Beerte metten breden voeten

Beerte metten breden voeten
Datering en situering van de tekst1275, Vlaanderen
Datering en situering van het fragmenteind 14e, begin 15e eeuw, West-Middelnederlands
Aantal fragmenten1
Aantal leesbare verzen113
Oorspronkelijk aantal verzen7000 à 9000
Signatuur Koninklijke Bibliotheek BelgiëIV 398,7

Beerte metten breden voeten of Beerte metten breeden voeten is een Middelnederlandse Karelroman, die naar alle waarschijnlijk gedateerd kan worden rond 1300.[1] Van deze Middelnederlandse tekst is slechts een fragment bewaard gebleven. Dit fragment wordt nu bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel.

De gisant van Bertrada van Laon in de Kathedraal van Saint-Denis in Parijs

Het verhaal van Beerte maakt deel uit van de Middelnederlandse ridderromans, met name van de Karelepiek. Dit zijn verhalen rond de historische figuur Karel de Grote. Het hoofdpersonage van Beerte metten breden voeten is Beerte, de latere Frankische koningin Bertrada van Laon. Ze is, volgens het verhaal, de dochter van Floris en Blancefloer, die gaat huwen met Pepijn de Korte, koning der Franken. Later krijgen ze een zoon, die bekend zal worden als Karel de Grote, de eerste keizer van het Heilige Roomse Rijk.

Oorsprong van het verhaal

Het verhaal Beerte metten breden voeten is een  bewerking van een ouder verhaal, dat in de middeleeuwen behoorlijk populair moet zijn geweest. Er zijn meer dan 20 versies in verschillende talen bekend. De oudste bewaarde versie is te vinden in de Chronique saintongeaise van ca. 1225. Daarvoor werd ‘Berte aus grans pies’ al in ca 1160 in Floire et Blanchefleur genoemd als dochter van de hoofdpersonages Floris en Blanchefloer.

Adenet Le Roi, afgebeeld op een 13e eeuwse miniatuur

De Oudfranse bewerking Berte aus grans piés die de Franstalige hofdichter en minstreel Adenet Le Roi in ca. 1275 schreef, is de meest invloedrijke geworden.[1] Dit werk ontstond tijdens zijn verblijf aan het hof van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre. Naar de vorm is het nog een chanson de geste, maar inhoudelijk is deze tekst van Le Roi al veel meer een hoofse roman.[2] Beerte metten breden voeten, de Middelnederlandse tekst, is weer een latere, uitgebreidere bewerking van dit Oudfranse verhaal van Adenet Le Roi.

Korte inhoud

Aangezien van de Middelnederlandse roman enkel één fragment is bewaard, volgt hier de korte inhoud van de tekst van Adenet.

Wanneer Berte met Pepijn de Korte (de vader van Karel de Grote) trouwt, slaagt de moeder van Bertes kamermeisje erin haar eigen dochter te laten doorgaan voor de kersverse echtgenote. Dit is geen moeilijke opgave, omdat de twee meisjes sprekend op elkaar gelijken. Berte wordt verdreven uit haar eigen huwelijk en moet het hof verlaten. Ze trekt het woud in, waar ze opgenomen wordt in het gezin van Simon en Constance als hun pleegdochter. Wanneer Blanceflour (de moeder van Berte) een bezoek brengt aan haar dochter komt het bedrog uit en worden de schuldigen gestraft. Berte blijft echter spoorloos. Uiteindelijk wordt ze ontdekt door Pepin die verdwaald is in het woud.

Het fragment van de Middelnederlandse Beerte neemt ons mee naar het slot van het verhaal.

Pippijn bevindt zich in het huis van Constance en Symoen. Hij ontmoette eerder Beerte per toeval in het bos en heeft het vermoeden dat zij zijn verloren gewaande vrouw is. De pleegouders van Beerte kunnen hem echter geen informatie geven over haar afkomst. Eens terug aan zijn hof, in Le Mans stuurt hij een bode naar de ouders van Beerte met een verzoek om hulp. Floris en Blancefloer, de ouders van Beerte, ontvangen zijn bericht en verlaten Hongarije. In Frankrijk aangekomen, ontmoet het paar Pippijn. Gezamenlijk zet het drietal zijn tocht verder naar Le Mans, waar Symoen ontboden wordt aan het hof. Hij vertelt opnieuw hoe hij Beerte vond, maar nu aan Blancefloer. Hier eindigt het fragment.

Fragment

Van de Middelnederlandse versie van dit verhaal is één fragment overgeleverd,dat sinds 1965 bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek van België onder signatuur IV 398,7. Het betreft een zwaar geschonden perkamenten dubbelblad, dat echter niet fungeerde als binnenste blad van een katern, want de tekst vormt geen aaneengesloten geheel. Het fragment werd ontdekt in of kort voor 1872 door Edmond Vanderstraeten. Het deed dienst als bandbekleding van een register en wordt gedateerd in het laatste kwart van de veertiende of begin vijftiende eeuw. De tekst is geschreven in het Middelnederlands in een littera textualis, waarbij de beginletters van de verzen met rode inkt doorstreept zijn. De tekst is verdeeld in twee kolommen, die elk 50 regels bevatten. Een groot deel van de verzen is echter niet langer leesbaar. De grootte van het integrale Middelnederlandse verhaal wordt geschat op zo’n 7000 à 9000 verzen.

Voortleven in de cultuur

De ganzenhoedster (1909) door de Britse illustrator Arthur Rackham

In de achttiende eeuw schreef de patriottistische Nederlandse toneelschrijver Pieter Pijpers een treurspel Adélaïde van Hongarije (1793). Pijpers liet zich hierbij inspireren door de Franse schrijver Claude-Joseph Dorat (1734-1780), die het verhaal van Beerte bewerkte in drie toneelstukken. Hij herdoopte, evenals later Pijpers, Beerte in Adélaïde.[2]

Het belangrijkste motief in het verhaal van Beerte is de opzijgeschoven bruid. Dit is ook een bekend sprookjesmotief, onder andere in De ganzenhoedster, een volkssprookje dat in de negentiende eeuw werd opgetekend door de gebroeders Grimm.[1]

In Nederland verscheen in 1975 het jeugdboek Huon en de ganzenjonkvrouw. De auteur Alet Schouten vertelt hierin het verhaal van Beerte tegen de achtergrond van de deels nog heidense vroege Middeleeuwen.[2]

Literatuurlijst

Primaire literatuur

Secundaire literatuur

  • BESAMUSCA, BART & ANNELIES VAN GIJSEN, ‘Beerte en Adenet: over een Middelnederlandse Karelroman en zijn Oudfranse bron.’ In: C. De Backer (red.), Cultuurhistorische Caleidoscoop, aangeboden aan Prof. Dr. Willy L. Braekman. Gent, 1992, 39-59.
  • VAN GIJSEN, ANNELIES, ‘Op jacht naar de verdoolde jonkvrouw: over de fictionele genealogie van Margriete van Limborch’, In: Van frictie tot wetenschap. Jaarboek van de Vereniging van Akademie-onderzoekers, Amsterdam, 1992-1993, 43-53.