reizigers door de nauwe opening ervan te jagen[2] en met uitwerpselen te bekogelen. Daarna werden ze vermoord en geofferd op de altaarsteen. Aan dat laatste gebruik zou Bonifatius een einde gemaakt hebben.[3]

De naam Duuels kutte komt tevens op de kaart van de drie Frieslanden, gemaakt in 1568 naar het voorbeeld van Jacob van Deventer, en in 1570 door Abraham Ortelius te Antwerpen uitgegeven. Hij duikt daarna op Sibrandus Leo's kaart van Friesland in de wereldatlas Theatrum Orbis Terrarum van Ortelius uit 1579. In een uitsnede rechtsonder is hier een reconstructiekaart opgenomen van Friesland in de tijd van keizer Augustus, ontworpen door staatsraad Joachim Hoppers. In Drenthe worden daar de zuilen van Hercules getekend, met de toelichting dat die tegenwoordig (in 1579 dus) Duuels Cutz worden genoemd. Het woord betekent – net als kolse – 'vrouwelijk geslachtsdeel'.[4] Andere bronnen spreken over de Duyffelskutte, 's Duyvels Kut of De Kut van de Duivel. Of deze benaming alleen in geleerde kringen werd gebruikt of ook bij de bevolking in omloop was, blijft echter de vraag.

Het verhaalmotief komt ook elders voor. De gebroeders Grimm schrijven over een steen met een smalle doorgang bij het Kloster Ilfeld in Thüringen (Landkreis Nordhausen), waar jonge boerenkechten als initiatieritueel driemaal doorheen moest kruipen. De steen zou daar door een Hun (reus) zijn neergelegd.[5]

De bekende oudheidkundige Johan Picardt schreef in 1660 een boek, waarin hij betoogde dat de hunebedden door reuzen waren gebouwd. Hij had zo zijn twijfels.

Sommige meenen dat 'et zijn Structuren van de Duyvel selfs, tot dien eynde op malkanderen van hem gestapelt, om op die selve, onder den naem van Hercules, met Offerhanden geëert en gedient te werden. Heeft men oyt gehoort, dat de Duyvel het ambacht van een Metselaer en Steenpacker geoeffent heeft? … Maer en zijn 't niet de vermaerde Herculis Columnæ, Pilaren en Gedenck-teyckenen van den vermaerden Campvechter Hercules? Praetjes, onwaerdigh om te wederleggen: en nochtans zijnder Geleerde mannen die sulcks geschreven hebben.[6]

De zuilen van Hercules worden doorgaans gelokaliseerd bij de Straat van Gibraltar.

Literatuur