Auxiliary Territorial Service
| Auxiliary Territorial Service (ATS) | ||
|---|---|---|
![]() | ||
Recruteringsposter ATS | ||
| Oprichting | 9 september 1938 | |
| Ontbinding | 1 februari 1949 | |
| Land | ||
| Onderdeel van | Britse leger | |
| Aantal | 190.000 | |
| Veldslagen | Tweede Wereldoorlog | |
De Auxiliary Territorial Service (ATS) was de vrouwenafdeling van het Britse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze werd opgericht op 9 september 1938, aanvankelijk als een vrijwilligersdienst voor vrouwen, en bestond tot 1 februari 1949, toen ze werd samengevoegd met het Women's Royal Army Corps.
Geschiedenis
De ATS vond haar oorsprong in het Women's Auxiliary Army Corps (WAAC), dat in 1917 werd opgericht als een vrijwilligersdienst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vervulden de leden diverse functies, waaronder klerken, koks, telefonisten en serveersters. Het WAAC werd na vier jaar, in 1921, ontbonden.
Voor de Tweede Wereldoorlog besloot de regering een nieuw korps voor vrouwen op te richten. Er werd een adviesraad ingesteld, bestaande uit leden van het Territorial Army (TA), het First Aid Nursing Yeomanry (FANY) en het Women's Legion. De raad besloot dat het ATS zou worden toegevoegd aan het Territorial Army en dat de vrouwen die dienden twee derde van het salaris van mannelijke soldaten zouden ontvangen.
Alle vrouwen in het leger sloten zich aan bij het ATS, met uitzondering van verpleegsters, die zich aansloten bij de Queen Alexandra's Imperial Military Nursing Service (QAIMNS), medische en tandheelkundige officieren, die rechtstreeks in het leger werden aangesteld en een militaire rang bekleedden, en degenen die in de FANY bleven, bekend als de Free FANYs.
Tweede Wereldoorlog
De eerste rekruten van de ATS werden ingezet als koks, klerken en magazijnmedewerkers. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren 300 ATS-leden in Frankrijk gelegerd. Terwijl het Duitse leger door Frankrijk oprukte, werd het Britse Expeditieleger teruggedreven richting het Kanaal. Dit leidde tot de evacuatie van troepen uit Duinkerken in mei 1940, en enkele ATS-telefonisten behoorden tot de laatste Britse militairen die het land verlieten.
Naarmate meer mannen zich bij de oorlogsinspanningen aansloten, werd besloten de omvang van de ATS te vergroten, waardoor het aantal leden in september 1941 opliep tot 65.000. Vrouwen tussen de 17 en 43 jaar mochten zich aanmelden, hoewel deze regels werden versoepeld om WAAC-veteranen tot 50 jaar toe te laten. De taken van de leden werden ook uitgebreid, met ATS-medewerkers als ordonnansen, chauffeurs, postbodes en munitie-inspecteurs.
Gedurende de zes jaar van de oorlog werden ongeveer 500 ATS-medewerkers opgeleid om de kinetheodoliet te bedienen. Het hoogste aantal werd bereikt in 1943-1944, toen 305 ATS-medewerkers actief in dienst waren en deze apparatuur gebruikten. Een van de toepassingen van deze specialistische camera was bij schietoefeningen. Twee kinetheodolieten, op een bepaalde afstand van elkaar, filmden de inslagen van granaten van luchtdoelartillerie op, door een vliegtuig getrokken, doeldrones. Door de gefilmde locatie van de granaatontploffing te vergelijken met die van het doel, konden nauwkeurige berekeningen van hun relatieve positie worden gemaakt, waardoor eventuele systematische fouten in de vizieren aan het licht kwamen.
In december 1941 nam het parlement de "National Service Act" aan, die ongehuwde vrouwen tussen de 20 en 30 jaar opriep om zich aan te sluiten bij een van de hulpdiensten. Dit waren de ATS (Auxiliary Territorial Service), de Women's Royal Naval Service (WRNS), de Women's Auxiliary Air Force (WAAF) en de Women's Transport Service. Later werden ook gehuwde vrouwen opgeroepen, hoewel zwangere vrouwen en vrouwen met jonge kinderen hiervan waren vrijgesteld. Andere opties onder de wet waren onder meer deelname aan de Women's Voluntary Service (WVS), die de hulpdiensten thuis aanvulde, of de Women's Land Army, die hielp op boerderijen. De wet voorzag ook in de mogelijkheid om op morele gronden bezwaar te maken tegen militaire dienst, aangezien ongeveer een derde van de gewetensbezwaardes vrouwen waren. Een aantal vrouwen werd als gevolg van de wet vervolgd, sommigen werden zelfs gevangengezet. Desondanks nam in 1943 ongeveer negen op de tien vrouwen actief deel aan de oorlogsinspanningen.
Vrouwen mochten niet in de strijd dienen, maar door het tekort aan mannen namen leden van de ATS, evenals leden van andere vrouwelijke vrijwilligersdiensten, veel ondersteunende taken op zich, zoals radaroperators, bemanningen van luchtdoelkanonnen en militaire politie. Deze rollen waren echter niet zonder risico, en volgens het Imperial War Museum vielen er 717 vrouwelijke slachtoffers tijdens de Tweede Wereldoorlog. De eerste vrouw die sneuvelde in actie tijdens haar dienst bij de ATS was soldaat Nora Caveney. Ze stierf terwijl ze een radar bediende op een luchtdoelbasis nabij Weston Shore, Southampton.[1]
De eerste 'gemengde' zware luchtdoelbatterij (Heavy Anti-Aircraft of HAA) van de Royal Artillery (435 (Mixed) HAA Battery) werd op 25 juni 1941 opgericht en nam in augustus een operationele geschutsopstelling in Richmond Park, in het zuidwesten van Londen, in gebruik. Het was de voorloper van honderden soortgelijke eenheden, waarbij de ATS tweederde van het personeel leverde. Op zijn hoogtepunt in 1943 bestond driekwart van de HAA-batterijen van het Anti-Aircraft Command uit gemengde eenheden. Verschillende zware luchtdoelregimenten die in 1944-1945 met de 21e Legergroep naar Noordwest-Europa werden uitgezonden, waren 'gemengde' regimenten.
Een geheime test (het "Newark-experiment" in april 1941) had aangetoond dat vrouwen in staat waren zware zoeklichtapparatuur te bedienen en te werken onder de vaak desolate omstandigheden op de zoeklichtlocaties. Leden van de ATS begonnen daarom in Rhyl te trainen om mannelijk personeel in de zoeklichtregimenten te vervangen. Aanvankelijk werden ze ingezet bij de hoofdkwartieren van de zoeklichttroepen, maar in juli 1942 werd het 26e (London Electrical Engineers) Searchlight Regiment van de Royal Artillery het eerste 'gemengde' regiment, met zeven ATS-vrouwentroepen die eraan werden toegewezen. Zij vormden de volledige 301e Batterij en de helft van de 339e Batterij. In oktober van dat jaar werd de volledig vrouwelijke 301e Batterij overgeplaatst naar het nieuwe 93e (Gemengde) Zoeklichtregiment, het laatste zoeklichtregiment dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd opgericht. In augustus 1943 bestond dit regiment uit ongeveer 1500 vrouwen, van een totaal van 1674. Veel andere zoeklicht- en luchtafweerregimenten in het kader van de thuisverdediging volgden, waardoor mannen onder de 30 jaar met medische categorie A1 konden worden overgeplaatst naar de infanterie.
Op dezelfde manier vertegenwoordigde de ATS in 1943 tien procent van het Royal Corps of Signals, nadat het het grootste deel van de taken van de signaaldienst en de operationele taken in het War Office en Home Commands had overgenomen, en ATS-compagnieën werden uitgezonden om te werken aan de communicatielijnen van actieve overzeese gebieden.
Tegen de tijd van de overwinning op Duitsland (VE Day) en voor de demobilisatie van de Britse strijdkrachten waren er meer dan 190.000 leden van de Auxiliary Territorial Service.
Bekende leden van de ATS waren onder andere Mary Churchill, de jongste dochter van premier Winston Churchill, en prinses Elizabeth, later koningin Elizabeth II, de oudste dochter van de koning, die een opleiding tot vrachtwagenchauffeur, ambulancechauffeur en monteur volgde.[2] Actrice en zangeres Nadia Cattouse was een Caribisch lid van de Auxiliary Territorial Service.[3]
Vrijwilligers uit het Land van Israël
De Joodse gemeenschap in Israël zag zichzelf als onderdeel van de strijd tegen de nazi's, en de oproep aan vrouwen om te dienen en zich aan te melden, net zoals veel mannen zich hadden aangemeld, klonk vanaf het begin van de oorlog, ondanks tegenstand van religieuze groeperingen.
Midden 1941 benaderden zionistische vrouwenorganisaties, waaronder vertegenwoordigers van WIZO, de Working Women's Council (het huidige Na'amat) en Hadassah, de Britten met het verzoek om de ATS open te stellen voor Joodse vrijwilligers uit wat het Land van Israël werd genoemd. Een van de centrale figuren in dit initiatief was Hadassah Samuel, schoondochter van de Hoge Commissaris Herbert Samuel. Het Joodse Agentschap sloot zich bij dit verzoek aan. In oktober 1941 kwam het antwoord dat er 5000 vrouwen gerekruteerd konden worden, waarvan 2000 direct. Het Joodse Agentschap stelde als voorwaarde dat de vrouwen zouden worden ingedeeld in Hebreeuwse, georganiseerde eenheden, een verzoek dat slechts gedeeltelijk werd ingewilligd. Er werd ook bepaald dat ze een speciaal insigne zouden ontvangen en dat Hebreeuws als tweede officiële taal onder de rekruten zou worden gebruikt.
In december 1941 werd de officiële oproep aan vrouwen om zich aan te melden gepubliceerd, en in januari 1942 werd de eerste groep van 60 vrouwen gerekruteerd. Zij waren voorbestemd om officier of onderofficier te worden en kregen een opleiding in het trainingskamp Sarafand. Er werd een Hebreeuws volkslied gecomponeerd voor de rekruten.
Na de eerste wervingsrondes werd duidelijk dat, om het doel van Hebreeuwse vrouwencompagnieën te bereiken, het wervingstempo moest worden opgevoerd. In juni 1942 kondigden de nationale instellingen verplichte dienstplicht aan voor alle vrouwen tussen de 20 en 30 jaar zonder kinderen. Vanwege verzet vanuit religieuze kringen tegen de dienstplicht van vrouwen leidde dit bevel niet tot een volledige werving in de gelederen van de ATS. De wervingsinspanningen omvatten een campagne met vrachtwagens, bestuurd door vrouwen van de ATS die in juni 1942 een rijopleiding hadden gevolgd, en een grote parade in Jeruzalem op 9 september 1943. Om de Arabieren niet te provoceren, beschreef de Britse censuur de eenheid als bestaande uit vrouwen uit Polen, Tsjecho-Slowakije en Duitsland, hoewel de overgrote meerderheid van de vrouwen Joodse immigranten in het Britse Mandaatgebied Palestina waren.
Ondanks de wens om Hebreeuwse ATS-compagnieën op te richten, werden er slechts enkele gevormd en werden de meeste vrouwen verspreid over verschillende ATS-eenheden in het Midden-Oosten. In totaal dienden ongeveer 3500 vrouwen uit het Land van Israël in de ATS tijdens de oorlog, naast 700 vrouwen die in de WAAF dienden. Onder de vrouwen waren 50 officieren, en een officier, Rachel Maklef-Mazor, bereikte de rang van "Senior Commander", wat gelijkwaardig is aan de rang van majoor in het Israëlisch defensieleger. De vrouwelijke soldaten dienden als chauffeurs, verpleegsters, administratief medewerkers en in de munitievoorziening. Tijdens de Tweede Slag bij El Alamein vervoerden Joodse ATS-chauffeurs soldaten en munitie naar de frontlinie.
Met de oprichting van het Israëlisch defensieleger (IDF) tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog werden veel ATS-veteranen in commandoposten opgenomen. Onder de veteranen van de ATS die commandoposten in het IDF bekleedden, bevonden zich Hanna Levin, die in de ATS diende als officier voor dienstomstandigheden met de rang van luitenant, later hoofd rekruteringsofficier van het IDF werd met de rang van majoor en na haar ontslag burgemeester van Risjon Letsion werd. Evenals Esther Herlitz die later lid werd van de Knesset en Stella Levy, die later hoofd vrouwenzaken van het IDF en eveneens lid van de Knesset werd.
Na de oorlog
Na het einde van de vijandelijkheden bleven vrouwen dienen in de ATS, evenals in de WRNS en WAAF. Het korps werd opgevolgd door het Women's Royal Army Corps (WRAC), dat op 1 februari 1949 werd opgericht.
Fotogalerij
ATS-monument in het National Memorial Arboretum
Twee leden van een ATS-zoeklichteenheid
Vrouwen van de ATS werken aan een Churchill-tank, oktober 1942
Twee leden van de ATS bedienen een projector in het velddepot in Aldershot in 1941
Prinses Elizabeth in haar ATS-uniform voor een legerambulance
Mary Churchill, in haar ATS-uniform, in gezelschap van haar vader, premier Winston Churchill- Soldaten van het Vrouwenhulpkorps marcheren in Jeruzalem, september 1943
ATS-cursisten krijgen van hun instructeur uitleg over verschillende onderdelen van een motor, 1941
Prinses Elizabeth (midden) met officieren van het ATS-trainingscentrum
ATS-wervingsposter uit het Mandaatgebied Palestina, in het Engels en Hebreeuws
Film
De film The Gentle Sex uit 1943 is een gedramatiseerde documentaire die de ervaringen van zeven ATS-rekruten weergeeft. De film, geregisseerd door Leslie Howard, werd beschreven als een "morele opkikker en als een wervingsadvertentie" voor de dienst.[4]
Zie ook
- First Aid Nursing Yeomanry, Brits vrouwelijk hulpverleningskorps
- Queen Alexandra's Royal Naval Nursing Service, de militaire verpleegsters en verplegers
- Women's Royal Naval Service, de vrouwen van de Britse marine
- Women's Royal Air Force, de vrouwen van de Britse luchtmacht
- Women's Auxiliary Air Force, de vrouwen van de Britse luchtmacht (Tweede Wereldoorlog)
Externe link
- (en) A.T.S. Remembered
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Auxiliary Territorial Service op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- (en) Auxiliary Territorial Service, National Army Museum
- (en) Cataloguing Women’s Auxiliary Territorial Service records from the Second World War, The National Archives, Rosie Boutflower, 6 oktober 2025
- ↑ (en) Nora Caveney: The First ATS Woman Killed in Action. New Forest & Hampshire Wartime Association (10 april 2025). Geraadpleegd op 19 december 2025.
- ↑ (en) Our Queen at War: Princess Elizabeth’s role in the British armed forces during the Second World War. The Independent (22 april 2020). Geraadpleegd op 19 december 2025.
- ↑ (en) Nadia Cattouse, wartime ATS volunteer who faced racism and became a ‘giant of the folk-song revival’. The Telegraph (4 november 2024). Geraadpleegd op 19 december 2025.
- ↑ (en) The Gentle Sex (1943). BFI screenonline. Geraadpleegd op 19 december 2025.
