Appalachenkatoenstaart
| Appalachenkatoenstaart IUCN-status: Gevoelig[1] (2018) | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Sylvilagus obscurus Chapman, Cramer, Dippenaar & Robinson, 1992 | ||||||||||||
![]() | ||||||||||||
| Verspreidingsgebied van de appalachenkatoenstaart | ||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||
| Appalachenkatoenstaart op | ||||||||||||
| ||||||||||||
De appalachenkatoenstaart (Sylvilagus obscurus) is een zoogdier uit de familie van de hazen en konijnen (Leporidae). Hij onderscheidt zich van verwante soorten door een zwarte vlek tussen de oren, zwarte vacht langs de voorrand van de oren en roodachtig-grijze flanken met een zwarte waas. Het konijn komt voor in het hele Appalachengebergte, van Pennsylvania tot het noorden van Alabama. Deze soort leeft in habitats met een dichte, houtachtige ondergroei, zoals bossen in een vroeg successiestadium en volwassen bossen met heideachtige struiken, en wordt beschouwd als "gevoelig".[2]
Beschrijving
De kop van de appalachenkatoenstaart heeft doorgaans een zwarte vlek tussen de oren. De wangen zijn grijsgevlekt. De oren zijn rond met opvallend zwart haar langs de voorste randen. De bovenzijde is roodgrijs in de winter en roodbruin in de zomer, met een zwarte waas eroverheen, waardoor een potloodachtig effect ontstaat in plaats van een gevlekt effect. De buik is lichtgrijs tot wit en de voorpoten zijn roestbruin. De staart is tussen 1 en 6,5 cm lang, de achterpoten 8,9–9,8 cm, de oren 5,4–6,4 cm en het gewicht ligt tussen 750 en 1040 g.[2]
Anatomie
De tandformule van de volwassen appalachenkatoenstaart is 2.0.3.31.0.2.3 × 2 = 28, dat wil zeggen twee snijtanden, geen hoektand, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en een snijtand, geen hoektand, twee valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de onderkaak. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van de overige soorten van het geslacht Sylvilagus.[2]
Ontwikkeling en voortplanting
De draagtijd is 28 dagen. Bij de geboorte hebben de pasgeborenen weinig vacht en gesloten ogen, maar ze groeien snel gedurende hun ontwikkelingsperiode van 16 dagen. Op dag 7 beginnen de jongen hun ogen te openen en vertonen ze gecoördineerde bewegingen. Op dag 13 beginnen de jongen met foerageren, maar keren terug naar het nest om te rusten. Op dag 16 zijn ze volledig zelfstandig en hebben ze een uitstekende coördinatie. In Maryland en West Virginia vindt de voortplanting plaats van maart tot september, met een piek in de activiteit tussen maart en juli. De meeste vrouwtjes krijgen hun eerste nest in maart en april, waarna de volgende nesten later in het broedseizoen worden geboren. Minder dan 20% van de vrouwtjes plant zich voort gedurende hun eerste jaar. Na de bevalling komt het vrouwtje direct in oestrus en volgt de paring, wat leidt tot de geboorte van het volgende nest ongeveer 28 dagen later. Er is sprake van een sterke synchronisatie in de voortplanting, waarbij de meeste vrouwtjes rond dezelfde datum in oestrus komen, vooral aan het begin van het broedseizoen. Vrouwtjes krijgen vaak meerdere nestjes per jaar (zeven van de negen vrouwtjes in West Virginia/Maryland), waarbij latere nestjes doorgaans groter zijn met ongeveer 4 jongen dan de eerste nestjes met gemiddeld 3,2 jongen. Mannetjes zijn pas vanaf ongeveer 1 jaar oud vruchtbaar.[2]
Verschillen met verwante soorten
De appalachenkatoenstaart is niet te onderscheiden van de New Englandkatoenstaart op basis van vachtkleur of uiterlijke kenmerken, maar is geografisch gescheiden. Hij komt voor van Pennsylvania tot het noorden van Alabama, terwijl de New Englandkatoenstaart voorkomt in New England en het zuiden van New York ten oosten van de Hudsonrivier. De appalachenkatoenstaart heeft 23 paar homologe chromosomen (2n = 46) en de New Englandkatoenstaart 26 (2n = 52). Het mitochondriaal DNA van deze beide soorten is niet van elkaar te onderscheiden, en de soortvorming is ongeveer 12.000 jaar geleden begonnen. De Appalachenkatoenstaart leeft in hetzelfde gebied als de Floridakonijn. Deze twee soorten lijken oppervlakkig op elkaar, maar verschillen doorgaans in habitat, vachtkleur, grootte en schedelmorfologie. Het floridakonijn komt voor in open habitats met gras- of struikbegroeiing, terwijl de appalachenkatoenstaart doorgaans wordt aangetroffen in dichte struikbegroeiing in bosgebieden en kale bergtoppen. De appalachenkatoenstaart heeft een zwarte vlek tussen de oren en zwarte vacht langs de voorrand van de oren bij meer dan 90% van de individuen, kenmerken die bij minder dan 40% van het floridakonijn voorkomen. De appalachenkatoenstaart kan ook een witte vlek op het voorhoofd hebben, wat niet kenmerkend is voor volwassen appalachenkatoenstaarten. De appalachenkatoenstaart heeft ook een zwarte waas over de rug en is doorgaans kleiner dan het floridakonijn, met een totale lengte van 39,5–48 cm en een gewicht tussen 800 en 1500 g. De naad tussen de neusbeenderen en voorhoofdsbeenderen op de schedel is een gladde lijn bij het floridakonijn en een gekartelde en onregelmatige lijn bij de appalachenkatoenstaart.[2]
Taxonomie
De Amerikaanse zoöloog Outram Bangs onderscheidde in 1895 de appalachenkatoenstaart op basis van exemplaren uit Connecticut als ondersoort van het Floridakonijn en noemde deze Lepus sylvaticus transitionalis. De eveneens Amerikaanse zoöloog Joel Asaph Allen stelde in 1899 Lepus floridanus transitionalis voor als vervanging omdat de Zweedse zoöloog en archeoloog Sven Nilsson in 1831 de naam Lepus borealis sylvaticus al had gegeven aan de een ondersoort van de sneeuwhaas uit zuidelijk Scandinavië en Finland. In 1903 plaatste Marcus Ward Lyon Jr. de katoenstaarten in een eigen geslacht en creëerde op die manier de naam Sylvilagus (Sylvilagus) floridanus transitionalis. In 1909 verhief Edward William Nelson de ondersoort van Bangs tot soort en maakt zodoende de naam Sylvilagus transitionalis. L.A. Ruedas, R.C. Dowler en E. Aita stelden in 1989 vast dat de populaties in New England en ten oosten van de Hudsonrivier 52 chromosomen hebben terwijl die tussen Pennsylvania en noordelijk Alabama 46. J.A. Chapman, K.L. Cramer, N.J. Dippenaar en T.J. Robinson scheidden daarom in 1992 de noordelijke en zuidelijke vormen in aparte soorten, waarbij de New-Englandkatoenstaart als naam de combinatie van Nelson Sylvilagus transitionalis behield en de appalachenkatoenstaart de nieuwe naam Sylvilagus obscurus heeft gekregen. De appalachenkatoenstaart wordt ingedeeld bij de orde der Haasachtigen, de familie Leporidae en het geslacht Sylvilagus.[2]
Sylvilagus is afgeleid van het Latijnse sylva, wat "bos" betekent, en het Griekse λαγῶζ (lagōs) "haas", samen "boshaas". De soortnaam obscurus, is afgeleid van het Latijnse woord voor donker of geheimzinnige, werd gekozen vanwege het heimelijke gedrag en de geringe verschillen met de New-Englandkatoenstaart.[2]
Voorkomen en habitat
De appalachenkatoenstaart komt voor in de Verenigde Staten in het zuidelijke deel van de Appalachen, van Pennsylvania tot het noorden van Alabama. Het verspreidingsgebied van de soort overlapt verschillende fysiografische regio's: het Appalachenplateau, de Blue Ridge Mountains, de binnenlandse laagplateaus en de Ridge and Valley-regio. De soort wordt meestal aangetroffen in habitats boven 600 m, maar wordt ook op lagere hoogtes waargenomen. De Appalachenkatoenstaarten zijn mogelijk relicten die zich na de laatste ijstijd, toen het klimaat warmer werd, beperkt hebben tot locaties op grote hoogte.[2]
De appalachenkatoenstaart leeft over het algemeen in dichte, houtachtige ondergroei, jonge, dichte loofbossen gedomineerd door Rubus allegheniensis en volwassen gemengde eikenbossen met een dichte begroeiing van heideachtige struiken zoals lepelboom, Rhododendron en Vaccinium. Steile hellingen van meer dan 25° werden vermeden. De leefgebieden hadden een grotere hoeveelheid ondergroei onder de 1,5 meter dan het omringende habitat. De voorkeur ging uit naar gebieden op minder dan 2 meter afstand van schuilplaatsen en met een bladerdak dat voor minder dan 95% gesloten was. De soort kan voorkomen in naaldbosbestanden zoals Picea rubens, den en balsemzilverspar. Samenvattend gebruikt de Appalachenkatoenstaart een scala aan habitats, maar de meeste hebben dichte struiken of jonge boompjes die zowel beschutting als voedsel bieden.[2]
Gedrag
Appalachenkatoenstaarten zijn voornamelijk schemeractief, met een piek in activiteit vóór zonsopgang en na zonsondergang. Individuen zijn voorzichtig en schuw van aard en blijven meestal in of nabij dichte begroeiing. Dit creëert paden die een snelle ontsnapping mogelijk maken wanneer dat nodig is. Zelfs tijdens actieve perioden worden bewegingen vaak onderbroken door langere perioden van stilte. Overdag en bij slecht weer rusten de dieren in hun schuilplaats. Het foerageergedrag bestaat meestal uit bewegingen tussen dichte begroeiingen, maar ze wroeten en graven ook om bij wortels te komen.[2]
Het stereotiepe poetsgedrag volgt deze volgorde: 1) het schoonmaken en likken van poten, voeten en achterpoten, 2) het likken van de voorpoten en het gebruiken ervan om gezicht en oren schoon te maken, en 3) het likken en bijten van achterpoten, borst en buik. Bij schrik gaan appalachenkatoenstaarten alert zitten en verstijven om zich indien nodig daarna in een rechte lijn te verplaatst om dekking te zoeken. Als hij wordt achtervolgd, gebruikt hij zigzagbewegingen om roofdieren te verwarren. Tijdens warme perioden probeert hij zichzelf af te koelen door te hijgen en te gaan liggen met gespreide ledematen en de buik in contact met de grond.[2]
Er zijn drie geluiden bekend van de appalachenkatoenstaarten: een tik-gepiep, een piep en een noodkreet. Het tik-gepiep, een tjirpende, klikkende of ratelende roep, varieert sterk tussen individuen en wordt doorgaans geuit tijdens sociale interacties en voortplantingsgedrag. Dominante mannetjes gebruiken het tik-gepiep richting ondergeschikte mannetjes. De piep is een hoog geluid dat wordt geproduceerd tijdens sociale interacties wanneer individuen opgewonden of geschrokken zijn. De noodkreet is een luide, hoge schreeuw die door volwassen dieren of jongen wordt geuit wanneer ze zich bedreigd voelen. In tegenstelling tot andere konijnensoorten zijn er geen geurkliermarkeringen waargenomen. Uitwerpselen worden geconcentreerd in latrines, die zich bevinden in gebieden waar individuen veel tijd doorbrengen, zoals bij uitkijkposten of stenen.[2]
Voortplanting
Geen van beide geslachten is territoriaal, maar individuen vertonen wel een voorkeur voor bepaalde gebieden. Hoewel individuen doorgaans solitair leven, zullen ze interactie hebben tijdens hun dagelijkse bewegingen en wanneer de voedsters een vruchtbare periode hebben. Voedsters zijn vaak agressief tegenover rammelaars, maar soms vormt een voedster een kortstondige partnerrelatie met een rammelaar tussen de vruchtbare periodes. Partners blijven tijdens hun dagelijkse bewegingen binnen 1-2 meter van elkaar, maar vermijden direct contact. Naarmate de de vruchtbare periode nadert worden voedsters agressiever tegenover rammelaars en zullen ze geen paren meer vormen. Rammelaars ontwikkelen een onderlinge hiërarchie, wat er vaak toe leidt dat ondergeschikte mannetjes dominante geslachtsgenoten vermijden. Dominante rammelaars verdrijven soms ondergeschikten door ze aan te vallen. Achtervolgingen komen ook voor, maar gevechten zijn bij deze soort niet waargenomen. Naarmate de vruchtbare periode van voedsters nadert, worden de rammelaars onderling agressiever. Vanaf 2-3 dagen voor de vruchtbare periode is de voedster zeer agressief tegenover rammelaars. Op de dag van de eisprong achtervolgen de rammelaars de voedster in een voortplantingsjacht. De paring vindt plaats wanneer een rammelaar een ontvankelijk voedster van opzij of van achteren benaderd, bestijgt, haar flanken vastgrijpt met zijn voorpoten, 4-5 maal snel stoot en vervolgens weer afstapt. Na de paring bewegen de geslachten zich van elkaar weg en beginnen ze met zelfverzorging en foerageren. Voedsters paren waarschijnlijk slechts met één rammelaar per bronstperiode. Binnen 24 uur na de paring worden de voedsters weer agressief tegenover rammelaars en neemt de sociale interactie tussen de geslachten af. Een tot twee dagen voor de bevalling graaft de voedster een hol of een kom zo groot als haal lichaam op een open plek in dichte begroeiing of onder een stapel takken, om de jongen te werpen. Na de bevalling zoogt en verzorgt het vrouwtje haar jongen en legt ze in het nest, dat bekleed is met haar van haar eigen lichaam. Bij het verlaten van het hol sluit het vrouwtje de opening af met vacht en camoufleert deze door bladeren en takjes over de ingang te stampen. Vrouwtjes bezoeken het nest eenmaal per dag om de jongen te zogen, meestal tegen de schemering. Jongen zijn erg schuw en maken geen geluiden en spelen niet.[2]
Ecologie
Concurrentie met de appalachenkatoenstaart komt waarschijnlijk veel voor in zijn hele verspreidingsgebied. Het Floridakonijn is een habitatgeneralist, gedijt goed in door de mens veranderde habitats en komt veel voor in dezelfde gebieden. Roofdieren zijn waarschijnlijk zowel zoogdieren als vogels, waaronder rode lynx, coyote, grijze vos, vos, kleine martersoorten en roofvogels. Andere doodsoorzaken zijn blootstelling aan winterweer, jacht en aanrijdingen met voertuigen. Er is weleens gezien dat een oostelijke wangzakeekhoorn een jonge appalachenkatoenstaart aanviel en verwondde.[2]
Voedsel
In westelijk Maryland varieert het dieet van de appalachenkatoenstaart per seizoen. In de winter eet het dier voor meer dan 85% uit houtachtig materiaal, terwijl in de overige seizoenen meer dan 70% grassen en kruidachtige planten worden verorberd, zoals Aster prenanthoides, Cryptotaenia canadensis, Dryopteris marginalis, Hieracium floribundum, Hieracium scabrum, Lotus corniculatus, witte honingklaver, mossen, klaverzuring, scherpe boterbloem, Smilacina racemosa, guldenroede, Spiranthes cernua en klaversoorten, en de houtachtige soorten Gaultheria procumbens, bramensoorten en Smilax rotundifolia. Ook de vruchten van meidoorn worden gegeten. Hoewel het dier zich door diepe sneeuw kan graven om bij de vegetatie te komen, is hij tijdens zware sneeuwval vaak afhankelijk van naalden van coniferen zoals spar en oostelijke hemlockspar. Water wordt waarschijnlijk verkregen uit de gegeten vegetatie, aangezien het drinken van vrij water niet wordt waargenomen. In een natuurlijke omheining in Maryland at de soort de bast van suikeresdoorn, varens, grassen, kruidachtige planten zoals Maianthemum canadense, Polygonatum biflorum, Smilacina racemosa en Viola rotundifolia, en houtachtige planten zoals Amerikaanse toverhazelaar, sumak en robinia. In West Virginia zijn de meest gegeten houtachtige plantensoorten in de winter krentenboompje, kamperfoelie en Photinia waren, en in mindere mate rode esdoorn, Amerikaanse toverhazelaar, Gaultheria procumbens en Vaccinium. De meest vermeden houtachtige plantensoort was lepelboom, gevolgd door Rhododendron, Ilex montana, Nemopanthus mucronatus en sneeuwbal. Rubus-soorten werden noch geprefereerd noch vermeden.[2]
Er wordt aangenomen dat de appalachenkatoenstaart, net als de meeste andere konijnensoorten, zijn eigen ontlasting eet. Op basis van observaties van Floridakonijnen blijkt dat konijnen twee soorten uitwerpselen produceren: harde bruine keutels en zachte groene keutels met een slijmlaagje. Harde keutels bestaan uit slecht verteerde, grote voedseldeeltjes, terwijl zachte keutels ontstaan uit voedsel dat door de blindedarm is gegaan en verder is verteerd. Daardoor bevatten zachte keutels een hoger stikstofgehalte. Meestal worden alleen de zachte keutels opnieuw gegeten, maar er zijn meldingen dat ook de harde keutels bij sommige haasachtigen opnieuw worden gegeten.[2]

