Theodosius Dobzhansky

Theodosius Dobzhansky
Theodosius Dobzhansky
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 25 januari 1900Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats NemyrivBewerken op Wikidata
Overlijdensdatum 18 december 1975Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats San JacintoBewerken op Wikidata
Beroep evolutiebioloog, geneticus,[1] zoöloog,[2] entomoloog, academisch docent, bioloog,[2] schrijver, natuuronderzoeker, population geneticist[3]Bewerken op Wikidata
Lid van Royal Society,[4] Duitse Academie der Wetenschappen Leopoldina, Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen, American Academy of Arts and Sciences,[5] Amerikaanse Filosofische Sociëteit,[6][7] Amerikaanse Nationale Wetenschapsacademie,[4] Genetics Society of America, American Society of Naturalists, Society for the Study of Evolution, American Society of Zoologists, Behavior Genetics Association, Accademia Nazionale dei LinceiBewerken op Wikidata
Academische achtergrond
Alma mater Taras Shevchenko Nationale Universiteit van Kiev (1917; 1921),[4] Columbia-universiteitBewerken op Wikidata
Promotor(s) Yuri Filipchenko, Grigoriy Andreevitsj LevitskiyBewerken op Wikidata
Wetenschappelijk werk
Vakgebied(en) genetica, evolutiebiologie, zoölogie, entomologieBewerken op Wikidata
Bekend van Genetics and the Origin of SpeciesBewerken op Wikidata
Prijzen en erkenningen Daniel Giraud Elliot Medal (1941), Kimber Genetics Award (1958),[4] Silliman Memorial Lectures (1958), Darwin Badge (1959),[8] eredoctoraat van de Universiteit van Sydney (29 augustus 1960),[9] Anisfield-Wolf Book Awards (1963), Buitenlands lid van de Royal Society (1965),[4] National Medal of Science (1967),[10] Franklin Medal (1973),[11] honorary doctor of the University of Rennes I (1974),[12] Guggenheim-lidmaatschap, eredoctoraat van de Université Paris-Diderot (1975)[13]Bewerken op Wikidata

Theodosius Dobzhansky (Oekraïens: Теодосій Григорович Добжанський, Teodosij Hryhorovytsj Dobzjanskyj; Russisch: Феодосий Григорьевич Добржанский) (Nemyriv, Oblast Vinnytsja, 25 januari 1900 - San Jacinto (Californië), 18 december 1975) was een Oekraïens-Amerikaans geneticus, entomoloog, evolutiebioloog en theïstisch evolutionist.

Biografie

Dobzhansky was het enige kind van Grigory Dobzhansky (een wiskundeleraar) en Sophia Voinarsky. Het gezin vestigde zich in 1910 in Kiev. In zijn middelbareschooltijd verzamelde Dobzhansky vlinders en was van plan om bioloog te worden. Tussen 1917 en 1921 studeerde hij aan de Universiteit van Kiev. Daarna ging hij naar Sint-Petersburg (Rusland) waar hij verder studeerde bij de Russische entomoloog Yuri Filipchenko die experimenteerde met bananenvliegjes (Drosophila melanogaster) in zijn laboratorium.

In 1924 trouwde hij met de Oekraïense erfelijkheidsdeskundige Natalia Sivertzeva die in Kiev werkzaam was. Het paar kreeg een dochter. In 1927 kreeg Dobzhansky een beurs van de Rockefeller Foundation voor verdere studie in de Verenigde Staten. Hij had toen al 35 wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. Eerst werkte hij onder de latere Nobelprijswinnaar Thomas Hunt Morgan aan de Columbia-universiteit in New York. Hij ging in 1930 met Morgan mee toen deze naar Californië verhuisde om verder te werken aan het California Institute of Technology. In 1937 verschenen zijn eerste publicaties over zijn werk aan fruitvliegen en de betekenis daarvan voor de moderne synthese. In datzelfde jaar kreeg hij het Amerikaanse staatsburgerschap.

In 1940 keerde hij terug naar New York en werkte tot 1962 aan de Columbia-universiteit, daarna werkte hij tot zijn pensionering (in 1971) aan het Rockefellerinstituut (kort daarna omgedoopt tot Rockefeller-universiteit). In 1969 overleed zijn vrouw en in diezelfde tijd leed Dobzhansky al enige tijd aan leukemie. Van 1971 tot zijn dood woonde hij weer in Californië en werkte daar als emeritushoogleraar aan de Universiteit van Californië, waar zijn vroegere student Francisco J. Ayala universitair docent (assistant professor) was geworden.

Zijn werk en nalatenschap

In de periode dat Dobzhansky naar Amerika kwam, was duidelijk geworden dat chromosomen de dragers van de erfelijkheid waren, dus de plek waar de genen zich bevonden. Fruitvliegjes waren ontdekt als ideaal onderzoekobject omdat ze gemakkelijk te kweken waren, weinig (slechts 8) chromosomen hadden en omdat deze chromosomen in de speekselklieren voorkwamen in grote structuren die gemakkelijk onder de microscoop te bestuderen waren. De molecuulstructuur van de genen, het DNA, werd echter pas in de jaren 1950 opgehelderd.

In de jaren 1930 heerste er onder erfelijkheidsonderzoekers grote scepsis over de kerngedachte uit de evolutietheorie van Charles Darwin, dat natuurlijke selectie de drijvende kracht was, omdat niet bekend was hoe verschillen tussen genen van dezelfde soort eruitzagen. Die selectie zou moeten optreden op erfelijke eigenschappen die vastgelegd zijn in de genen. De meeste onderzoekers waren van mening dat individuen van dezelfde soort ook praktisch identieke chromosomen hadden. mutaties waren wel bekend, maar die bleken vooral nadelig, vaak dodelijk voor het individu. Dus in strijd met de gedachte van geslaagde aanpassingen en survival of the fittest.

De grote verdienste van Dobzhansky is dat hij bewees dat er in de natuur wel degelijk verschillen waren binnen één soort. Hij had grote ervaring in het nauwkeurig werken met en analyseren van microscopische preparaten van insecten. Hij reisde in Noord-Amerika van Mexico tot Canada en verzamelde individuen van de fruitvlieg Drosophila pseudoobscura. Zo ontdekte hij kleine verschillen in de structuur van hun chromosomen. Volgens hem waren mutaties soms dodelijk, maar de meeste mutaties hadden nauwelijks effect. Deze mutaties hoopten zich geleidelijk op in de chromosomen van een bepaalde populatie. Zo ontstonden verschillen tussen populaties die geografisch van elkaar gescheiden waren. Als de scheiding maar lang genoeg duurde, zouden de verschillen zo groot worden dat de individuen elkaar niet meer als soortgenoten herkennen.

Dobzhansky blies hiermee de evolutietheorie nieuw leven in. Natuurlijke selectie op erfelijke eigenschappen kan dan immers leiden tot soortvorming. Zo kreeg de evolutietheorie weer aansluiting met het toenmalige moderne erfelijkheidsonderzoek en zo ontstond een nieuwe theorie waarbinnen zowel de erfelijkheidsleer (in het bijzonder de wetten van Mendel), paleontologie en de biosystematiek een plaats kregen en onderling elkaar konden aanvullen. Met Ernst Mayr was Dobzhansky een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de moderne synthese. Hierdoor konden nieuwe hypothesen worden geformuleerd die de basis vormden voor verder onderzoek. De bekendste uitspraak van Dobzhansky was Nothing in biology makes sense except in the light of evolution (Niets in de biologie is begrijpelijk, behalve in het licht van de evolutie) en dit is dan ook de kerngedachte van de moderne synthese.[14]

Werken

  • 1937. Genetics and the Origin of Species. Columbia University Press, New York. (2e druk 1941, 3e druk 1951)
  • 1954. The Biological Basis of Human Freedom
  • Dunn, L.C. en Dobzhansky, Th. 1946. Heredity, Race, and Society. The New American Library of World Literature, Inc., New York.
  • 1955. Evolution, Genetics, & Man. Wiley & Sons, New York.
  • 1962. Mankind Evolving. Yale University Press, New Haven, Connecticut.
  • 1967. The Biology of Ultimate Concern. New American Library, New York.
  • 1970. Genetics of the Evolutionary Process. Columbia University Press, New York.
  • 1973. Genetic Diversity and Human Equality
  • Dobzhansky, Th., F.J. Ayala, G.L. Stebbins en J.W. Valentine. 1977. Evolution. W.H. Freeman, San Francisco.
  • Dobzhansky, Th., R.C. Lewontin, J.A. Moore, W.B. Provine en B. Wallace. 1981. Dobzhansky's Genetics of Natural Populations I-XLIII. Columbia University Press, New York. (herdruk van de 43 publicaties in deze serie, waarvan op twee na Dobzhansky de (co)auteur was)

Publicaties (selectie)