Het boek der psalmen op vier stemmen

Het boek der psalmen op vier stemmen is een Nederlandse uitgave van de 150 psalmen, gezet voor vier zangstemmen (sopraan-alt-tenor-bas). Het vierstemmenboek is de in de Nederlandse kringen van de Gereformeerde Gemeenten ingeburgerde bijnaam.

De oudste editie dateert uit 1753 en bevatte alle 150 psalmen met de teksten van Petrus Dathenus in de vierstemmige zettingen zoals Claude Goudimel die reeds in 1620 had gepubliceerd bij het Geneefs Psalter. De bundel werd in 1780 muzikaal ingrijpend gewijzigd naar de smaak van die tijd. Deze bundel is tot in de eenentwintigste eeuw herdrukt, en is met name in gebruik bij koren en kerkelijke gemeenten op de Veluwe.

Ontstaan

In Genève was het de reformator Johannes Calvijn die er naar streefde tijdens de (protestantse) eredienst de gemeente liederen in de eigen taal te laten zingen. Hij liet daartoe alle honderdvijftig bijbelse psalmen berijmen door Clément Marot en Theodorus Beza. Enkele zijn door een medewerker van Luther berijmd en door een medewerker van Calvijn vanuit Straatsburg meegenomen naar Genève, en enkele zijn door Calvijn zelf berijmd. De psalmen werden hoofdzakelijk getoonzet door Maistre Pierre en Louis Bourgeois tussen ± 1540 en ± 1560. In 1566 werden ze door Petrus Datheen in het Nederlands vertaald.

Claude Goudimel publiceerde in 1620 vierstemmige zettingen met de melodie in de tenor en genoteerd in G- en F-sleutels. Eind zeventiende eeuw publiceert zangleraar Cornelis de Leeuw in Nederland 'De 150 Psalmen Des Propheten Davids, Met eenige andere Lofsangen: Uyt den Francoyschen in Nederlandschen Dichte overgeset door Petrum Dathenum. En tot gemack des Sangers al de Musijcknooten opeenen Sleutel gestelt, na de correctie van Mr. Cornelis de Leeuw'.[1] In 1719 volgt een heruitgave, waar hij ook twee vierstemmige psalmen (23 en 128) bijvoegt, met de melodie in de discant, dus de sopraan.[2] De partijen zijn hierbij per stem genoteerd en gespiegeld afgedrukt, zodat de zangers aan weerszijden van de liedbundel kunnen staan om de muziek te lezen.[3]

In 1753 publiceert De Leeuw het volledige psalter met de noten van Claude Goudemel in een vierstemmenboek met de berijming van Datheen. Hij kiest ervoor de vier stemmen alle in een c-sleutel te noteren, de gebruikelijk notatie in die tijd. In 1780, slechts een kleine dertig jaar later, wordt de bundel opnieuw uitgegeven, maar nu met de nieuwe berijming uit 1773. De psalmzettingen worden bovendien aangepast naar de smaak van de tijd (waarbij het oorspronkelijke modale karakter van de melodieën meer en meer in het keurslijf van mineur of majeur wordt geperst). Het boek wordt uitgeven door Joh. Enschede en Zonen, onder goedkeuring van het stadsbestuur van Haarlem, dat in elke exemplaar het stadswapen laat drukken.

De vierstemmige zettingen waren in de opzet van Goudimel bedoeld om gezongen te worden door gezinnen of in groepsverband. In de praktijk werd het in sommige kerkelijke gemeentes de gewoonte om dat ook in de eredienst te doen, wat in de editie van het vierstemmenboek uit 1780 in het voorwoord ook wordt aanbevolen: "ten nutte van Gods Kerke, en ten einde om was ’t moogelyk, dezelve Psalmen in de Gereformeerde Gemeentens hier te lande te kunnen doen zingen, met zulk eene en niet minder fraaye Melodie, gelyk in Zwitzerland en doorgaans in geheel Duitschland geschiedde, en gebruikelyk was."[3]

In de eeuwen erna volgen meerdere herdrukken (1790, 1801, 1811, 1852, 1870, 1884). In de druk van 1905 ontstaan fouten bij het omzetten van gotisch naar modern schrift, die worden overgenomen in de herdrukken van deze bundel (1973, 1990, 2003). In 2010 is een nieuwe druk verschenen waarin de honderden fouten die in tweehonderd jaar in zowel de tekst als de noten geslopen zijn gecorrigeerd.[3] Deze editie is bovendien genoteerd in de moderne notatie van G- en F-sleutel. Wel zijn de originele zettingen uit 1780 bewaard gebleven.

Uitleg notenschrift

"Als er vóór de noot een # staat, betekent dit dat de noot een halve toon hoger gezongen moet worden. Staat er een b voor de noot, dan zingt men de noot een halve toon lager. In tegenstelling tot het "gewone" notenschrift kent het vierstemmenboek géén herstellingstekens. Staat er vóór de noot een kruis of mol, dan geldt deze ook voor de volgende noten, zolang ze niet gevolgd worden door een andere noot. (zie onderstaand voorbeeld) De toonladder wordt dus als volgt: Do-Di-Re-Di-Mi-Fa-Fi-Sol-Sé-La-Sé-Ci-Do. De afwijkende benamingen voor de halve noten liggen beter in het gehoor, en worden al van oudsher gebruikt door de diverse zangverenigingen die gebruikmaken van het vierstemmenboek."[4]

Notatie

"De eerste stem of tenor, (zoals wij de gewone kerkstem noemen) van bijvoorbeeld Psalm 1 staat genoteerd in B-mol, de bas (als tweede stem) in B-duur, en de alt en discant (derde en vierde stem) opnieuw in B-mol. De eerste noot van de tenor is een Sol, de bas begint met een Do, de discant met een Mi, en de alt met een hoge Do. De toonhoogte van de Do bij de bas is even hoog als de Do bij de tenor, ondanks dat ze verschillend genoteerd staan. Als deze vier stemmen zuiver inzetten en zuiver blijven zingen brengen zij een muzikaal akkoord voort. Van de meeste psalmen waar de tenor in B-mol staat, is de bas genoteerd in B-duur, en de alt en discant in B-mol. Staat de tenor in B-duur, is de bas meestal B-mol, en de alt en discant weer B-duur (enkele uitzonderingen daargelaten). Het komt wel voor dat de tenor en discant in B-mol staan, en de bas en alt in B-duur, maar dan moeten de noten van de alt een octaaf hoger gezongen worden dan de noten, op dezelfde lijn staande, van de bas, zodat de alt in deze psalmen altijd de hoogste stem is. De discant loopt meestal tussen de tenor en de bas, behalve in enkele psalmen ("Choorstemmen") waar de discant soms hoger is dan de tenor."[5]

Gebruik

"Het is vooral belangrijk, om die noten die met een kruis of mol staan getekend vooral de echte klank te geven, te weten aan die met een kruis een halve toon hoger, en met een mol een halve toon lager dan dat de gestelde hoogte aangeeft. Daar tegenover staat, dat men géén kruis of mol moet zingen die er niet staat, omdat men het mooier vindt klinken, want men moet in deze vier stemmen niet elke stem op zich zelf, maar in verband met de andere stemmen aanmerken. Door het verleggen van een halve toon zal er een geheel andere klank ontstaan. Als laatste moet men in acht nemen, dat men géén gebruik maakt van sierlijk en zwierig draaien in het zingen, omdat dit eerder verwarring geeft, dan dat men een goed akkoord hoort. Ook is het hinderlijk voor de andere stemmen. Probeer eerder de klank zuiver te houden, zonder sier er bij, want de zuivere klanken der vier stemmen geven sieraad genoeg aan de toehoorders en zangers zelf, en hoe groter en sterker de partijen zijn, hoe beter, mits dat elke partij haar stem zuiver houdt."[6]

  • Lees hier het voorwoord uit de publicatie van 1753