Artikel 113 van de Belgische Grondwet

Artikel 113 van de Belgische Grondwet
Artikel 113 van de Belgische Grondwet
Artikel
Voor coördinatie Art. 75 GW
Na coördinatie Art. 113 GW
Titel III. De Machten
Hoofdstuk III De Koning en de Federale Regering
Status Geldend
Invoering
Datum 7 februari 1831
Ingevoerd door Nationaal Congres
Herzieningen
Datum 5 mei 1993
Portaal  Portaalicoon   Mens & maatschappij

Artikel 113 van de Belgische grondwet is het grondwetsartikel dat aan de koning het recht toekent adellijke titels te verlenen, maar hier geen voorrechten mag aan verbinden. Dit moet gezien worden als een gunst die enkel wordt verleend aan fysieke personen met de Belgische nationaliteit.[1]

Tekst

De Koning heeft het recht adeldom te verlenen, zonder ooit enig voorrecht daaraan te mogen verbinden. — Artikel 113 van de Belgische Grondwet.

Commentaar

Het toekennen van dit recht werd reeds geregeld met artikel 75 in de grondwet die werd aangenomen op 7 februari 1831.[2] Na de coördinatie van de grondwet in 1994 kreeg deze bepaling nummer 113 toegewezen.[3]

Het verlenen van een adellijke titel gebeurt aan de hand van een koninklijk besluit. De bevoegdheid tot het verlenen van een adellijke titel werd toebedeeld aan De Raad van Adel onder bevoegdheid van de Minister van Buitenlandse Zaken.

De mogelijke titels die kunnen worden verleend zijn; jonkheer, jonkvrouw, ridder, baron, barones, burggraaf, burggravin, graaf, gravin, markies, markiezin, hertog, hertogin, prins en prinses.[1]

Traditioneel verschijnt rond de Belgische nationale feestdag een lijst in het Belgisch Staatsblad met verdienstelijke Belgen die een adellijke titel ontvangen.[4] Zij worden daarnaast uitgenodigd op het Koninklijk Paleis om hun adellijke titel met een ceremonie in ontvangst te nemen van de koning.[5]