Duinsterretje
| Duinsterretje | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Syntrichia ruralis (Hedw.) F. Weber & D. Mohr (1803) | ||||||||||||
![]() | ||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||
|
Tortula ruralis | ||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||
| Duinsterretje op | ||||||||||||
| ||||||||||||
Duinsterretje (Syntrichia ruralis) is een mossoort uit de kleimosfamilie (Pottiaceae). Het topkapselmos komt voor op kalkrijk zand.
Determinatie
- Uiterlijke kenmerken
Duinsterretje vormt geelgroene tot roodbruine zoden en soms zelfs kussens. De stengels bereiken een maximale hoogte van 8 cm. Meestal bereiken deze een hoogte van ongeveer 2 tot 4 cm, met een getande glashaar in het verlengde van de nerf.
Het blad is tot 4 mm groot en scherp gekield. Het heeft een glashaar recht op de bladtop. Bij vochtig weer staan de bladeren als een sterretje uit, bij droog weer zijn de bladeren rond de stengel gedraaid. De bladeren zijn aan de rand bijna tot aan de punt iets teruggerold.
Het sporenkapsel is eivormig. De kapselsteel (seta) is rood van kleur.
- Microscopische kenmerken
De laminacellen lijken licht op de bladbasis en zijn rechthoekig van vorm. In de bovenste helft van het blad daarentegen zijn ze rond en zeszijdig van vorm en duidelijk papillair.
Ecologie
Duinsterretje is een pioniersoort die hoofdzakelijk terrestrisch en epilitisch groeit. Het komt vooral voor op zand, gruis en steen. Zo is het veel te vinden in droge (pionier)graslanden in de duinen, op ruderale terreinen, op muren, beton, daken en tussen plaveisel. Het wordt zelden op hout aangetroffen, zelfs niet op dood hout of op schors.
Syntaxonomie
Syntaxonomisch gezien komt duinsterretje vooral voor in gemeenschappen van het duinsterretjes-verbond, de klasse van pioniergraslanden op gruis- en steenbodems, de klasse van ruderale gemeenschappen, de klasse van stippelkorsten en achterlichtmossen en de smaragdsteeltjes-klasse.
Verspreiding
Mos, dat vrij algemeen voorkomt in alle klimaatzones buiten de tropen. Het groeit zowel in de laaglanden en dringt door tot in het subalpiene niveau van de bergen. Ook in Nederland komt het algemeen voor.
Foto's
Blad- Sporenkapsel en peristoom
- Doorsnede van stam
- Laminacellen
Variëteiten
In Nederland komen drie variëteiten voor, namelijk:
- Groot duinsterretje (Syntrichia ruralis var. arenicola):
Komt voor in het binnenland maar is een echte plant van de kustduinen. Het groeit bij voorkeur als pionier op kalkhoudend zand, maar ook op andere basische substraten zoals beton, daken, muren en soms op bomen met een ruwe, basisch tot neutrale schors, zoals vlier en populier. Te herkennen aan de geelgroene bladen, gekielde bladtop en de als een lange gestekelde glashaar uitstekende nerf. De grootste bladbreedte is onder het midden. De volgroeide mosplant is tweemaal zo groot als Syntrichia ruralis var. calcicola. - Klein duinsterretje (Syntrichia ruralis var. calcicola):
Komt meer in het binnenland voor en minder in de duinen. Het wordt meer gevonden op zonnige en stenige of zandige grond en op basenrijke rotsen, muren, daken en bomen. - Daksterretje (Syntrichia ruralis var. ruralis):
Komt voor op basenrijke voedselrijke muren, daken en rotsen, soms stenige en zandige grond of ruwe schors. Het heeft vrijwel evenwijdige zijranden van de topbladen, de niet of nauwelijks toegespitste bladtop en doordat de bladtop niet of nauwelijks afloopt op de gestekelde -maar niet grof getande- glashaar.
| Klein duinsterretje | Groot duinsterretje | |
|---|---|---|
| Foto | ||
| Botanische naam | Syntrichia ruralis var. calcicola | Syntrichia ruralis var. arenicola |
| Kleur blad | donkergroen | geelgroen |
| Stand glashaar | geknikt | recht |
| kleur bladnerf | vaak roodbruin aangelopen | niet roodbruin aangelopen |
| grootste bladbreedte | ligt op of boven het midden | onder het midden |

