Vaderlandsche Maatschappij

De Vaderlandsche Maatschappij van Reederij en Koophandel, ter Liefde van 't Gemeenebest was een filantropische onderneming in Hoorn, opgericht in 1777 door Cornelis Ris (1717–1790), een doopsgezinde predikant en koopman. De Vaderlandsche Maatschappij had tot doel armoede en werkloosheid te bestrijden, de lokale nijverheid te stimuleren en onderwijs te bieden aan kinderen uit arme gezinnen.

De Vaderlandsche Maatschappij wordt beschouwd als een voorbeeld van achttiende-eeuwse filantropische initiatieven waarin werkverschaffing, onderwijs en commercie werden gecombineerd om maatschappelijke problemen aan te pakken. De Maatschappij zou uiteindelijk tachtig jaar lang blijven bestaan en aan honderden mensen werk verschaffen.

Cornelis Ris initieerde de Maatschappij uit bezorgdheid over de economische achteruitgang van Hoorn en de Republiek in de tweede helft van de achttiende eeuw. Door internationale concurrentie en interne problemen nam werkloosheid en armoede toe, terwijl liefdadigheid alleen geen structurele oplossing bood. Ris stelde een onderneming voor die werk, onderwijs en commerciële activiteiten combineerde, en verkreeg kapitaal via de uitgifte van aandelen.

De Maatschappij was gebaseerd op drie pijlers:

  1. Armenschool: kinderen vanaf zeven jaar kregen gratis onderwijs, zowel theoretisch als vaktechnisch, en werden opgevoed tot arbeidzame en maatschappelijk verantwoordelijke burgers. Prestatiebeloningen en het systeem van schand- en ereborden vervingen lijfstraffen. De school stond open voor alle arme kinderen vanaf zeven jaar, ongeacht hun religie of afkomst, en was gratis.
  2. Werkverschaffing: werkhuizen produceerden textielproducten zoals dekens, kleden en scheepszeilen. Kinderen en ongeschoolde armen werden hier opgeleid en aan het werk gezet. Er werd ook samengewerkt met thuisspinsters.
  3. Commerciële onderneming: handel in hout, hennep en walvisvaart diende om de andere onderdelen financieel te ondersteunen. Later werd een behangselfabriek opgericht ter stimulering van het schildersambacht.

Na de oprichting (1 maart 1777) groeide de Maatschappij uit tot een belangrijke werkverschaffer en opleider in Hoorn. De Maatschappij was gevestigd aan de Binnenluiendijk in een voormalig pakhuis van de West-Indische Compagnie dat door Cornelis Ris was aangekocht. Het initiatief werd bezocht en geprezen door onder andere de schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken. Na de dood van Ris in 1790 werd het bestuur voortgezet volgens zijn ideeën, hoewel de onderneming in de loop van de negentiende eeuw te maken kreeg met economische tegenwind. Productie van de behangselfabriek stopte na 50 jaar, de armenschool sloot in 1848 en de laatste fabrieksonderdelen sloten in 1858. In de tachtig jaar van haar bestaan had de Vaderlandsche Maatschappij vele arme inwoners van Hoorn werk en onderwijs geboden, maar door veranderende economische omstandigheden moest zij uiteindelijk haar activiteiten staken.

Na het beëindigen van de productie bleef de Maatschappij bestaan als fonds voor maatschappelijke en goede doelen in Hoorn, waaronder de bouw van een ziekenhuis, arbeiderswoningen en de ondersteuning van onderwijsinstellingen en het Westfries Museum. Een deel van de collectie behangselfontwerpen wordt bewaard in het Westfries Museum.