Tur Abdin

Tur Abdin
Berg Masius
Regio in Turkije Vlag van Turkije
Tur Abdin (Turkije)
Tur Abdin
Kaart van Tur Abdin
Coördinaten 37°21'NB, 41°24'OL
Algemeen
Hoofdstad Midyat
Portaal  Portaalicoon   Turkije

Tur Abdin (Aramees: ܛܘܪ ܥܒܕܝܢ) is een heuvelachtige regio in het zuidoosten van Turkije, met in het westen Mardin, in het noorden het oude Hasankeyf, in het oosten Cizre en Nusaybin in het zuiden. De naam Tur Abdin (correcter getranscribeerd als Tur 'Abdin) komt uit het Aramees en betekent Berg der dienaren (van God). Het gebied wordt beschouwd als het hartland van de staatloze Aramese christenen, die tot aan de 20e eeuw een meerderheid vormden in de regio. Gedurende die periode was het Neo-Aramees de omgangstaal van de bevolking van Tur Abdin, en werd het gebruikt in het dagelijks leven, in de liturgie en in de lokale cultuur.

In de jaren 1915–1916 werd de Aramese christelijke bevolking van het gebied slachtoffer van de Aramese genocide (Sayfo), waarbij een groot deel van de bevolking werd gedood, en velen werden verdreven of naar het buitenland vluchtten.[1]

Etymologie

De naam 'Tur Abdin' betekent letterlijk "Berg van de Dienaren (van God)" en verwijst naar de lange christelijke traditie van de regio, die bekendstaat om zijn kloosters en kerken. De term weerspiegelt de diepe religieuze en monastieke geschiedenis van de Aramese gemeenschap die hier sinds de oudheid woont.

Een andere benaming voor het gebied is 'Berg Masius', een historische naam die al in de klassieke oudheid werd gebruikt. Volgens bepaalde overleveringen zou Masius de jongste zoon zijn van Aram, een figuur uit de Semitische traditie, die in sommige genealogieën als een afstammeling van Noach wordt beschouwd. De naam Berg Masius komt voor in historische en geografische teksten uit de oudheid en de middeleeuwen.

Geschiedenis

Het Tur-Abdin plateau, hartland van het Aramese Christendom

Een Aramese aanwezigheid is aangetoond in Tur Abdin, het antieke bergmassief Kaššiar, nog vóór de vermelding van „het land Qir” in de Emar-tekst. Directe documentatie dateert uit de 13e eeuw v.Chr. Administratieve documenten uit Tell Billa, te dateren in het eerste derde van de 13e eeuw v.Chr., noemen Beth Zamani, een Aramese staat met als hoofdstad Omid (het huidige Diyarbakır), ten noorden van de Tur ʿAbdin. De tekst maakt duidelijk dat de Arameeërs dit gebied reeds in de vroege 13e eeuw v.Chr. hadden gevestigd of het op zijn minst bezet hielden.[2] Nisibis, het huidige Nusaybin, was het centrum van een andere Aramese staat. De Arameeërs uit dit gebied werden in Assyrische bronnen “Temanieten” genoemd, een naam afgeleid van het Aramees voor “zuid”/“zuidelijk”, wat wijst op een onderscheid tussen de ten zuiden van Tur Abdin wonende Arameeërs en die ten noorden ervan. De Temanieten lijken in de 10e eeuw v.Chr. een groot volk te zijn geweest en waren in de tijd van Adad-Nirari II (911–891 v.Chr.) een sterke tegenstander van de Assyriërs; hij noemt drie van hun belangrijkste leiders: Niʾir-Hadad, Mamli en Mīquru.[3]

In de inscripties van Aššur-bēl-kala (1073–1056 v.Chr.) wordt het gebied van Tur Abdin aangeduid als het „Land van de Arameeërs”. Dat wijst erop dat sommige gebieden ten westen en noordwesten van Assyrië toen als Aramese woongebieden werden beschouwd.[4]

In de Late Oudheid maakte het gebied deel uit van de Romeinse provincie Mesopotamia en fungeerde het als een belangrijk centrum van het Romeinse christendom, in het Latijn en het Grieks aangeduid als Mons Masius (Berg Masius) of Izla,[5] een naam die zou teruggaan op Mash, de zoon van Aram, van wie de Arameeërs afstammen, en die in het Oude Testament van de Bijbel wordt vermeld.[6][7][8] De regio werd versterkt door keizer Constantius II, die de vesting Rhabdion liet bouwen om het gebied te beschermen tijdens de Romeins-Perzische oorlogen.[5] Na het mislukken van Julians Perzische Oorlog in 363 kwam Tur Abdin, samen met het resterende gebied van de vijf transtigrijnse provincies en de nabijgelegen bolwerken Nisibis en Bezabde, onder het gezag van het Sassanidische Rijk.[5]

In 1855 verwoestte de Koerdische leider Êzdan Şêr Tur Abdin, verbrandde de gewassen en beroofde Aramese vrouwen en kinderen als slaven. De Koerdische invallen gingen door tot 1877, toen de zonen van de Koerdische leider Bedirkhan de steden Mardin, Midyat en Nusaybin veroverden en een Koerdisch emiraat uitriepen. Slechts acht maanden later slaagde een Ottomaans leger er samen met de Arameeërs in de Koerden te verslaan en te verdrijven. Na de Ottomaanse bloedbaden op Armeniërs en Arameeërs van 1895 en 1896; de zogenaamde Hamidische bloedbaden, nam de repressie tegen de niet-moslimbevolking van Midyat toe onder sultan Abdülhamit II. Om de niet-islamitische gebieden in Zuidoost-Anatolië onder controle te krijgen, richtte Abdülhamit II een leger op van Koerdische vrijwilligerseenheden, de Hamidiye-regimenten (Hamidiye Cavalerie). Aangezien deze strijdmacht alleen onder controle stond van de sultan, kon ze de christelijke bevolking van het gebied ongestraft lastigvallen.

Aramese Genocide

Shamoun Hanne Haydo was verzetsleider van Bsorino en de omliggende dorpen.

In juli 1914 besloot de Ottomaanse regering de Koerdische vrijwilligerseenheden te mobiliseren (seferbarlık). Alle christelijke mannen in Midyat tussen de 20 en 45 jaar oud werden tijdens de seferberlik geketend en weggevoerd om het leger te dienen bij het aanleggen van wegen. Op 6 juli 1915 vielen Koerdische cavalerie-eenheden en het reguliere leger Midyat aan, vermoordden vrouwen en kinderen en plunderden de stad. Een aantal dorpen besloten zich met succes te verzetten tegen het Ottomaanse leger en collaborerende Koerdische stammen. Deze gebeurtenissen staan bekend als De verdediging van Iwardo en De verdediging van Azech.

Enkele christenen vonden onderdak in de aangrenzende Arabische landen, voornamelijk in Syrië waar een aanzienlijk deel naar de stad Qamishli vluchtte en Libanon. De populatie van Tur Abdin kende direct na de genocide een periode van hongersnood (kafno) die vijf jaar duurde. Na 1930 werden de steden en dorpen in Tur Abdin herbouwd. Het aantal christelijke inwoners nam licht toe.[9]

Vóór de Aramese Genocide (Sayfo) leefden er circa 619.000 Syrisch-christenen in het Ottomaanse Rijk. Meer dan een vijfde woonde in de Armeense provincies, met ongeveer 60.000 in Diyarbakır, 25.000 in Sebastia, 18.000 in Van, 15.000 in Bitlis en 5.000 in Kharberd. Het merendeel behoorde tot de Syrisch-Orthodoxe Kerk van Antiochië, vooral geconcentreerd in Tur Abdin, ten oosten van Mardin—een historisch Aramees kerngebied en een vroeg bolwerk van Syrisch monastiek leven.[10][11]

Tegenwoordig wonen er naar schatting 20.000–30.000 Arameeërs (Süryaniler) in Turkije,[12] een daling ten opzichte van circa 250.000 in de vroege republikeinse periode. In de jaren 1960 leefden er ongeveer 20.000 Arameeërs in Tur Abdin.[13] Na de Eerste Wereldoorlog emigreerden duizenden Arameeërs (Suryoye) wegens geweld, en hun situatie bleef precair. Gebrek aan hoger onderwijs en werkgelegenheid en aanhoudende onveiligheid stimuleerden verdere emigratie uit Tur Abdin.[13] Velen maakten bovendien gebruik van de Turks-Duitse gastarbeidersovereenkomst (1961) om legaal naar Duitsland te vertrekken, niet alleen om aan armoede te ontsnappen maar ook aan religieuze discriminatie.[14] Omdat zij vooral in Zuidoost-Turkije woonden, raakten Syrisch-christenen later beklemd tussen Turkse militaire operaties en Koerdische conflicten, wat tussen 1960 en 2000 tot nog eens ca. 45.000 emigranten leidde. De meesten die vertrokken verloren hun Turkse staatsburgerschap, wat terugkeer bemoeilijkte.[15]

Nederzettingen

De informele hoofdstad van de regio Tur Abdin is Midyat. De steden en dorpen Midyat, Mardin, Azech, Hah, Kafro Elayto, Badibe, Bsorino, Enhil, Beth Kustan, Gzirto, Nisibin, Sawro, Mzizah, Qeleth, Arbo, Midin, Kerburan, Ma’sarte, Hesno d-Kifo waren allemaal belangrijke Aramese nederzettingen.

Bevolking

Tot het begin van de 20e eeuw werd de regio voornamelijk bewoond door een meerderheid van Aramese christenen, naast Koerden, Arabieren en een kleinere gemeenschap van Jezidi's. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin gelijktijdig de genocide op christenen plaatsvond, nam het aantal Arameeërs in de regio drastisch af. Desondanks bleven zij tot in de jaren '70 en '80 de dominante bevolkingsgroep in middelgrote steden zoals Midyat, Azech en Kerburan, evenals in omliggende dorpen.

De moord op prominente leden van de gemeenschap, waaronder artsen, burgemeesters en intellectuelen, leidde tot een massale emigratie van de inheemse bevolking naar westerse landen.

Tegenwoordig bestaat de meerderheid van de bevolking uit Koerden, die voornamelijk Kurmanci spreken, en Arabisch-sprekende Mhallami.

Kerken en kloosters

Mor Hananyo-klooster in Mardin

De regio, die wordt beschouwd als het spirituele centrum van de Aramese christenen, herbergt honderden kerken en kloosters.

In 1160 werd het patriarchaat van de Syrisch-Orthodoxe Kerk van Antiochië verplaatst van Antiochië naar het Mor Hananyo-klooster, gelegen ten oosten van de stad Mardin. Tot 1933 bleef het patriarchaat hier gevestigd, waarna het vanwege de ongunstige politieke situatie in Turkije werd verplaatst naar Homs in Syrië. In 1959 werd het definitief overgebracht naar Damascus, waar het zich tot op de dag van vandaag bevindt.

In de Tur Abdin-regio ligt ook het bekende Mor Gabriel-klooster, enkele kilometers ten zuiden van Midyat. Dit klooster, gesticht in 397 na Christus, is het oudste nog functionerende klooster van de Syrisch-Orthodoxe Kerk van Antiochië. Het dient als residentie van de bisschop van Tur Abdin, zeven nonnen, vier monniken en een groot aantal gasten, assistenten en studenten. Daarnaast speelt het een cruciale rol in het behoud van het Syrisch-orthodoxe geloof in Tur Abdin en fungeert het zowel als religieus centrum als toevluchtsoord.

Taal

De Arameeërs van Tur Abdin spreken het Turoyo-Aramees, een moderne variant van het Aramees. Deze taal wordt al ongeveer 3000 jaar gesproken in de regio en behoort tot de Semitische talen. De liturgische taal van de Aramese gemeenschap in Tur Abdin is het Syrisch, met name het dialect van Edessa. Dit dialect speelt een belangrijke rol in de religieuze en culturele tradities van de regio.

Zie ook