Ludwig Horner

Ludwig Horner
Ludwig Horner
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 1 maart 1811
Geboorteplaats Zürich
Overlijdensdatum 7 december 1838
Overlijdensplaats Padang
Beroep entomoloog[1]Bewerken op Wikidata
Lid van Natuurkundige Commissie voor Nederlands Indië[2]Bewerken op Wikidata
Academische achtergrond
Archieflocatie(s) Universiteitsarchief van ETH Zürich[3]Bewerken op Wikidata
Dbnl-profiel

Ludwig Horner (Zürich, 1 maart 1811 - Padang, 7 december 1838) was een Zwitserse arts, natuuronderzoeker en geoloog die in 1835 lid werd van de Natuurkundige Commissie voor Nederlands-Indië. Hij deed geologisch en botanisch onderzoek op Java, Borneo en Sumatra. Hij stierf drie jaar later aan dysenterie in Padang.

Opleiding

Ludwig Horners oom was de astronoom Johann Kaspar Horner, die Adam Krusenstern had vergezeld op zijn handelsmissie rond de wereld in opdracht van Tsaar Alexander I. Ook Ludwig was al vroeg van plan verre reizen te maken, en een opleiding tot arts leek hem daartoe de beste kansen te bieden. Hij bezocht daarom het medisch instituut in Zürich, maar ontwikkelde tegelijkertijd een grote belangstelling voor de aardwetenschappen. In zijn vrije tijd maakte hij excursies in de bergen van Zwitserland.

In 1830 ging hij medicijnen studeren in Heidelberg, en bekwaamde zich daarnaast met hulp van de bekende geoloog en mineraloog Karl von Leonhard ook verder in de aardwetenschappen. Vervolgens bracht hij nog een semester in München door, en studeerde daar op 23 mei 1832 af als arts. Hij maakte daarna ook in Duitsland excursies, meestal te voet, zoals naar de mijnen van de Harz, en hield altijd nauwkeurig aantekeningen bij van alle waarnemingen die hij deed.

In september 1832 was hij terug in Zürich. Toen reisopdrachten achterwege bleven besloot hij als particulier naar Indië te gaan. Hij haalde het Naturforschende Gesellschaft in Zürich over om financieel bij te dragen aan een door hem te ondernemen reis ter verzameling van natuurhistorische objecten voor wetenschappers en musea.[4] In 1834 ging hij naar Amsterdam. Daar bracht de Zwitserse consul hem in contact met de Leidse hoogleraren Carl Ludwig Blume, Caspar Reinwardt, Philipp von Siebold en Coenraad Temminck, en raadde hem aan niet op eigen kosten naar Indië te gaan maar om te solliciteren naar de functie van officier van gezondheid bij het KNIL. Eenmaal in Indië kon hij dan proberen om als natuuronderzoeker aangesteld te worden. Na in augustus geslaagd te zijn voor het KNIL-examen werd hij in het Koloniaal Werfdepot in Harderwijk geplaatst, in afwachting van uitzending naar Nederlands-Indië.

Nederlands-Indië

Java

Fort Tabanio in Banjarmasin.

Toen hij na lang wachten op 23 maart 1835 naar Indië vertrok had hij dankzij Temminck en Hermann Schlegel al een aanstelling op zak als lid van de Natuurkundige Commissie voor Nederlands-Indië. Op 9 juli kwam hij in Batavia aan. Hij reisde daarna in het gevolg van de gouverneur-generaal Baud over Java. Met een vijftal rijtuigen en honderden begeleiders werden onder meer koffieplantages en zijderupskwekerijen bezocht en werden bezoeken afgelegd aan inheemse regenten. Ook Bauds vrouw en haar zus gingen mee in draagstoelen. Horner ging als veel anderen te paard en beklom diverse vulkanen. Hij schreef naar huis: 'Hätte ich zehn Menschenalter zu leben, gerne gäbe ich neun dafür, um eines in diesem Lande zu verleben. In Europa lebt man nur halb.'[5] Begin 1836 maakte hij een tocht naar het westen van Java op zoek naar steenkool, maar zonder succes. Wel bevrijdde hij er een dorp van een drie meter lange kaaiman die alle eenden opat. Hij schoot het dier een kogel in zijn kop, waarna de dorpelingen hem met lange pieken konden afmaken.

Borneo

Dajaks in Borneo.

In juli ging hij met Pieter Willem Korthals en Salomon Müller, beiden ook lid van de Natuurkundige Commissie, met de schoener Anadijomene naar Banjarmasin aan de zuidkust van Borneo voor zowel wetenschappelijk als commercieel onderzoek, met name naar de aanwezigheid van diamanten en goud in het laagland. In vier maanden tijd moest het zuidoostelijke laagland, de Tanah Laut, en de bovenloop van de Barito rivier onderzocht worden. De drie onderzoekers zouden zich ieder met hun eigen specialisatie bezighouden. Korthals met de botanie, Müller met de zoölogie en Horner met de mineralogie. Ongeveer 30 Javanen gingen mee als jagers, insectenvangers, preparateurs en plantenzoekers. Banjarmasin lag iets stroomopwaarts in de delta van de Barito, maar zelfs de Anadijomene met haar drie masten kon er nog ankeren. Alle huizen stonden er op houten palen, met een trap naar de voordeur en loopbruggen naar de bijgebouwen. Winkels dreven op vlotten en prauwen. Alleen Fort Tabanio stond op vaste grond. Horner reisde in een lange uitgeholde boomstam van de Dajaks via moeilijk bevaarbare riviertjes door het oerwoud naar het binnenland van Borneo om planten, dieren en fossielen te verzamelen. Het maakte de tocht 'tot een van de meest genotvolle ervaringen die men zich kan voorstellen'. Op 16 september, bij de kampong Tabelien, 'een der uiterste zetels van de Dajaksche bevolking', zag hij zich genoodzaakt terug te keren.[6]

Dajak krijger.

In het laagland bezocht hij de 'goudwasscherijen' van de Chinezen, die het goud op een doelmatigere wijze wonnen dan de inheemse bevolking. In plaats van putten groeven zij kanalen die het water uit beken afvoerden naar een kunstmatig reservoir uitgerust met zeven. Een tiende van de opbrengst leverden ze aan het gouvernement. Horner vond behalve goud ook overal korreltjes platina, osmium en iridium. Het platina werd bij de ontginning weggegooid als zijnde kikkerpis (maas kodok). Palladium kon hij nergens ontdekken.

Op 1 oktober was iedereen terug in Banjarmasin. In zijn rapport schreef Horner dat aangezien het platina een kosteloos bijproduct was van de goudwinning, het wellicht zou kunnen concurreren met het platina uit de Oeral.[6]

Horner schreef dat hij als afgezant van het gouvernement overal hartelijk ontvangen werd door de bevolking, die voornamelijk in het laagland leefde en voor het jagen en alle onvoorziene omstandigheden bewapend was met blaaspijpen met vergiftigde pijlen. Naar zijn mening waren de Dayaks 'de mooiste mensen die ik tot nu toe ben tegengekomen, althans de mannen'. Hij kreeg van hen ook vier exemplaren van de orang-oetan. 'Vreemde dieren - ik weet niet of ik ze mensen of apen moet noemen'. In januari 1837 was hij weer terug in Buitenzorg, waar hij zijn geologische collectie op orde bracht voor het nieuwe museum in Batavia. Hij vernam er ook dat hij niet de ontdekker van platina in Borneo was. De resident Hartman had in 1831 al stukjes platina gezonden aan Pierre-Médard Diard.

Sumatra

De Ophir op Sumatra's Westkust.

Begin juni vertrok Horner naar Padang om geologisch en botanisch onderzoek te doen aan de westkust van Sumatra. Een opdracht zonder einddatum, maar Horner ging er vanuit dat ze minstens twee jaar zou duren. Van 8 september tot 2 oktober bezocht hij vanuit Padang samen met de preparateur van de Natuurkundige Commissie B.N. Overdijk de Batoe-eilanden. Hij vond Sumatra in geologisch opzicht erg interessant, en beklom begin februari 1838 de nog actieve vulkaan Merapi.[7] In de krater afdalen was niet mogelijk vanwege de opstijgende aswolken. In juni reisde hij naar het zuiden. Over de mensen die hij daar aantrof was hij aanmerkelijk minder te spreken dan over de Dayaks. Een onvriendelijk volk dat naast politiek bedrijven geen ander genot kende 'dan drie vierde van de dag slapen, kijken naar het gevecht van twee hanen, of met starende ogen de opiumdamp uit zijn pijp inhaleren'. Dit in tegenstelling tot de Javaanse soldaten in de redoutes van het KNIL, die zongen en musiceerden zolang de dienst het toeliet.

Tijdens een excursie naar een goudmijn in Riau beklom Horner op 14 mei 1838 als eerste (voor zover hij wist) de inactieve vulkaan Ophir (Gunung Talamau). Met tientallen dragers, eerst onder leiding van de plaatselijke commandant luitenant Donleben en na diens terugkeer wegens ziekte door de Radja Indah, werd door middel van bivakken in vier dagen de top bereikt. Destijds werd de Ophir beschouwd als de hoogste berg van de Indische archipel, maar volgens Horners metingen was hij weliswaar hoger dan de (nog actieve) vulkaan Marapi, maar lager dan de Singgalang. Vanaf de top had hij tussen opdringende wolkenmassa's door af en toe een vrij uitzicht op het westen en noorden. Tot zijn verrassing vond hij op de top het volledig gave geraamte van een siamang. 'Deze was eigenlijk dus wel de eerst beklimmende Ophir, wat hem wel gedreven zou hebben zoo even tot aan den hoogsten top te klimmen is onbekend. Welligt eene verbannene uit de burgerlijke maatschappij van deze zwarte vierhanden'.[8] Horner liet een document in een lege fles achter met de datum en de namen van alle beklimmers. Op zijn tocht verzamelde hij bijna twintig verschillende soorten lava, wijzend op vele uitbarstingen van de vulkaan door de tijden heen. Ook merkte hij dat zijn gezondheid hem in de steek begon te laten. Per draagstoel moest hij terugkeren naar Padang.

De rede van Padang ca. 1840.

Van Padang ging hij met een prauw en een kruiser van de marine naar Barus, noordelijker aan de kust. Hij was intussen ver gevorderd in het samenstellen van een nieuwe geologische kaart van Sumatra, geholpen door de cartograaf en hydrografisch ingenieur Hendrik Osthoff. In augustus reisde hij naar het land van de Bataks, een 'lui en grof volk', waarvan hij vermoedde dat het gedegenereerd was van een hogere cultuur die nog leek te bestaan op het hoogplateau van het Tobameer. Voordat hij dat kon bereiken werd hij getroffen door koorts als gevolg van malaria en moest hij verder gedragen worden, waarna hij terugkeerde naar de kust. Met een prauw kwam hij in november weer aan in Padang. Daar kreeg hij ook nog dysenterie. Ondanks medische zorg door Osthoff en de arts Georg Kollmann overleed hij op 7 december 1838, slechts 27 jaar oud. Het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië schreef dat ook 'de heer Horner, van wien de wetenschappen zoo veel goeds mogten verwachten, en die in juni 1837 naar Sumatra was vertrokken, in het midden zijner nasporingen weggerukt' was.[8] Ook Osthoff en Kollmann stierven enige tijd later in Padang.

De bioloog Salomon Müller, die ook in die tijd in Sumatra werkzaam was en deels met Horner was opgetrokken, schreef in 1855 het boek Reizen en Onderzoekingen in Sumatra, gedaan op last der Nederlandsche Indische regering, tusschen de jaren 1833 en 1838, door Dr. S. Müller en Dr. L. Horner,[9] dat mede gebaseerd is op Horners aantekeningen.

Publicaties

  • In Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap:
    • Verslag van eene mineralogische reis in de residentie Bantam (1836).[10]
    • Geologische Gesteldheid van den Vulkaan Gedé op Java (1837).[11]
    • Verslag van een geologisch onderzoek van het Zuid-Oostelijk gedeelte van Borneo (1839).[6]
  • In Tijdschrift voor Nederlands-Indië:
    • De beklimming van den berg Ophir door L. Horner, medegedeeld uit eenen brief aan H.L. Osthoff (1839).[8]
    • De Batoe-eilanden ten Westen van Sumatra gelegen.[12]
  • In Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde:
    • Reizen over Sumatra. Uittreksel uit het dagboek van wijlen L. Horner.[13]
  • In Karl von Leonhards Jahrbuch (1838):
    • Beiträge zur Geologie des Indischen Archipels.[14]