Valse geelplaatgordijnzwam
| Valse geelplaatgordijnzwam | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Cortinarius malicorius Fr. (1838 [1]) | ||||||||||||||
![]() | ||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De valse geelplaatgordijnzwam (Cortinarius malicorius) is een schimmel behorend tot de familie Cortinariaceae. De soort groeit meestal in groepjes in naaldbossen op zure bodems, vaak tussen mossen.[2]
Kenmerken
Uiterlijke kenmerken
- Hoed
De hoed heeft een diameter van 10–30 (soms tot 40) mm. Jong is hij scherp conisch, later conisch tot klokvormig met een opvallende, spitse umbo (bult). Het oppervlak is glad en mat, bij vocht okerbruin tot rood- of oranjebruin en bij droging meer olijfgeel. De rand is scherp en fijn getand. KOH op het hoedoppervlak geeft een rode tot roodachtig zwarte kleurreactie.[2]
- Lamellen
De lamellen zijn in jonge toestand saffraangeel, later roest- tot lichtoranjebruin. Ze zijn breed, met 25–30 volledige en 1–3 tussenliggende lamellen, en breed aangehecht met iets gekartelde randen.[2]
- Steel
De steel meet 60–100 (soms tot 150) × 3–7 mm, is cilindrisch, jong vol en later hol en buigzaam. Het oppervlak is aanvankelijk lichtgeel, verkleurend tot oker- of oranjegeel en tenslotte onregelmatig bruin gevlekt.[2]
- Geur
Het vlees is dun, bij vocht grijs- tot olijfbruin en in droge toestand geel. De geur is raphanoïde (radijsachtig) en de smaak mild tot kruidig, eveneens radijsachtig.
Microscopische kenmerken
De sporen zijn ellipsoïde, matig ruw en meten 6–7,5 × 4–4,5 µm. Cheilocystiden en pleurocystiden ontbreken, maar er zijn onopvallende marginale cellen aanwezig aan de lamelranden. De pileipellis (hoedhuid) is een cutis. Weefselelementen uit de hoed en lamellen kleuren roze-paars tot paarsachtig in KOH.

