Dekpuntstelling van Brouwer

De dekpuntstelling van Brouwer gaat over continue afbeeldingen in een n-dimensionale topologische ruimte. Als door dergelijke afbeeldingen bepaalde gebieden in zichzelf afgebeeld worden, wordt ten minste een punt, het dekpunt, op zichzelf afgebeeld. De stelling is naar L.E.J. Brouwer (1881-1966) genoemd, een Nederlandse wiskundige.

Geschiedenis

De dekpuntstelling van Brouwer was een van de vroege successen van de algebraïsche topologie en is de basis van meer algemene dekpuntstellingen, die belangrijk zijn in de functionaalanalyse. Het geval werd in 1904 als eerste bewezen door Piers Bohl, het artikel werd gepubliceerd in de Journal für die reine und angewandte Mathematik. Vervolgens bewees Brouwer ditzelfde geval in 1909. Jacques Hadamard bewees het algemene geval in 1910 en Brouwer vond daar in 1912 een alternatief bewijs voor. Aangezien deze vroege bewijzen alle niet-constructieve waren, strookten ze niet met Brouwers intuïtionistische idealen. Tegenwoordig zijn er wel methoden gevonden om dekpunten of benaderingen daarvan te construeren.[1][2]

Stelling

Laat de gesloten eenheidsbol zijn in de -dimensionale ruimte en  een continue afbeelding van naar , dan heeft ten minste een dekpunt, dat wil zeggen: er is een in , waarvoor . Anders geformuleerd: een continue afbeelding van naar laat ten minste een punt van op zijn plaats.

Voorbeeld

Beschouw een draaiing om de oorsprong van de gesloten eenheidsschijf in het platte vlak, alle punten met afstand 1 tot de oorsprong, het punt met coördinaten (0,0). Een dergelijke draaiing is een continue afbeelding van de gesloten eenheidsschijf naar zichzelf. Inderdaad laat elke dergelijke draaiing de oorsprong, het middelpunt, op zijn plek.