Beleg van Zwolle
| Beleg van Zwolle | ||||
|---|---|---|---|---|
| Onderdeel van de Gelderse Oorlogen | ||||
Zwolle door Franz Hogenberg uitgegeven in 1574 | ||||
| Datum | 5 april – 29 april 1524 | |||
| Locatie | Zwolle, Sticht Utrecht, Nederlanden | |||
| Resultaat | Zwolle houdt stand | |||
| Strijdende partijen | ||||
|
| ||||
| Leiders en commandanten | ||||
|
| ||||
Het Beleg van Zwolle vond plaats in april 1524 en was onderdeel van de Gelderse Oorlogen. De hertog van Gelre, Karel, wilde Zwolle heroveren, dat voordien zijn gezag had aanvaard om hulp te krijgen in een oorlog tegen Kampen.
Aanloop
De oorsprong van het conflict tussen Kampen en Zwolle dat uitbrak in 1520, was ontstaan toen in de 15e eeuw[1] en begin 16e eeuw de rivier de IJssel bij Kampen verzandde[2] en daardoor slechter bevaarbaar werd voor schepen.[3] Kampen had sinds begin 15e eeuw het recht om namens de bisschop van Utrecht tol te heffen op schepen die langs de IJsselmonding voeren; de IJsseltol werd daarop een belangrijke inkomstenbron voor de stad.[4] Rond 1480 leidde verzanding van de riviermonding al eens tot problemen voor de scheepvaart.[1] De Kampenaren besloten het Noorderdiep en Zuiderdiep af te dammen om zo het water te dwingen alleen door het Danckers Diep of Rechte Diep te stromen, zodat grote schepen langs de stad konden blijven varen en aanleggen.[5] Zwolle probeerde in 1480 ook een kanaal te graven naar de IJssel, maar uit vrees voor handelsconcurrentie protesteerden Deventer en Kampen hier samen met succes tegen bij de bisschop van Utrecht, die de Zwollenaren verbood het kanaal te graven.[6] Tot eind 15e eeuw lijkt de IJsselmonding bij Kampen nog bevaarbaar genoeg zijn geweest.[6] Toch probeerde Zwolle, als alternatief op het verboden kanaal, sinds eind 15e eeuw het handelsverkeer vanuit Duitsland (met name het prinsbisdom Münster en het hertogdom Westfalen) naar Holland steeds meer om te leiden langs de rivier de Vecht, die ten noorden van Zwolle uitmondde in het Zwarte Water (of Zwartewater), dat naar de Zuiderzee stroomde zonder langs Kampen te komen.[4][3]
Vanaf begin 16e eeuw slibde de IJsselmonding bij Kampen opnieuw langzaam dicht, waardoor handelsschepen zelf ook steeds vaker ervoor kozen om via Vecht en Zwarte Water naar de Zuiderzee te varen en omgekeerd.[4][3] Aangezien de stad Kampen tol hief op schepen die langs de monding van de IJssel voeren, liep zij hierdoor veel inkomsten mis; de Kampenaren besloten daarom te proberen de IJsseltol te heffen op de monding van het Zwarte Water (bij Genemuiden).[2][3] Spanningen liepen op toen de Kampenaren een Zwols schip in beslag nam dat door het Zwarte Water voer en weigerde tol te betalen, waarop Zwolle als tegenmaatregel enkele Kamper burgers die op bezoek waren op de Zwolse markt gevangenzette.[7]
Wat voor Kampen meewoog was dat de stad rond 1515 nog relatief welvarend was, maar door verminderde tolinkomsten, het duur afkopen van muitende soldaten in Twente in 1517 en verstoring van het handelsverkeer op de Zuiderzee door de Gelderse Oorlogen in Friesland en Noord-Holland, verkeerde de IJsselstad rond 1518 in acute geldnood.[8] Dat jaar besloot het stadsbestuur nieuwe belastingen te heffen, wat er mede toe leidde dat ontevreden burgers het bestuur omverwierpen.[8] Het nieuwe bestuur was een familieregering, een "erfraet", die financieel wanbeleid voerde door stadsgelden te verkwisten en verschuldigde renten niet betaalde; de tekorten werden verhaald op de burgers, die nog zwaardere belastingen kregen (waaronder accijnzen op wijn, bier en brouwzaad) en wiens goederen of vrijheden in beslag werden genomen als ze niet konden betalen.[8] In 1519 zonden de Kamper gilden en burgers een brief aan bisschop Filips van Bourgondië-Blaton, waarin zij klaagden over deze stand van zaken.[9] Onder druk van gilden en burgers werd het stadsbestuur in 1520 weer enigszins gedemocratiseerd, hoewel de financiële omstandigheden weinig verbeterden.[10] Zo klaagden datzelfde jaar crediteuren uit Bremen dat ze al vier jaar geen rente hadden ontvangen; in 1523 bleek Kampen voorlopig nog steeds niets te kunnen betalen, laat staan te hebben afbetaald.[4]
Blauwvingers
De twee IJsselsteden legden de zaak voor aan de bisschop.[7] Zwolle beschouwde het Zwarte Water als haar territorium[2] en wenste geen Kamper tol op die rivier.[3] Begin 15e eeuw had de Utrechtse bisschop Frederik van Blankenheim weliswaar Kampen het recht verkocht om de 'bisschopstol' te heffen, maar alleen op de IJssel, terwijl de bisschop zelf het recht van tol had in de vrijheid van Kampen, die zich in de Zuiderzee uitstrekte 'tot vierdehalf el dagelijks water'.[4] Volgens Kampen lag de monding van het Zwarte Water binnen dat tolrechtsgebied, volgens Zwolle niet.[11] Maar toen de Zwollenaren steun vroegen aan hun landsheer, de bisschop van Utrecht, en ook aan de keizer, kozen die allebei de kant van Kampen.[2][3]
Daarop besloten de Zwollenaren in 1520 hertog Karel van Gelre, de vijand van de Utrechtse bisschop, te aanvaarden als hun nieuwe landsheer.[2][3] In juli 1521 werd Karel van Gelre formeel en feestelijk in Zwolle ingehuldigd door haar inwoners.[7] Daarmee pleegden zij meineed (verbreking van de eed van trouw aan de landsheer) ten opzichte van de bisschop van Utrecht. Meinedigen werden destijds ook wel 'blauwvingers' genoemd, wat sindsdien een bijnaam voor Zwollenaren is.[2][3]
Omwenteling in Zwolle
Daarop volgden enkele jaren schermutselingen met de Kampenaren en een verslechterde verstandhouding met de omgeving, omdat de Zwollenaren heulden met de Geldersen in plaats van de bisschop van Utrecht te dienen, waarbij de Zwolse handel stil kwam te liggen en de armoede en honger in de stad toenemen.[2] Vier jaar na hun buren binnen te hebben gehaald, waren de Geldersen niet meer zo geliefd en de steun voor de hertog brokkelde af.[12] De Geldersgezinde stadsraad werd begin 1524 gezuiverd; slechts 5 van de 24 leden behielden hun zetel.[12] De bisschop van Utrecht werd weer erkend als de wettige landsheer, de hertog van Gelre werd vervallen verklaard en Zwolle en Kampen legden hun geschil bij.[12]
Beleg
In een poging zijn macht te herkrijgen rukte Karel aan het hoofd van zijn leger op 4 maart 1524 op naar de stad en hield zijn intrede, waarop de Zwollenaren het valhek van de voorpoort van de Sassenpoort lieten vallen en de hertog gevangennamen. Na onder voorwaarden te zijn vrijgelaten, keerde hij op 5 april terug, om Zwolle te belegeren. Om te voorkomen dat het Gelderse leger zich kon verschansen buiten de stad, liet het stadsbestuur gebouwen buiten de stadsmuur platbranden. Er werden bressen geslagen in de noordelijke muur door 's hertogs geschut[2] en een toren in de westelijke muur werd stukgeschoten. Maar later kwamen Kampener en Deventer soldaten de stad helpen, wat de inname bemoeilijkte. Het werd de hertog duidelijk dat de herovering van Zwolle nog lang kon duren, terwijl hij ook op veel andere plekken in de Nederlanden in strijd was verwikkeld; hij besloot overleg te plegen met de Hanzestad om de vijandelijkheden te staken.
Op 29 april tekenden Karel van Gelre en de Zwollenaren een verklaring dat hun tweedracht door tussenkomst van de andere hoofdsteden van Overijssel voorlopig beëindigd was.
Bronnen
- Berkenvelder, F. C. (1980). Korte geschiedenis van Zwolle. Hoofdstuk 7: Bouwwerken.. Waanders, Zwolle. Gearchiveerd op 16 mei 2008. Geraadpleegd op 12 november 2025.
- Berkenvelder, F. C. (1983). Zwolle als Hanzestad. Waanders, Zwolle. ISBN 978-90-70072-69-8. Geraadpleegd op 12 november 2025.
- Rijpma, Enneus (1924). De ontwikkelingsgang van Kampen tot omstreeks 1600: vooral in de laatste jaren der zestiende eeuw. Universiteit van Amsterdam. Geraadpleegd op 12 november 2025.
- ten Hove, Jan (2005). Geschiedenis van Zwolle. Historisch Centrum Overijssel; Waanders Uitgevers Zwolle, IJsselacademie Kampen. ISBN 90-400-9050-5.
Verwijzingen
- 1 2 Rijpma 1924, p. 45.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 Berkenvelder 1980.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 Berkenvelder 1983, p. 69.
- 1 2 3 4 5 Rijpma 1924, p. 55.
- ↑ Rijpma 1924, pp. 45–46.
- 1 2 Rijpma 1924, p. 46.
- 1 2 3 Rijpma 1924, p. 56.
- 1 2 3 Rijpma 1924, p. 53.
- ↑ Rijpma 1924, pp. 53–54.
- ↑ Rijpma 1924, pp. 54–55.
- ↑ Rijpma 1924, pp. 55–56.
- 1 2 3 ten Hove 2005.