Witte duifridderzwam

Witte duifridderzwam
Witte duifridderzwam
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Tricholomataceae
Geslacht:Tricholoma
Soort
Tricholoma columbetta
(Fr.) P. Kumm. (1871)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Witte duifridderzwam (Tricholoma columbetta) is een schimmel behorend tot de familie Tricholomataceae. Deze middelgrote ridderzwam heeft een witte, zijdezacht glanzende hoed die aanvankelijk kegelvormig is en later meer of minder gewelfd wordt. Soms vertoont de hoed roze vlekken. De eetbare paddenstoel smaakt mild en ruikt licht meelachtig. Het vlees verkleurt niet geel of rood. Hij groeit in mycorrhiza met meestal beuken op zure, voedselarme en zandige bodems. Hij komt verspreid voor in bijna heel Europa. De vruchtlichamen verschijnen van augustus tot november.

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed is 4–10 (–12) cm breed. Jong is hij kegelvormig, later gewelfd tot uitgespreid en vaak stomp of vlak gebocheld. Het midden kan licht ingezonken zijn. De jonge, iets ingerolde rand wordt op oudere leeftijd vaak golvend of gelobd en soms ingescheurd. Het hoedoppervlak is wit en heeft een ingegroeide, radiaal fijne vezelstructuur. Soms is het midden bleek okerkleurig getint of voorzien van roze tot roodachtige vlekken. Bij vocht is de hoed licht kleverig tot slijmerig, terwijl hij droog zijdeachtig glanst.

Lamellen

De lamellen staan aanvankelijk dicht opeen, later meer uiteen en onregelmatig. Ze zijn uitgebogen aan de steel gehecht, buikig en wit, ivoor- of crèmegekleurd, soms met een zwakke roze zweem. De lamelsnede is van dezelfde kleur, aanvankelijk glad en later vaak rafelig.

Steel

De cilindrische, witte steel is 6–10 (–14) cm lang en 0,8–2 cm dik. Naar de basis toe is hij meestal licht spoelvormig en soms bijna wortelend. De steeloppervlakte is vezelig-zijdeachtig; het bovenste deel vertoont vaak roze vlekjes, terwijl het onderste deel soms blauwgroene verkleuringen laat zien.

Vlees

Het vlees is wit en verkleurt niet geel of rood. Het ruikt licht meelachtig en smaakt mild, eveneens wat meelachtig.

Sporenprint

Het sporenpoeder is, zoals bij alle ridderzwammen, wit en inamyloïde.

Microscopische kenmerken

De gladde, breed elliptische tot langwerpige sporen meten (5,0–) 5,5–7,0 (–7,5) × (3,5–) 4,0–5,0 (–5,5) µm. De gemiddelde Q-waarde (verhouding tussen lengte en breedte) bedraagt 1,3–1,5.

De basidiën zijn meestal viersporig, zelden tweesporig, 22–38 µm lang en 6,0–9,0 µm breed. Aan de basis komt slechts zelden een gespenverbinding voor. De lamelsnede is vruchtbaar en draagt basidiën; cystiden ontbreken.

De pileipellis (hoedhuid) vormt een dunne (ixo)cutis van smalle, cilindrische hyfen van 2,0–7,0 µm breed, soms licht opgericht en in het midden deels gelatiniseerd. De onderliggende laag (subpellis) is goed ontwikkeld en bestaat uit min of meer gezwollen elementen van 20–70 × 3,5–12 µm. Pigmenten ontbreken. De stipitipellis (steelhuid) is eveneens een cutis van smalle, cilindrische hyfen van 2,0–8,0 µm breed; caulocystiden ontbreken. Aan sommige septen in het hymenium en trama komen gespen voor, maar in de hoedhuid ontbreken ze.

Ecologie en verspreiding

Europees verspreidingsgebied

De soort is in Europa wijd maar ongelijkmatig verspreid. In Noord-Europa wordt zijn verspreiding begrensd door het areaal van de eik en reikt tot ongeveer de 60e breedtegraad. In veel landen is de soort zeldzaam tot verspreid voorkomend, maar lokaal kan hij vrij algemeen zijn. In kalkrijke gebieden ontbreekt hij vaak geheel. Door toenemende vermesting is de soort in de afgelopen decennia in veel delen van Europa sterk achteruitgegaan. In Nederland komt hij zeldzaam voor. Hij staat op de rode lijst in de categorie 'bedreigd'.

De mycorrhizazwam leeft meestal in symbiose met beuken of eiken en komt typisch voor in zure eiken-berken- of haagbeuk-eikenbossen met armer zand- of silicaatbodem. Af en toe wordt hij ook in naaldbossen gevonden. Hij vermijdt kalkbodems. De vruchtlichamen verschijnen van augustus tot november, meestal in kleine groepjes.