Suffridus Petrus

Suffridus Petrus

Suffridus Petrus of Suffridus Petri (Leeuwarden, 15 juni 1527 - Keulen, 23 januari 1597) was een geschiedschrijver die uitgebreid schreef over de Friese geschiedenis.

Biografie

Suffridus Petrus werd als Sjoerd Pietersz(oon) geboren in Leeuwarden en studeerde in Leuven . In 1547 vertrok hij naar Leuven, waar hij aan de academie vooral de klassieke oudheid bestudeerde.[1] In 1553 keerde hij wegens "huiselijke omstandigheden" terug naar Leeuwarden, om in 1556 weer naar Leuven te gaan, waar hij als privaat-docent lezingen hield over Griekse en Latijnse schrijvers.[1]

Op aanbeveling van Leuvense professoren werd hij in 1557 benoemd tot hoogleraar in de klassieke talen in Erfurt.

In 1559 nodigde de Raad van Groningen hem uit om rector van de St. Maartensschool te worden, als opvolger van Praedinius. Suffridus bedankte voor deze eer.[1]

Op voordracht van Joachim Hopperus werd Suffridus in 1562 secretaris en bibliothecaris van Granvelle. Tijdens zijn verblijf te Brussel besloot hij de geschiedenis van Friesland te beschrijven en begon de stof daarvoor te verzamelen.[2]

In hetzelfde jaar bood Philips II hem een leerstoel aan, aan de in 1562 opgerichte universiteit te Douai. Suffridus bedankt voor de eer.[1]

In 1564 deed de Groningse Raad opnieuw een beroep op hem en bood hem een lectoraat in het Romeinse recht aan. Voor deze functie had hij wel belangstelling, maar uiteindelijk is deze aanstelling er niet van gekomen.[1]

Suffridus vestigde zich weer in Leuven, om in 1567 weer terug te keren naar Friesland, waar hij tot 1570 bleef. In 1577 werd werd hij buitengewoon hoogleraar aan de Apostelschool in Keulen, een functie die hij tot aan zijn dood zou vervullen.

Ondertussen werkte Suffridus aan de Annales Frisiae, wat een 24-delig werk over de geschiedenis van Friesland tot het einde van zestiende eeuw zou moeten worden. Voorlopig zou alleen het 17e deel verschijnen, maar dan weer verdeeld in drie boeken. Deze werden uitgegeven onder de titel De Frisiorum antiquitate et origine libri tres (Drie boeken over de oudheid en oorsprong van de Friezen). Dit werk werd in Friesland zo positief ontvangen, dat Suffridus op 28 oktober 1590 werd benoemd tot geschiedschrijver van Friesland, met een jaarwedde van 300 Carolusguldens.[2][3]

Vervolgens verscheen van Suffridus' hand De scriptoribus Frisiae decades XVI et semis, waarin de levens van 165 schrijvers werden beschreven en de titels van hun werken vermeld werden.[2]

Kort daarna werd Suffridus fel aangevallen door Ubbo Emmius, die zelf ook bezig was een werk over de Friese geschiedenis uit te geven. Emmius beschuldigde Suffridus ervan "fabelachtigen onzin" te schrijven, waardoor zijn wetenschappelijk karakter werd aangetast. Suffidus zag zich dan ook genoodzaakt zich fel te verdedigen en schreef zijn Suffridi Petri Apologia pro antiquitate et origine Frisiorum, cum B.G. Furmerii peroratione contra Ubbonem Emmium (Suffridus' apologie voor de oudheid en oorsprong van de Friezen, met B.G. Furmers peroratie tegen Ubbo Emmius). Dit verscheen echter pas na Suffridus dood, waarna de twist verder uitgevochten werd tussen Emmius en Suffridus' medestander Furmerius.[2]

Suffridus overleed in 1597 en werd begraven in de Apostelkerk, waar in 1611 een monument voor hem is opgericht.[1]

Het kan niet ontkent worden dat Emmius wel degelijk een punt had. Suffridus een zonder meer een geleerd man, die zijn werk serieus nam. Bij het bestuderen van zijn werk moet echter bedacht worden, dat hij nogal lichtgelovig aanvaardde wat hij bij vroegere auteurs vond en daarbij niet altijd mythen van feiten wist te onderscheiden.[2]

Bibliografie