Allerheiligenvloed (1170)

Allerheiligenvloed
Allerheiligenvloed
Jaar 1170
Datum 1 - 2 november
Regio Noordwest-Nederland

De Allerheiligenvloed in de nacht van 1 (Allerheiligen) op 2 november in 1170 was een grote stormvloed die de Noordzee tussen het huidige Huisduinen en Texel door de duinenrij brak. Deze overstroming en de daaropvolgend Sint-Nicolaasvloed van 1196, markeerden een begin van het vergroten van het Almere en het openen naar de Noordzee, zodat de Zuiderzee en de Waddenzee uiteindelijk konden ontstaan.[1]

De Annales Egmundenses vormen de enige bekende bron die verslag doet van de overstroming in Kennemerland in 1170. De stormvloed trof het gebied volkomen onverwacht, met als gevolg dat het vee verdronk en de bewoners hun toevlucht moesten zoeken op de balken van hun woningen. Zonder de hulp van schepen, waarschijnlijk uit Diemen, om de drenkelingen te redden, zouden er nog meer slachtoffers zijn gevallen.[2][3] Volgens de Annalen stuwde het zeewater op tot aan de muren van de stad Utrecht. Er zou daar een zeevis (een wijting) zijn gevangen.[2][3][4]

Twee factoren waren bij de zeevergroting van belang: de eerste was de zeespiegelstijging, de tweede was de aanwezigheid van grote veengebieden. Door de grote aanvallen van de zee werd het veen afgeslagen en verdween het in de golven.

Gevolgen

De beek Marsdiep tussen het huidige Den Helder en Texel kreeg een verbinding met de Noordzee en werd een zeegat. Het Kreilerwoud, een veenbos tussen Stavoren en Enkhuizen, werd weggeslagen waardoor een belangrijke drempel tussen het Almere en de Wadden en dus ook naar de Noordzee verdween.[5] Volgens Worp van Thabor zouden Texel en Wieringen bij deze vloed tevens eilanden zijn geworden, hoewel andere bronnen suggereren dat Texel omstreeks 900 al een eiland was.[6]

Het lijkt erop dat deze overstroming ook Rotta, de voorganger van Rotterdam heeft getroffen. Na 1170 lijkt deze nederzetting grotendeels te zijn verdwenen onder een dikke laag klei.[7] Vermoed wordt dat door de Allerheiligenvloed de waterstand in het Almere – de latere Zuiderzee – lager werd door de ontstane opening naar de Noordzee. Dit zou onder meer tot gevolg hebben dat de waterafvoer voor de stad Utrecht verbeterde doordat de rivier de Utrechtse Vecht, die op het Almere uitmondde, beter zijn water kwijt kon.[4]

Ook de monding van de Amstel werd droger, waardoor de rivier weer ging stromen en het mogelijk werd om via het IJ, dat door de overstromingen van een ondiepe rivier in een breed estuarium was veranderd, andere delen van Nederland te bereiken. Het gebied kreeg een open verbinding met de zee. De oevers van de Amstel werden droog genoeg om te bebouwen, terwijl voorheen het slecht gedraineerde veengebied menselijke bewoning in het gebied vrijwel onmogelijk maakte. Uiteindelijk ontstond Amsterdam op een kruispunt van waterwegen dat handelaren uit de Hanzesteden aantrok. Dit werd uiteindelijk bestendigd door de bouw van een dam in de Amstel tussen 1264 en 1275, vandaar de naam Amestelledamme, ‘bij de dam in de Amstel’, wat Amsterdam werd.[1][8][9][10]

Zie ook