Christoph Werner

Christoph Werner (Gottleuba, 1617/1618 - Danzig, 9 november 1650[1]) was een Duitse componist, kapelmeester en cantor.

Levensloop

Over Werners jeugdjaren en opleiding is niets bekend.

Werner werd in 1646 benoemd tot vaste cantor van de Katharinenkirche in Danzig (het huidige Gdansk), waar hij tot die tijd klaarblijkelijk als vervangend cantor had gewerkt. Daarnaast verving hij de zieke Kaspar Förster senior als kapelmeester van de Mariakerk.

In 1650 werd Werner naar Dresden geroepen om als vice-kapelmeester te dienen aan het Saksische hof. Zijn broer Friedrich (1621-1667) speelde hierin een rol als bemiddelaar. Werner overleed echter nog voordat hij aan de functie kon beginnen. Crato Bütner volgde hem in Danzig op als cantor.

Polemiek

Werner speelde een rol in de polemiek tussen de componisten Paul Siefert en Marco Scacchi. In 1648 ontving Werner een uitgebreide brief waarin Scacchi stevige kritiek uitte op Sieferts muzikale opvattingen. Werners antwoordbrief werd vervolgens door Scacchi opgenomen in de publicatie Judicium cribri musici (1649), waarmee Scacchi wilde aantonen dat vooraanstaande musici hem steunden in zijn kritiek op Siefert. Overigens liet Werner zich ook in het voorwoord van zijn eigen album Musicalische Arien (Königsberg, 1649) kritisch uit over Siefert.

Werken

Als componist speelde Werner een rol in de ontwikkeling van de Duitse religieuze zangcompositie. Zijn composities leunden sterk aan tegen de volksmuziek en waren bedoeld voor uitvoering op school of thuis. In 1646 publiceerde hij Praemessa musicalia, een album met vijftien concertos waarbij de Bijbelse teksten in het Latijn en Duits zijn geschreven.

In 1646 bracht Werner ook het muziekalbum Motetti seu Concerti uit.[2]

De Musicalische Arien uit 1649 bevatten teksten van Johann Georg Albinus. De zeventien vierdelige gezangen kunnen ook solo worden gezongen. Ze worden gekenmerkt door simpele melodieën die eenvoudig zingbaar zijn. Dit album had invloed op de ontwikkeling van de latere solo cantate.