Carl Schwaner
| Carl Schwaner | ||
|---|---|---|
| Persoonlijke gegevens | ||
| Titelatuur/graad | doctoraat | |
| Geboortedatum | 16 februari 1817 | |
| Geboorteplaats | Mannheim | |
| Overlijdensdatum | 30 maart 1851 | |
| Overlijdensplaats | Jakarta | |
| Beroep | antropoloog, geograaf, geoloog, wetenschappelijk verzamelaar[1] | |
| Lid van | Corps Guestphalia Bonn, Natuurkundige Commissie voor Nederlands Indië[2] | |

Carl Anton Ludwig Maria Schwaner (Mannheim, 16 februari 1817 - Batavia, 30 maart 1851) was een Duitse geoloog, natuuronderzoeker en ontdekkingsreiziger, en lid van de Natuurkundige Commissie voor Nederlands-Indië. Hij deed geologisch onderzoek in het stroomgebied van de Barito rivier op Borneo en trok als eerste Europeaan van Banjarmasin dwars door het binnenland naar de westkust. Hij stierf in 1851 in Batavia, waarschijnlijk aan malaria.
Biografie
Opleiding
Over Schwaners jeugd is weinig bekend. Zijn vader, een apotheker in Mannheim, stierf toen hij vier jaar was.[3] Hij ging naar school in Karlsruhe. Zijn familie moet vermogend genoeg geweest zijn om hem te laten studeren; in mei 1836 schreef hij zich in aan de Ruprecht-Karls-Universiteit in Heidelberg. In oktober 1837 stapte hij over naar de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universiteit in Bonn voor een studie geneeskunde. Aan beide universiteiten volgde hij vakken in geologie, mineralogie, zoölogie, scheikunde, anatomie en plantkunde. In Bonn maakte hij het naast zijn studie af en toe zo bont qua 'nachtelijke ordeverstoringen en beledigingen' dat hij meerdere malen in de detentiecel van de universiteit terecht kwam. Desondanks promoveerde hij op 8 maart 1840 in Heidelberg op het proefschrift De basaltformaties van Siegburg en zijn directe omgeving.[4]

In 1841 kwam hij in contact met Coenraad Jacob Temminck, directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden, waarna hij in januari 1842 op diens aanbeveling benoemd werd tot lid van de Natuurkundige Commissie voor Nederlands-Indië. De wetenschappelijke activiteiten in deze periode zijn wel de 'tweede wetenschappelijke revolutie' en de ‘romantische wetenschap’ genoemd, waarin een ideaalbeeld bestond van de wetenschapper als eenzame ontdekker die gevaarlijke reizen maakte in een ongerepte, mysterieuze natuur.[5] Op 30 april 1842 vertrok Schwaner op het fregat Rhoon en Pendrecht vanuit Hellevoetsluis naar Indië.[6]
Indië

In augustus kwam hij in Batavia aan. Van de Commissie was toen alleen de ornitholoog Eltio Forsten in Indië. Hij deed onderzoek in Sulawesi. Salomon Müller, Pierre-Médard Diard en Pieter Willem Korthals waren in Nederland, waar de laatste het volgende jaar met pensioen ging. Schwaner moest vanwege geldgebrek bij de Commissie 14 maanden in Buitenzorg doorbrengen. Hij bevond er de verzamelingen in het zoölogisch museum van het Bataviaasch Genootschap dusdanig aangetast door het klimaat dat het op zijn advies gesloten werd en de belangrijkste objecten in 1844 naar Leiden werden overgebracht. In november kreeg hij toestemming om de vulkaan Salak bij Buitenzorg te beklimmen. Hij schreef er een persoonlijk getint verslag over dat begint: 'Na vele vruchtelooze pogingen en moeite te hebben aangewend om mijnen arbeid te beginnen, ten einde den kostbaren tijd mijns levens niet in werkeloosheid te zien vervliegen en aan het doel mijner komst in Indië te kunnen beantwoorden, gelukte het mij eindelijk, in de laatste dagen der maand November 1842, de toestemming te erlangen, mijn reeds sedert lang ontworpen plan om den hoogsten top van den Salak te bestijgen, ten uitvoer te brengen.'[7] Verder was het een moeilijke tijd voor Schwaner, waarin hij zijn heil regelmatig in de drank zocht en ruzie maakte met Franz Junghuhn. Zijn vriend Heinrich Zollinger, een Zwitserse botanicus in dienst van het gouvernement, beschreef hem als extravagant en wispelturig maar erg gesteld op Duitse gemütlichkeit.[4]
Onderzoek in Borneo

In de herfst van 1843 kreeg hij eindelijk een opdracht. Hij moest op Borneo gaan zoeken naar steenkool, de brandstof voor de stoommachines en stoomschepen van de industriële revolutie. Voor het onderzoek was drie jaar gepland. In 1836 was er door de geoloog Ludwig Horner al naar delfstoffen gezocht, maar toen ging het vooral om goud en diamanten. In oktober 1843 vertrok Schwaner naar Banjarmasin vergezeld van twee andere Europeanen - de kanonnier van de artillerie Heinrich von Gaffron en P.L. Comblen uit Luik. Ook vier inheemse verzamelaars van insecten, amfibieën en planten gingen mee.[8] Forsten was in januari overleden, zodat Schwaner nog het enige in Indië werkzame commissielid was. Vanaf eind 1843 verkende hij Borneo op zoek naar steenkoollagen en onderzocht hij de bevaarbaarheid voor grotere vaartuigen van de Barito en andere rivieren. Om het vertrouwen van de in het binnenland levende Dajaks te winnen liet hij zich tatoeëren op de Dajakse wijze. Op 1 november 1847 voer hij met 20 Dajaks in twee prauwen stroomopwaarts de Mendawai rivier op tot aan de centrale waterscheiding, stak die over en voer via de Kapuas rivier naar Pontianak aan de westkust, waar hij op 2 februari 1848 aankwam. Hiermee was hij de eerste Europeaan die dwars door het binnenland van Borneo reisde.[9] Gustaaf Molengraaff, die de Borneo-expeditie van 1893-1894 leidde, noemde de zuidwestelijke bergketen die de waterscheiding vormt het Schwanergebergte.
Buitenzorg

Terug in Buitenzorg werkte Schwaner zijn uitgebreide aantekeningen uit. Op basis daarvan verscheen in 1853 postuum zijn belangrijkste werk: Borneo. Beschrijving van het stroomgebied van den Barito en reizen langs eenige voorname rivieren van het zuid-oostelijk gedeelte van dat eiland door Dr. C. A. L. M. Schwaner, op last van het Gouvernement van Nederlands-Indië gedaan in de Jaren 1843–1847.[10]
De Natuurkundige Commissie werd op 17 april 1850 door de regering Thorbecke opgeheven omdat de resultaten niet opwogen tegen de kosten. Wetenschappelijke expedities moesten voortaan niet door de overheid, maar door particulieren met ruime ondersteuning van de overheid ondernomen worden. De leden die nog in Indië waren, Schwaner en de in 1845 benoemde Franz Junghuhn, mochten in dienst van het gouvernement doorgaan met het verzamelen van 'naturaliën' voor musea. Temminck was het eens met de opheffing, en vond bovendien dat Schwaner en Junghun in hun verzamelwerk tekort schoten. In december 1848 schreef hij aan Diard dat 'onze renegaat Schwaner' teveel voor eigen glorie ging, maar dat zijn vurig en opvliegend karakter fataal zou zijn voor zijn ambitie.[11]
Steenkoolmijnen

Schwaners speurtocht naar steenkool had wel succes. Hij rapporteerde over ‘magtige en uitgestrekte bruinkoollagen’ en ‘verschillende soorten van ijzererts, en de diamanten, goud en platina bevattende aardlagen’ die met moderne technologie en Europees kapitaal ontgonnen konden worden om het land te ontwikkelen. Hij waarschuwde wel voor de mogelijke onwil van de despotische sultan van Banjarmasin, sultan Adam. Hoewel de macht van het sultanaat van Bandjar in het binnenland beperkt was merkte Schwaner op 'dat zoo lang de slechte en bedorvene geest der vorsten en het onzedelijke hunner regeringsbeginselen eenigen invloed blijven behouden, zij alle ondernemingen van het Gouvernement, binnen en in de nabijheid hunner bezittingen, zeer tegen zullen werken'.[10] Mede op basis van Schwaners onderzoek werd in 1846 in het Meratusgebergte de eerste kolenmijn gesticht. Omdat het transport van de steenkool erg moeilijk bleek te zijn kwam er in 1849 dichter bij Banjarmasin een nieuwe mijn. Gouverneur-generaal Rochussen maakte per prauw een tocht van 13 uur om hem te openen. Vanaf 1850 mochten ook particuliere ondernemers meedoen met de steenkoolontginning. De relatie met sultan Adam bleef goed.[12]
Nalatenschap

Als gevolg van deze ontwikkelingen kreeg Schwaner eind 1850 een nieuwe opdracht tot verkenning van het zuidoosten van Borneo. In juli had hij met Pieter Bleeker de Vereniging voor Natuurwetenschappen in Nederlands-Indië opgericht en was daar voorzitter van. De vereniging gaf tot halverwege de 20e eeuw het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië uit. In oktober trouwde hij met de Duitse Agnes Clementine Caroline Hancke.[4] Maar kort voor zijn vertrek naar Borneo, op 30 maart 1851, stierf hij in Batavia aan 'hevige koortsen', naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door malaria.
Zijn vrouw vertrok naar Europa met de bark Juno, samen met haar zus Mathilda en haar drie in Indië geboren dochters, maar ter hoogte van Kaap Agulhas liep het schip op 2 maart 1852 op de rotsen, een paar honderd meter uit de kust. De uitgezette sloep waarin zij zaten kapseisde in de golven. Het lukte de zeelieden niet hen te redden en ze verdronken alle vijf. Ze werden begraven op Kaap Agulhas, vlak bij de vuurtoren.

Schwaners geschriften, kaarten en tekeningen werden de jaren daarna grotendeels naar Nederland verzonden en gepubliceerd. Objecten uit zijn verzameling werden na zijn dood in Batavia publiekelijk geveild, wellicht omdat de Natuurkundige Commissie niet meer bestond. Het ging om een aantal gebrekkige skeletten van vogels en zoogdieren, wat kisten met stenen en enige wapens en gereedschappen van Borneo. Ook een aantal instrumenten en boeken, alles eigendom van het gouvernement.[11]
In Duitsland werd op het Mannheimer Hauptfriedhof in december 1852 een gedenksteen voor Schwaner geplaatst. In 1951, honderd jaar na zijn dood, werd in Mannheim ook een straat naar hem genoemd: de Karl-Schwaner-Straße.[3]
Publicaties

- Borneo. Beschrijving van het stroomgebied van den Barito en reizen langs eenige voorname rivieren van het zuid-oostelijk gedeelte van dat eiland door Dr. C. A. L. M. Schwaner. op last van het Gouvernement van Nederlands Indie gedaan in de Jaren 1843–1847. met Platen en eene Kaart. Uitgegeven van wege het Koninklijke Instituut voor de taal, land en volkenkunde van Neerl.-Indië. Te Amsterdam, bij P. N. van Kampen, 1853–1854. 2 delen, onder redactie van Jan Pijnakker.[10]
- In Indisch Archief: tijdschrift voor de Indiën:
- Resultaten van een onderzoek naar den Barito-stroom, ten opzigte zijner bevaarbaarheid voor grootere vaartuigen.[13]
- In Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde:
- Aanteekeningen betreffende eenige maatschappelijke instellingen en gebruiken der Dajaks van Doesson, Moeroeng en Siang, aangetroffen onder de bij het Gouvernement van N. Indië berustende papieren van C.M. Schwaner, in leven lid der Natuurkundige commissie in N. Indië. Nader bewerkt door Dr. J.H. Croockewit Hz.[14]
- Historische, geographische en statistieke aanteekeningen betreffende Tanah Boemboe; aangetroffen onder de bij het gouvernement van Nederlandsch-Indië berustende papieren van C.M. Schwaner, in leven Lid der Natuurkundige Commissie in N. Indië, bewerkt door E. Netscher en H. Von Dewall.[15]
- In Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië:
- Reis naar, en aanteekeningen betreffende de steenkolen van Batoe Belian (Zuid-Oostkust van Borneo), door C. M. Schwaner, in leven Lid der Natuurkundige kommissie in Nederlandsch Indië, 'gevonden in de nagelaten geschriften van C.M. Schwaner' en bewerkt door Dr. J. H. Croockewit Hz.[16]
- Geologische uitstapjes in de omstreken van Buitenzorg, voornamelijk op den Salak, door (wijlen) C. M. Schwaner.[7]
Afbeeldingen
Kota Baru aan de Kapuas.
Hertenjacht bij Martapura.
Een feest van de Bilians, van jongs af aan opgeleide stamoudsten die het contact met de goden onderhielden.
Goenoeng Rantan aan de Barito.
Eene Dayaksche kampong aan de Barito.
Een vlot met huizen op de Barito met Nederlandse vlag, ca. 1885.
Dorp aan de Kapuas ca. 1845.
Baritostroom. 'Opgenomen en gereconstrueerd door C.M.Schwaner 1847'.
Baritostroom middenstuk.
Baritostroom derde stuk.
Prauwen op de Barito ca. 1920
Radarstoomboot Negara van de KPM op de Barito.
Stoomboot op de Barito ca. 1920.
Varende cafetaria op de Kapuas ca. 1945.
De Barito in 2017.
- ↑ Bloodhound.
- ↑ The dates of publication of "Verhandelingen over de natuurlijke Geschiedenis der Nederlandsche overzeesche Bezittingen" edited by C. J. Temminck; geraadpleegd op: 31 mei 2023.
- 1 2 (de) Helbig, Karl (1951). Ein Mannheimer erforscht Borneo. Dem Forscher Carl Anton Ludwig Maria Schwaner zum Gedächtnis. Mannheimer Morgen 74
- 1 2 3 (de) Maesel, Markus (2005). Ein Mannheimer in Indonesien, Der Naturforscher Dr. Schwaner (1817-1851). Kita. Das Magazin der Deutsch-Indonesischen Gesellschaft Köln 1/05
- ↑ (en) Holmes, Richard (2008). The Age of Wonder. How the romantic generation discovered the beauty and terror of science. Harper Press, XVI. ISBN 9780007149537.
- ↑ Oost-Indië: Stamboeken Ambtenaren: Schwaner. 2.10.01 Inventaris van het archief van het Ministerie van Koloniën, 1814-1849. Nationaal Archief (2025). Geraadpleegd op 3 oktober 2025.
- 1 2 Schwaner, C.M. (1853). Geologische uitstapjes in de omstreken van Buitenzorg, voornamelijk op den Salak, door (wijlen) C. M. Schwaner. Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië Nieuwe serie. Deel II
- ↑ Veth, Huibert Johannes (1879). Overzicht van hetgeen, in het bijzonder door Nederland, gedaan is voor de kennis der fauna van Nederlandsch Indië. S.C. van Doesburgh, p. 108.
- ↑ Heinrich von Gaffron was een jaar eerder de waterscheiding al overgestoken maar had een veel kortere bocht door het binnenland gemaakt.
- 1 2 3 Schwaner, C.A.L.M. (1853). Borneo. Beschrijving van het stroomgebied van den Barito en reizen langs eenige voorname rivieren van het zuid-oostelijk gedeelte van dat eiland door Dr. C. A. L. M. Schwaner. op last van het Gouvernement van Nederlands Indie gedaan in de Jaren 1843–1847.. P.N. van Kampen.
- 1 2 Veth, Huibert Johannes (1879). Overzicht van hetgeen, in het bijzonder door Nederland, gedaan is voor de kennis der fauna van Nederlandsch Indië. S.C. van Doesburgh, p. 118.
- ↑ Van den Doel, H.W. (1996). Het Rijk van Insulinde. Prometheus, p. 80. ISBN 9053333746.
- ↑ Schwaner, C.H. (1849). Resultaten van een onderzoek naar den Barito-stroom, ten opzigte zijner bevaarbaarheid voor grootere vaartuigen. Indisch Archief 1 Citefout: Onjuiste parameter “name"1"” in de
<ref>-tag. De mogelijke parameters zijn: dir, follow, group, name. - ↑ Schwaner, C.M. (1853). Aanteekeningen betreffende eenige maatschappelijke instellingen en gebruiken der Dajaks van Doesson, Moeroeng en Siang, aangetroffen onder de bij het Gouvernement van N. Indië berustende papieren van C.M. Schwaner, in leven lid der Natuurkundige Commissie in N. Indië. Nader bewerkt door Dr. J.H. Croockewit Hz. Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 1
- ↑ Schwaner, C.M. (1853). Historische, geographische en statistieke aanteekeningen betreffende Tanah Boemboe; aangetroffen onder de bij het gouvernement van Nederlandsch-Indië berustende papieren van C.M. Schwaner, in leven Lid der Natuurkundige Commissie in N. Indië, bewerkt door E. Netscher en H. Von Dewall. Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 1
- ↑ Schwaner, C.M. (1852). Reis naar, en aanteekeningen betreffende de steenkolen van Batoe Belian (Zuid-Oostkust van Borneo), door C. M. Schwaner, in leven Lid der Natuurkundige kommissie in Nederlandsch Indië; bewerkt door Dr. J. H. Croockewit Hz. Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië 3