Geluk (kans)

Een klavertjevier wordt vaak gezien als een gelukssymbool
Een gelukkige vangst, schilderij van James Goodwyn Clonney uit 1847

Geluk hebben betekent door een onvoorziene gebeurtenis begunstigd te zijn. In die betekenis betekent geluk de voorspoed die iemand ten deel valt zonder dat hij daar invloed op heeft.

Voorbeelden kunnen zijn: het winnen bij de Lotto, bij roulette of een ander kansspel. Ook door toeval een nadeel vermijden hoort hierbij. Het tegendeel van toevalsgeluk is een onvoorzien ongeluk, onheil of pech.

Emotie en toevalsgeluk

In vele talen bestaat er een duidelijk onderscheid tussen de woorden die gebruikt worden voor "geluk hebben" (per toeval) en de emotie of toestand van "gelukkig zijn". In bijvoorbeeld het Nederlands en het Duits is dit echter niet het geval. Dit kan resulteren in lichte verwarring bij het vertalen, bijvoorbeeld van groeten en wensen.

geluk als
emotie of toestand
"toevalsgeluk"
Engels happiness luck
Frans le bonheur la bonne chance
Latijn beatitudino fortuna
Grieks μακαριότης (makariotes)
εὐδαιμονία (eudaimonia)
εὐτυχία (eutychia)
Hebreeuws אשׁר (asher) גּד (gad)
Arabisch سعادة (sa'ad) حظ (HaZZ)

Het Engelse "luck" woord zou van het Nederlandse/Duitse woord afgeleid zijn. Van het Franse "chance" hebben we in het Nederlands de woorden "kans" en ook "sjaans" of "sjans". Volgens het van Dale-woordenboek is dit laatste Bargoens of volkstaal en betekent kans. Sjans hebben: succes hebben bij de dames, resp. bij de heren. In Vlaanderen betekent dit in de omgangstaal ook gewoon "geluk hebben" zonder dat hiermee specifiek "bij de dames" (of heren) wordt bedoeld.

Individuele en culturele verschillen

Individuele en culturele opvattingen over geluk lopen uiteen: sommigen denken dat geluk het werk is van een hogere kracht, volgens anderen is het slechts een kwestie van toeval. Zo geloofden de Romeinen dat de godin Fortuna het geluk belichaamde,[1] terwijl de filosoof Daniel Dennett van mening is dat "geluk slechts geluk is", in plaats van de eigenschap van een persoon of ding.[2][3]

Gelukssymbolen

Gelukssymbolen zijn wereldwijd populair en kunnen verschillende vormen aannemen. Er worden bijvoorbeeld kaarten verstuurd op feestdagen om een ander geluk te wensen, denk aan een verjaardagskaart, kerstkaart of nieuwsjaarskaart.

Het komt voor dat verschillende cuturen dezelfde symbolen gebruiken. De swastika (in de heraldiek fylfot) werd historisch gezien gebruikt als symbool in het boeddhisme, jaïnisme en hindoeïsme. De swastika wordt ook aangetroffen op overblijfselen van begraafplaatsen en dekens van de Navajo. Ook wordt het bijvoorbeeld teruggevonden op manden van de Pima en Apache: het staat symbool voor de wens dat de vier winden die uit de vier hoeken van de hemel blazen voor altijd beschikbaar zijn. Begin 20e eeuw was het zeer populair als symbool van geluk of voorspoed, voordat het in de jaren 20 en 30 van de 20e eeuw werd aangenomen als symbool van het nazisme.

Gelukssymbolen, apotropaeon, werden al in de oudheid gebruikt ter bescherming van mensen, dieren, gebouwen, enz. Gelukssymbolen worden afgebeeld op gebruiksvoorwerpen of gebouwen. Apotropische markeringen, in Europa ook wel 'heksenmarkeringen' of 'anti-heksenmarkeringen' genoemd, zijn symbolen of patronen die op de muren, balken en drempels van gebouwen worden gekrast om ze te beschermen tegen hekserij of boze geesten. Ook worden ze vaak boven of op poorten, deuren of ramen geplaatst, vermoedelijk om deze openingen te beschermen. Tijdens werkzaamheden in 1609 te Knole, nabij Sevenoaks in Kent, werden eiken balken onder vloeren, vooral in de buurt van open haarden, geschroeid en voorzien van gekrast heksenmerktekens om te voorkomen dat heksen en demonen via de schoorsteen naar beneden konden komen.

Een mezoeza (Hebreeuws: מזוזה ,letterlijk: deurpost) is een tekstkokertje dat volgens traditioneel joods gebruik op deurposten wordt aangebracht. Het is gebruik van vele joden om bij binnenkomst van het vertrek waar een mezoeza is aangebracht de mezoeza aan te raken en vervolgens de vingers naar de lippen te brengen.

Ook worden gelukssymbolen op het lichaam aangebracht of als object gedragen. Apotropische gebruiken kunnen worden beoefend uit bijgeloof of uit traditie, bijvoorbeeld het dragen van geluksbrengers zoals een bedelarmband, amuletten of het maken van gebaren (zoals het kruisen van vingers of afkloppen op hout). Bekende amuletten zijn de nazar of het Alziend oog. Het Handje van Fatima is met de hand gemaakt en wordt gebruikt door zowel christenen, joden als moslims voor persoonlijke bescherming. Sommige christenen noemen de amulet de hand van Maria. In de joodse traditie wordt deze de hand van Mirjam genoemd.

Zie ook