Zeeuwse en Vlaamse schuurgroep

Deze boerderijtypes komen voor in een groot deel van Zuid-Nederland, met inbegrip van de Zuid-Hollandse eilanden en in aangrenzene delen van België. De boerderijen in deze gebieden werden door de Nederlandse onderzoeker Rob Hekker in de jaren 1950 verdeeld in twee groepen, het Zeeuwse schuurtype en het Vlaamse schuurtype.[1]

De boerderijen zijn vooral te herkennen aan de enorme grote en hoge schuren, die oorspronkelijk vaak tegen de woning aan werden gebouwd, maar daar constructief los van stonden. Later werden de schuren ook los van de woning gebouwd.

Zeeuwse schuurtype

Deze boerderijen komen voor in de gehele provincie Zeeland en een deel van de Zuid-Hollandse eilanden, verder in de Scheldepolders bij Antwerpen waar men over polderschuren spreekt. De schuren hebben allen een dwarsdeel met deeldeuren in de zijgevel.

De (verdwenen) Schouwse stolp wordt tegenwoordig tot het type van de stolpboerderijen gerekend en in verband gebracht met immigranten uit Noord-Holland.[2]

Vlaamse schuurtype

Dit type – in België gewoonlijk de Kempische schuur genoemd – komt onder andere voor in Noord-Brabant en de Belgische Kempen, –verder op de Zuid-Hollandse eilanden en in delen van Limburg. Deze boerderijen hebben een bedrijfsruimte met een langsdeel in plaats van een dwarsdeel, waarbij de deeldeuren zich in de voor- en achtergevel bevinden.

Verwant hieraan zijn de driebeukige schuren in Vlaams- en Waals-Brabant en in Henegouwen. Ook de zogenoemde bergschuren in de West-Vlaamse polders hebben een dergelijke indeling.

In de Scheldepolders bij Antwerpen komen behalve Zeeuwse ook Vlaamse polderschuren voor.