Baduhenna (oorlogsgodin)

Baduhenna was een Keltische oorlogsgodin, waarvan de naam in een Proto-Germaanse taal is overgenomen. De godin werd vereerd door de Frisii, die woonden in de gebied die we nu Noord-Holland en Friesland noemen. De godin gaf haar naam aan het Baduhennawoud (lucus Baduhennae): een heilig bos – misschien moerasbos, maar vermoedelijk eerder een begroeide hoogte, die waarschijnlijk in Kennemerland was gelegen. Vroeger meende men dat het van om een zuiver Germaanse godin zou gaan.

Het bos Baduhenna wordt genoemd door Tacitus in zijn verslag van de opstand der Frisii in 28 n.Chr. In de Slag bij Baduhenna werd een omvangrijk Romeins contingent vernietigd. In de Annales (IV, 73-74). schrijft Tacitus:

Mox compertum a transfugis nongentos Romanorum apud lucum quem Baduhennae vocant pugna in posterum extracta confectos, et aliam quadringentorum manum occupata Cruptorigis quondam stipendiari villa, postquam proditio metuebatur, mutuis ictibus procubuisse. Clarum inde inter Germanos Frisium nomen, dissimulante Tiberio damna ne cui bellum permitteret.

Naderhand is men van overlopers te weten gekomen dat 900 Romeinen zijn afgemaakt in het bos dat Baduhenna wordt genoemd, nadat zij de strijd tot de volgende dag hadden weten te rekken, en dat 400 van een andere afdeling, die eerst de villa van de voormalige soldaat Cruptorix bezet hielden, elkaar hebben neergestoken omdat ze verraad vreesden. Hierna was onder de Germanen de naam van de Frisii beroemd, terwijl Tiberius de verliezen geheim hield om de oorlog niet aan een ander te hoeven overdragen.[1]

Romeinse auteurs stelden dat de Germanen zich graag terugtrokken in heilige wouden, die haarden van verzet werden. Volgens Tacitus beschouwden ze die heilige plekken als hun tempels.[2]

Naam

De naam van de godin gaat vermoedelijk terug op een Proto-Keltisch woord *bodwō, dat 'strijd' zou betekenen. De Proto-Germaanse vorm is *badwō, Oudnoords bǫð, Oudengels beadu – een wortel die vooral in personennamen voorkomt en die is afgeleid van Proto-Indo-Europees *bʰedʰh₂- ('steken, graven').

Hieraan verbonden is de uitgang -(c)enna of -henna. Deze uitgang werd veelvuldig gebruikt voor Germaans-Keltische moedergodinnen (deae matres of matrones) uit het Rijngebied, aan wie honderden votiefstenen zijn gewijd. Baduhenna was echter geen moedergodin, maar een oorlogsgodin. De naam komt terug bij de Oudierse godin Badb (ook wel Babh Catha), een soort walkure in de gedaante van een bonte kraai, die het slagveld bezocht om de gevallenen naar het hiernamaals te begeleiden. Men sprak over het slagveld ook wel als 'de tuin van Badb'.

Sinds het werk van de 19e-eeuwse taalkundigen Jacob Grimm en Karl Müllenhoff werd de naam Baduhenna als Oudgermaans gezien. Theodor Siebs veronderstelde in 1892 de vorm *Baduhennō, die hij verbond met de stam henne- ('dood, weg van hier'), onder andere in woorden als Nederlands hennekleed ('lijkwade'), Nedersaksisch henneblome en Engels henbane ('bilzekruid'). De naam van de godin zou dan 'zij die doodt in de strijd' betekenen. De woordkundige Günter Neumann (2008) borduurde hierop voort. Hij zag *hennō als een samentrekking uit *hendnō – een afleiding uit de wortel *henþ- 'grijpen, pakken, verkrijgen'. Dat leidde dan tot de verklaring 'zij die verkrijgt in de strijd'. Daarentegen meende de Oostenrijkse germanist Theodor von Grienberger in 1894 dat er sprake was van een verschrijving. De naam van de godin zou *Baduwennō luiden. De uitgang *wennō zou dan zijn afgeleid van het werkwoord *wennaną ‘winnen, overwinnen’, zodat de naam van de godin moet worden uitgelegd als 'zij die verkrijgt in de strijd'. De bekende taalkundige Rudolf Much (1895) en de Nederlander Moritz Schönfeld (1911) volgden deze verklaring.

De keltologen Peter Schrijver en Lauran Toorians spraken het vermoeden uit dat het bij dergelijke godennamen om een Keltisch substraat zou gaan. Grote delen van Midden-Nederland bevonden zich in een overgangszone, waarin de oorspronkelijke Proto-Keltische talen door het Germaans werden omgevormd. Dit werd onderschreven door Corinna Scheungraber (2013, 2016, 2020), die een groot aantal goden- en godinnennamen onderzocht. De oorspronkelijke Keltische naam van de godin moet volgens haar *Boduā- of *Bodu(c)enna ('strijd-godin') hebben geluid.

Patrizia de Benardo Stempel (2019, 2022) komt tot een andere verklaring die uitgaat van bij Proto-Keltische *boudi en Oudiers búaid ('overwinning, zege, oorlogsbuit'). Zij onderzocht alle namen op -(c)enna en stelt dat de oorspronkelijke vorm *Boudugenā ‘dochter van de overwinning’ moet zijn geweest, die zich via *Bōduɣéna tot de hybride vorm *Baduchénna ontwikkelde.

Scheungraber (2020) volgt deze suggestie deels, maar houdt vast aan het basiswoord*bodwō 'kraai, strijd'. Op grond daarvan spreekt ze het vermoeden uit dat de oorspronkelijke vorm *Bodugenā moet zijn geweest, dat is 'geboren in vorm van een kraai' oftewel 'geboren als strijder’. Dat sluit aan bij Gallische personennamen als Boduogenus en Boduognatos.

Het basiswoord *bodwā keert tevens terug bij de Gallische strijdgodin Cathubodua ('strijd-kraai', 'strijd-vechter' of wellicht: 'ultieme strijder'). Dit wordt weerspiegeld in de aanduiding van de godin Babh als Babh Catha. Een soortgelijke combinatie is te vinden in de naam van prinses Beaduhild uit het Oudengelse gedicht Deor, in Noorse sagen Böðvildr ('strijd-vechter') genoemd.

Bouduna

Oppervlakkig verwant is de Keltische godinnennaam *Bóuduna, die teruggaan tot het Proto-Keltische *boudi, Oudiers búaid, Proto-Germaans *baudi, in de betekenis van 'overwinning, zege, oorlogsbuit'. Tot deze woordfamilie behoren tevens het Middelnederduitse bute (‘wat te verdelen is, ruil’) en de veronderstelde Oudnederlandse vorm*būti ('het veroverde'), waaruit weer het Nederlandse buit en het Engels booty ('buit') zijn ontstaan. Ook de naam van de Britse koningin Boudica ('zij die de overwinning behaalt') bevat dit woord. De veronderstelde herkomst van het woord *boudi of *baudi is vermoedelijk anders dan bij Baduhenna, namelijk uit Proto-Indo-Europees *gʷeh₁w- ('vermeerderen, toenemen').

De vorm Bouduna (Boudunna, Bouden(u)a, Boudina) is meermalen gedocumenteerd. De meervoudsvorm Boudunneae (met de hypercorrecte Keltisch-Germaanse mengvorm Boudunneihae) komt tevens voor op een votiefsteen gewijd aan een drietal moedergodinnen of Matronae Boudunn[eae], die werd gevonden in Keulen. Deze namen wekken de suggestie dat het om overwinningsgodinnen gaat.

Baudihillia

Baudihillia was een Germaanse godin die samen met Friagibis ('de vrijgevige') wordt genoemd op een votiefsteen bij de Muur van Hadrianus in Noord-Engeland. Ze was een van de vier Alaisiagae ('alom geëerden' of 'alom gevreesden'), die door hulptroepen uit Frisia en Twente werden vereerd. De steen kwam in 1920 aan het licht. De Noord-Duitse oudgermanist Theodor Siebs (1922) dacht bij Baudihillia aan de Proto-Germaanse wortel *budą ('gebieden, aanbieden'). De uitgang -hillia is afgeleid van *hildiz- ('strijd'). zodat het om de 'gebiedster van de strijd' zou gaan. Andere taalkundigen meenden – in navolging van de Oostenrijkse taalkundige Rudolf Much (1928) en diens collega Siegfried Gutenbrunner – dat het eerste deel (net als bij Baduhenna) was ontleend aan het Proto-Keltische *bowdi-, Proto-Germaans *baudi- 'overwinning'. De betekenis is dan de 'zegenrijk'. De bekende oudgermanist Jan de Vries (1957/1970) vond beide verklaringen tekort schieten. Taalkundige Corinna Scheungraber (2020) spreekt eveneens haar twijfel uit, meent niettemin dat het eerste deel van de naam wel degelijk terug moet gaan op het Keltische *bowdi- ('overwinning'). De vorm is echter – vanwege de uitgang op -hillia – ontegenzeggelijk Germaans.[3]

Ook de rol van de Alaisigae is onzeker: de ene wetenschappelijke school (waaronder Siebs, Gutenbrunner en Hilda Ellis Davidson) huldigt de opvatting dat het om krijgsgodinnen of walkuren gaat. De andere school (die vooral in Duitsland wordt aangehangen) denkt dat het eerder Friese godinnen van het recht betreft. Recent onderzoek suggereert dat het vooral oermoeders uit een vooroudercultus betrof.[4]

Woud van Baduhenna

Vanaf het moment dat de tekst van Tacitus in de 16e eeuw werd herontdekt, ging men op zoek naar de locatie van het heilige bos, waar de Slag bij Baduhenna zou hebben plaatsgevonden. In de Latijnse tekst ging het om een lucus, eigenlijk meer een parkachtig landschap of open plek in een bosgebied. Volgens vroegmodere geleerden zou het echter dat het om een heilig 'woud' moeten gaan. Bij afwezigheid van archeologische vondsten zocht men het vooral in oppervlakkige naamsovereenkomsten, met name in het huidige Friesland. Dit was vooral gebaseerd op de veronderstellung dat het Romeinse Castellum Flevum zich in de monding van het Vlie, dus in de omgeving van Terschelling zou hebben bevonden. De Friese staatsraad Joachim Hopperus ontwierp een kaart van Friesland in de Romeinse tijd, die in 1579 door Abraham Ortelius werd gepubliceerd. Het Lucus Badunennæ kreeg daar een plek in de omgeving van Coevorden, samen met het hunebed Duvelskut bij Gasteren.

De geleerde Philipp Clüver schreef daarover in 1611:

Ik vermoed dat dit heilige bos van Baduhenna zich in dezelfde regio bevond waar nu het grootste bos van Friesland ligt, Seven Wolden. De locatie en afstand kloppen grotendeels, al heb ik geen doorslaggevend bewijs om dit te onderbouwen. Hetzelfde geldt voor het landgoed van Cruptorix. Op basis van de tekst vermoed ik het volgende: de veldslag tussen de Romeinen en Frisii vond plaats in het gebied tussen Leeuwarden en Sneek, waar veel Romeinen werden gedood. De overgebleven Romeinse soldaten vochten de volgende dag verder, waarbij de overmacht steeds wisselde, totdat er uiteindelijk 900 Romeinen bij het bos sneuvelden. Nog eens 400 Romeinen, die waren ontsnapt, namen bezit van het landgoed van Cruptorix, die vlakbij lag. Daar werden ze gedwongen elkaar te doden, uit angst voor verraad. Dit is wat er uit de tekst kan worden afgeleid over deze twee locaties. Ortelius, geleid door een woordassociatie van de naam, heeft de villa Cruptoricis opgevat als een dorp, thans in de volksmond Crapswolde genoemd, niet ver van Groningen.[5]

Zo situeerde men het in Oldeholtpade ('oud bos van Badu'), Beetgum (Baduheim) of Baarderadeel.

Velsen

In de tachtiger jaren van de twintigste eeuw werd in de buurt van Velsen een Romeins fort opgegraven dat blijkens muntvondsten en koolstofdatering in het jaar 28 verwoest was. Algemeen wordt aangenomen dat dit het Castellum Flevum was en dat het woud van Baduhenna er niet ver vandaan moet hebben gelegen, mogelijk in Velserbroek, waar zich al in voor-Romeinse tijd een offerplaats in de open lucht moet hebben bevonden (maar zeker geen 'woud'), dan wel in Bakkum, Heiloo of Castricum. De naam Heiloo is afgeleid van hei = heilig en -lo 'bos, eigenlijk: 'open plek in bos' (hoewel *hei- net zo goed geassocieerd kan worden met '(zand-/duin-) helling'). Castricum dat kan zijn afgeleid van *Kastrik-hem, dat is 'hoeve van Kastrik', een vroegmiddeleeuwse eigennaam (maar niet van het Latijnse castrum).

Zie ook

Bronnen

  • Tacitus, Annales, Boek IV, par. 73 (en)

Literatuur