Wieberen

Wieberen is een via het Jiddisch aan het Bargoens ontleend woord, dat vooral in het Amsterdams dialect voorkomt maar ook elders in Nederland regelmatig wordt gebezigd.

De betekenis (volkstaal) is ‘weggaan, ophoepelen, opzouten, oprotten’, of ‘ontslagen worden’. Het Bargoens was de geheimtaal van dieven, landlopers en rondtrekkende handelaren en heeft veel aan de Jiddische taal ontleend. Wieberen is afgeleid van het Bargoense woord ‘wieberig’ in de uitdrukking ‘wieberig gaan’ (vluchten). En ‘wieberig’ is op zijn beurt weer afgeleid van het Jiddische woord ‘vejiverech’ (ועייִבערעח), uit het Hebreeuwse 'vajivrach' (וַיִּבְרַח, 'en hij vluchtte').

De kreet '‘ga wieberen'’ is een iets minder vulgaire variant op '‘rot op'’, en wordt door veel jongeren gebruikt. De herkomst is dus terug te voeren tot de Bijbel .[1] De Bargoense betekenis van wieberen wordt alleen gebruikt als iemand zelf weggaat vanwege een gemaakte fout. Een ander kan het diegene dus niet bevelen.

Zoek wieberen op in het WikiWoordenboek.