Watercipres

Watercipres
IUCN-status: Bedreigd[1] (2010)
Watercipres
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Naaktzadigen
Orde:Coniferales
Familie:Cupressaceae (Cipresfamilie)
Onderfamilie:Sequoioideae
Geslacht:Metasequoia
Soort
Metasequoia glyptostroboides
Hu & W.C.Weng (1948)
Watercipres
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Watercipres op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De watercipres of Chinese mammoetboom (Metasequoia glyptostroboides) is wereldwijd bekend als voorbeeld van een levend fossiel, en als zodanig te vinden in veel arboreta en botanische tuinen.

Het is een bladverliezende naaldboom die tegenwoordig meestal ingedeeld wordt in de cipresfamilie (Cupressaceae). Eerder, toen de Taxodiaceae nog erkend werden als aparte familie, werd ze daarbij ingedeeld.

Ontdekking

De soort werd begin jaren veertig ontdekt, maar door de omstandigheden (Tweede Wereldoorlog) pas later algemeen bekend. Hoewel de plantkunde in China nog enigszins in de kinderschoenen stond gebeurde de ontdekking en beschrijving door Chinezen. De tegenwoordige bekendheid is echter voor een groot deel te danken aan twee Amerikanen:

  • Prof. Merrill, toen het hoofd van het Arnold Arboretum, die $250 beschikbaar stelde om zaad te gaan verzamelen en naar Amerika te sturen. Dit zaad werd toen uitgewisseld met arboreta overal ter wereld (de boom is tegenwoordig heel vaak aanwezig in arboreta en botanische tuinen). Toen Merrill in 1948 in Nederland een conferentie bezocht (over botanische nomenclatuur) bracht hij zaad mee. Veel van de oudste bomen in Nederland stammen van dat zaad[2].
  • Prof. Chaney, een paleobotanicus, die na het bekend worden van het nieuws de betreffende valei in China bezocht (toen nog een apart ecosteem), en daarna de Chinese centrale regering ervan overtuigde dat het hier om iets bijzonders ging. Dit leidde ertoe dat de bomen in deze valei beschermd werden (de rest van het ecosysteem niet). Ook is de boom veelvuldig aangeplant in China als zijnde een Chinees icoon.

Verspreiding en habitat

De soort kwam voor de laatste ijstijd vrij algemeen voor in Oost-Azië (Japan, Korea en China). In het Tertiair kwam het geslacht Metasequoia algemeen voor op het noordelijk halfrond zoals fossielen aantonen. Nu is de boom alleen nog in het wild te vinden in kleine overblijfselen in het district Shizhu in het oosten van Sichuan, in het district Lichuan in het westen van Hubei en in de districten Longshan en Sangzhi in het noordwesten van Hunan in Centraal-China.

De watercypres is een snelgroeiende boomsoort van het warm-vochtige klimaat en groeit in soortenrijke gemengde bossen in vochtige, niet-schaduwrijke berggebieden op hoogtes tussen 750 en 1500 meter boven zeeniveau. Het groeit op waterdoorlatende, diepe, voedsel- en humusrijke leemgronden. In het natuurlijke verspreidingsgebied komt de soort vooral voor op (rotsige) rivier- en beekoevers en in vochtige rotsige kloven. Het koloniseert licht zure tot neutrale zandsteen verweerde bodems.

De watercipres is winterhard tot −32° C, maar is gevoelig voor late vorst. Hoewel overvloedige regenval de groei bevordert, groeit het ook op locaties met een jaarlijkse regenval van 400 tot 450 mm. Het tolereert geen wateroverlast.

Beschrijving

Van een afstand lijkt de watercipres wel op de moerascipres (Taxodium distichum), maar is onder andere te onderscheiden door:

  • Bij in drassige grond groeiende moerascipressen zijn vaak ademwortels (pneumatoforen) aanwezig; de watercipres heeft geen ademwortels.
  • De zijtwijgjes (kortloten) van de moerascipres staan verspreid ingeplant en zijn bezet met 80-100 dunne, zachte en smalle (naalden) (1-2 × 0,1-0,2 cm). De zijtwijgjes van de watercipres zijn tegenoverstaand ingeplant en zijn bezet met minder, tegenoverstaande, langere en wat bredere naalden (2-4 × 0,2 cm). Bij de watercipres verschijnen sommige zijtwijgjes onder de naalden, niet in de oksel ervan.

Boom

De bladverliezende watercipres heeft een brede tot zuilvormige kroon. De boom groeit tot 30 tot 35 m hoog, in individuele gevallen meer dan 50 m en een diameter van 1 tot 2,2 m op borsthoogte. Vrijstaande bomen zijn vertakt tot op de grond en hebben opvallende, diepe stammen. De maximale leeftijd is 420 jaar. De basis van de rechte stam is aanzienlijk verbreed. Jonge bomen hebben een piramidale kroon, terwijl oude bomen breed en rond zijn.

Schors

De bast van de takken is aanvankelijk groen, maar kleurt in het tweede en derde jaar grijs tot grijsbruin. De stam van jonge bomen heeft een roodbruine schors die in dunne vellen afschilfert. De stammen van oudere bomen hebben een grijze tot grijsbruine schors die in lange stroken loslaat, waardoor de roodbruine binnenste schors eronder zichtbaar wordt.

Hout

Het geelachtige spinthout verschilt in kleur van het roodbruine kernhout. Het zachte hout is licht, gemakkelijk te bewerken en neemt gemakkelijk kleur aan. De rechte houtvezels zijn relatief grof. De dichtheid bij een houtvochtigheid van 15% ligt tussen 0,29 en 0,38 g/cm³.

Takken en bebladering

De takken van de eerste orde zijn onregelmatig gevormd en meestal uitgespreid. Takken van een hogere orde zijn hangend en naar elkaar gericht gerangschikt.

Er worden zowel korte als lange loten gevormd. De loten vallen in de herfst samen met de naalden af.

De eivormig-elliptische en stompe winterknoppen zijn kaal en ongeveer 4 mm lang en 3 mm breed. De kapachtige knopschubben zijn geelachtig bruin van kleur.

De platte naalden zijn in mei al volledig ontwikkeld en worden 0,8 à 3,5 cm lang en 1 à 2,5 mm breed. Ze zijn blauwgroen aan de bovenkant en lichtgroen aan de onderkant. Er zijn twee gelige huidmondjesbanden aan de onderkant van de naald. Elke naald heeft drie harskanalen.

De naalden zijn spiraalvormig op lange loten en gescheiden op korte loten en zijn grotendeels tegenover elkaar opgesteld. Op deze wijze kan op betrouwbare wijze worden onderscheiden van de moerascipres, die er van een afstand op lijkt en afwisselend blad heeft. De herfstkleur begint in oktober met een delicaat roze-geel en verandert in november van zalmrood tot koperbruin. De naalden vallen er samen met de korte loten af.

Wortel

De watercipres vormt meestal een relatief vlak, verreikend wortelstelsel, dat zich buiten de projectie van het kroonoppervlak kan uitstrekken. De zijwortels groeien eerst als ondiepe horizontale wortels, die pas later naar beneden groeien en een diepte bereiken van 50 tot 100 centimeter.

Kegels en zaden

Pas op twintigjarige leeftijd geeft de boom kiemkrachtig zaad. De watercipres is eenhuizig en bloeit met weinig opvallende eenslachtige kegels. De bloeitijd in het natuurlijke bereik duurt van februari tot maart, afhankelijk van de locatie.

De kittenachtige mannelijke pollenkegels zijn 5 tot 10 cm lang en bevinden zich in de bladoksels van de lange scheuten van vorig jaar. De vrouwelijke kegels ontwikkelen zich aan het einde van korte scheuten. Ze staan in de bloeitijd rechtop, zijn slechts ongeveer 9 mm lang en vormen bestuivingsdruppeltjes waarmee ze het stuifmeel uit de lucht opvangen. De kegels zijn bij rijpheid bolvormig tot eivormig en staan op een 2 tot 4 cm lange steel. Ze zijn ongeveer 1,8 tot 2,5 cm lang en 1,6 tot 2,3 cm breed. Elke pen bestaat uit 11 tot 12 tegenover elkaar liggende paren wigvormige pen-schalen. Ze zijn aanvankelijk groen en worden bruin naarmate ze ouder worden.

De kegels rijpen in november tot december van het bloeijaar (in Nederland en België zijn de kegels in september rijp). Elke kegelschaal bevat 5 tot 9 platte en gevleugelde zaden op een rij. De zaden zijn omgekeerd eirond, rondom gevleugeld en hebben een gekerfde top. Ze worden ongeveer 5 mm lang. Het duizendkorrelgewicht ligt tussen 1,75 en 2,3 g.

Zaailingen

De zaailingen hebben twee zaadlobben.

Gebruik

Watercipressen in Sequoiafarm Kaldenkirchen

Vanaf de jaren zestig is de watercipres door kwekers massaal vermeerderd door stekken en zaaien. Hij wordt o.a. als sierboom aangeplant in parken en tuinen over de hele wereld.

In Nederland en België is de boom te vinden in tuinen en parken. De exemplaren die in Nederland en België groeien zijn meestal tot 25 m hoog. Ze kunnen in China tot 40 m hoog worden. De boom wordt soms ook gebruikt als groenscherm van de voedingsindustrie omdat hij geen overmaat aan afvallende bladeren veroorzaakt en de naalden uitzonderlijk niet giftig zijn voor het geval ze in het voedselproces terechtkomen.[3][4]

Ziekten en plagen

Zaailingen van watercipres zijn vatbaar voor ziekteverwekkende schimmels van de geslachten Rhizoctonia en Pythium. Rupsen van de vlinders van het geslacht Cryptothelea, ( C. variegata, C. minuscula) en keverlarven van het geslacht Holotrichia ( H. diomphalia) eten van het blad. De larven van de boktorren Anoplophora chinensis en Anoplophora glabripennis vreten van het hout. De aanwezigheid van te grote aantallen vraatinsekten kan leiden tot afsterven van de boom. Bomen met veel schaduw gaan dood of lijden ernstige groeiverliezen.