Wapen van Saksen
| Wapen van Saksen | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
| Versies | ||||
![]() Wapen van de Saksische Landdag | ||||
| Details | ||||
| Ingevoerd | 18 november 1991 | |||
| Andere elementen | Zwart Geel Groen | |||
| ||||
Het Wapen van Saksen is het heraldische symbool van de Duitse deelstaat Saksen. Het wapen ook gebruikt op de Staatsvlag van Saksen.[1]
Het wapen werd op 18 november 1991 na de heroprichting van Saksen na de val van de DDR in Oost-Duitsland opnieuw aangenomen. Het wapen zelf is echter veel ouder: het werd sinds de 13e eeuw gebruikt als wapen van het hertogdom Saksen.
Ontwerp
De beschrijving van het wapen (met heraldische kleuren):
- gedwarsbalkt van tien stukken, sabel (= zwart) en goud, (= geel) met daaroverheen een schuinrechts geplaatste Sinopel (= Groen) ruitkrans
Het wapen bestaat uit 10 gelijke strepen, afwisselend van zwart en geel, over het geheel van het wapen is eer een ruitkrans, schuinrechts geplaatst in het groen.[1]
Andere versies van het wapen
Voor de overheid in Saksen zijn er twee wapens in gebruik. De regering, de minister-president en de rechtbanken maken gebruik van de gebruikelijke versie van het wapen. De Landdag, het parlement van Saksen, gebruikt een barokke versie van het wapen.
Omdat alleen de Saksische overheid het wapen mag voeren werd er in 1993 een apart wapenteken ontworpen voor burgers en bedrijven. Dit is een gestileerde geheel groene versie van het wapen, met daarboven de tekst "Sachsen". Omdat veel mensen dit teken te modern en te eenvoudig vonden ogen, is in 2005 een nieuw wapenteken ontworpen. Dit nieuwere teken bestaat uit het wapen van de deelstaat met daaromheen een groene band met boven het wapen de tekst "Freistaat Sachsen".
Geschiedenis
Het Askanische Huis
Het ontwerp van het wapen is afkomstig van de graven van Ballenstedt van de Ascaniërs. Hun schild was eveneens tienmaal verdeeld in zwart en goud. Hoewel het schild al in de 12e eeuw verscheen, werd de groene krans van ruiten pas rond 1260 toegevoegd. Men vermoedt dat het werd aangenomen nadat de Ascanische tak van Saksen-Wittenberg afstand had gedaan van hun voorouderlijke gronden in Nedersaksen (het hertogdom Saksen-Lauenburg) en dat de vorm ervan is geïnspireerd op de gotische architectuurstijl.[2]
Na het uitsterven van de Saksisch-Wittenbergse tak van de Ascaniërs in de mannelijke lijn in 1422, gingen het hertogdom en de Saksische keurvorstelijke waardigheid in 1423 over op de Meissense tak van de Wettinse dynastie, de markgraven van Meissen, die het wapen eveneens overnamen. Het wapen van het Keurvorstendom Saksen was verdeeld: in het voorveld, verdeeld in zwart en zilver, de keurvorstelijke zwaarden (zoals in de keizerlijke banier ) en in het achterveld het Saksische wapen.[2]
Het Huis Wettin
Volgens de legende is de oorsprong van het wapen als volgt: Toen hertog Bernhard van de Ascaniërs in 1181 tot hertog van Saksen werd benoemd, als opvolger van de afgezette Welf Hendrik de Leeuw, verscheen hij, zoals destijds gebruikelijk was, met zijn schild voor keizer Frederik I tijdens de ceremoniële processie naar de Rijksdag. Op zijn schild stonden de zwart-gouden balken van Ballenstedt. Keizer Barbarossa, die vanwege de hitte van de zon een krans van wijnruitbladeren droeg , nam deze af, plaatste hem over Bernhards schild en vestigde zo het Saksische wapen.[2]
Na het uitsterven van de Askaniers van Saksen-Wittenberg in 1422 werden de Wettiner Frederik I beleend met het hertogdom Saksen, het ambt van aartsmaarschalk, de palts Allstedt (palstgraafschap Saksen), het graafschap Brehna en het burggraafschap Maagdenburg. Frederik was al een machtig vorst, want hij bezat het markgraafschap Meissen (komt ongeveer overeen met de huidige deelstaat Saksen) en had het vooruitzicht om zijn neef Frederik IV in het landgraafschap Thüringen op te volgen. De bij deze titels behorende wapens vormden dan ook deel van het wapen van de nieuwe Saksische hertogen en keurvorsten. Het ambt aartsmaarschalk was een van de aartsambten in het Heilige Roomse Rijk. Dit wapen zou tot het einde van het Rijk het belangrijkste schild zijn van de keurvorsten. De hertogen in de Saksische deelstaten en de kinderen van de Saksische vorsten voerden dit wapen nooit.
Het keurvorstendom Saksen
Het wapen dat de keurvorsten werd nog enige malen uitgebreid, zonder dat direct territoriale betekenis had. Altenburg, Pleissen en Orlamünde waren al in het bezit van de markgraven van Meissen voor ze hertog van Saksen weren geworden en een palstgraafschap Thüringen heeft zelfs nooit bestaan. Het rode veld stond voor de regalien. De wapens van 1535 en 1539 verschillen alleen in volgorde. Het recht om het wapen en de titel van het burggraafschap Maagdenburg te voeren werd in 1579 vastgelegd in een verdrag met het aartsbisdom Maagdenburg.
Na de Slag bij Mühlberg in 1547 verloor de keurvorst zijn landen en titels. Zijn nakomelingen zouden later een deel van de landen terug krijgen, maar het keurvorstendom kwam aan de Albertinische tak van het Huis Wettin, die sinds de deling van 1464 in het markgraafschap Meissen regeerde. Toen in 1609 de hertogen van Gulik-Kleef-Berg uitstierven, maakte Saksen aanspraak op de erfenis. De gebieden vielen echter toe aan Palts-Neuburg en Brandenburg. Saksen kreeg alleen het recht de titels en de wapens te voeren. De wapens van de drie hertogdommen werden in de tweede rij geplaatst. De wapens van Meissen en Gulik zijn gelijk; dat van Meissen bleef in de eerste rij. Ook het wapen van Eisenberg is niet verbonden met een gebiedsuitbreiding. Eisenberg was een oud bezit van de keurvorsten. Wel van betekenis is het wapen van Henneberg. Na het uitsterven van de graven in 1583 werd hun gebied verdeeld tussen Hessen-Kassel, het keurvorstendom Saksen en een aantal Saksische hertogen.
De volgende vergroting van het wapen was gebaseerd op gebiedsuitbreidingen. Tijdens de Dertigjarige Oorlog droeg Oostenrijk de markgraafschappen Opper-Lausitz en Neder-Lausitz over aan de keurvorst. In de Westfaalse Vrede van 1648 werd deze overdracht definitief geregeld. Na het uitsterven van de graven van Barby in 1659 kwam het grootste deel van dit graafschap aan de Saksische keurstaat.
In 1689 stierven de hertogen van Saksen-Lauenburg uit. De keurvorsten van Saksen zagen hun aanspraken niet gehonoreerd en het hertogdom kwam aan Brunswijk-Calenberg. De wapens die behoorde bij de hertogelijke titels Westfalen en Engern werden in de derde rij opgenomen. Het wapen van Westfalen is identiek aan dat van het paltsgraafschap Saksen in de vierde rij en het wapen van Engern is identiek aan dat van het graafschap Brehna in de zevende rij.
De laatste uitbreiding van het wapen vond plaats na het uitsterven van de graven van Hanau in 1736. Ook dit keer geen gebiedsuitbreiding: de landen Hanau-Münzenberg en Hanau-Lichtenberg vielen aan Hessen-Kassel en Hessen-Darmstadt.
Het Koninkrijk Saksen
In 1806 kwam er een eind aan het Heilige Roomse Rijk, waardoor de keurvorstelijke waardigheid zonder betekenis was geworden. Op 12 december 1806 werd daarom door de keurvorst de koninklijke titel aangenomen, zoals al eerder was gebeurd door de keurvorsten van Beieren en Württemberg. Al deze nieuwe staten gingen vereenvoudigde wapens voeren. Zij deden ook afstand van de aanspraken op de verschillende historische landen. Omdat de Saksische koning een trouw bondgenoot was van Napoleon, verloor hij in 1815 een groot deel van zijn landen, onder andere de Neder-Lausitz. Het meeste gebied kwam aan het koninkrijk Pruisen. Deze koningen gingen ook de Saksische titels en wapens voeren. Het verloren gebied vormde binnen Pruisen de provincie Saksen. deze provincie ging in 1945 op in het Land Saksen-Anhalt. In het nieuwe grote wapen van het koninkrijk Saksen na 1815 was het aantal velden dan ook sterk verminderd. Alleen de wapens van de gebieden binnen het koninkrijk Saksen en de Saksische hertogdommen werden nog gevoerd. Een geheel nieuw veld was die voor het Vogtland. Het is hetzelfde wapen als de vorsten van Reuss voerden.
Historische wapens

Het Koninkrijk Saksen
Het wapen van het Koninkrijk Saksen is het wapen van het Koninkrijk Saksen met de wapens van de Sakse gebieden.
Schild: Een schild met twaalf vakjes, elk bedekt met het wapen van een Saksisch gebied, met in het centrum, over alles het wapen van Saksen-Coburg Gotha. Tot dekking van het schild de Koninklijke kroon; als schildhouders twee leeuwen van goud, getongd en genageld van keel; het devies (wapenspreuk) "Providentiae Memor" in Latijnse letters van goud op een lint van sinopel.
In 1806 kwam er een eind aan het Heilige Roomse Rijk, waardoor de keurvorstelijke waardigheid zonder betekenis was geworden. Op 12 december 1806 werd daarom door de keurvorst de koninklijke titel aangenomen, zoals al eerder was gebeurd door de keurvorsten van Beieren en Württemberg. Al deze nieuwe staten gingen vereenvoudigde wapens voeren. Zij deden ook afstand van de aanspraken op de verschillende historische landen. In het nieuwe grote wapen van het koninkrijk Saksen na 1815 werden de wapens van de gebieden binnen het koninkrijk Saksen en de Saksische hertogdommen werden gevoerd. Een geheel nieuw veld was die voor het Vogtland. Het is hetzelfde wapen als de vorsten van Reuss voerden.
Keurvorstendom Saksen

Het wapen van het Keurvorstendom Saksen is een combinatie van het oude wapen van het Ernestijnse keurvorstendom Saksen en het wapen van het Huis van Wettin.
In twee helften. Links, twee vertale banen van keel en zilver met in het midden twee kruisende zwaarden van keel. Rechts, gedwarsbalkt van tien stukken, zwart en goud, met daaroverheen een schuinrechts geplaatste groene ruitkrans
Het wapen van het Keurvorstendom Saksen was ook te zien op de vlag van het Keurvorstendom, twee horizontale banen van zwart (boven) en geel (onder) met in het midden het wapenschild.
Het Huis Wettin (Frederik I)

Het wapen van Huis Wettin onder Frederik I.
In vier kwartieren. Linksboven een leeuw van zilver en keel, rechtsboven een arend van goud, linksonder in goud, twee horizontale banen van azuur, en rechtsonder een leeuw van sabel, genageld en getongd van keel
Na het uitsterven van de Ascaniërs van Saksen-Wittenberg in 1422 werden de Wettiner Frederik I beleend met het hertogdom Saksen, en nog enkele vorstendommen. De bij deze titels behorende wapens vormden dan ook deel van het wapen van de nieuwe Saksische hertogen en keurvorsten. Het ambt aartsmaarschalk was een van de aartsambten in het Heilige Roomse Rijk. Dit wapen zou tot het einde van het Rijk het belangrijkste schild zijn van de keurvorsten. De hertogen in de Saksische deelstaten en de kinderen van de Saksische vorsten voerden dit wapen nooit.

