Springspinnen

Springspinnen
Mannetje van de soort Plexippus paykulli, Florida (VS)
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse:Arachnida (Spinachtigen)
Orde:Araneae (Spinnen)
Familie
Salticidae
Blackwall, 1841[1]
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Springspinnen op Wikispecies Wikispecies
(en) World Register of Marine Species
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Springspinnen (Salticidae) zijn een familie van spinnen die wereldwijd voorkomen maar door hun geringe lichaamsgrootte vallen ze in het veld nauwelijks op. Er zijn anno 2025 ongeveer 6850 verschillende soorten bekend waarmee ze de grootste spinnenfamilie vormen.[2]

Springspinnen danken hun naam aan het vermogen om prooidieren gericht te kunnen bespringen. Ze beschikken hiertoe over zeer goed ontwikkelde ogen en buitengewoon snelle reflexen. Het gezichtsvermogen van de dieren wordt beschouwd als het best ontwikkelde visuele systeem in de wereld van de geleedpotigen.

Ze zijn vrijwel zonder uitzondering overdag actief en zijn actieve jagers die geen web maken zoals veel andere spinnen. Springspinnen zijn daarnaast te herkennen aan hun snelle, schokkerige bewegingen.

Springspinnen verschillen van andere spinnen door hun gedrongen lichaamsbouw en korte, brede poten. Ze leven soms gedeeltelijk of zelfs geheel van plantendelen zoals nectar. Dergelijke vegetarische soorten zijn uniek in de spinnenwereld.

Naam en indeling

Tekening van John Blackwall van een aantal springspinnen uit zijn publicatie A history of the Spiders of Great Britain and Ireland.

De wetenschappelijke naam van de springspinnen werd voor het eerst voorgesteld door John Blackwall in 1841. Blackwall (1790 - 1881) was een Brits natuuronderzoeker die met name geïnteresseerd was in spinnen. De naam Salticidae komt van het Latijnse 'saltare', dat 'springen' of 'dansen' betekent. Deze naam slaat op de springende manier van voortbewegen en het al springend jagen op prooien. Een dergelijke naam wordt ook in veel andere talen gebruikt, zoals het Engelse jumping spiders en het Franse araignées sauteuses.

De meeste spinnen hebben zwak ontwikkelde ogen en een daarmee gepaard slecht zicht. Springspinnen daarentegen hebben juist zeer goed ontwikkelde ogen en een zeer scherp zicht dat niet te vergelijken is met dat van andere spinnenfamilies. Uit welke tak van spinnen de springspinnen uiteindelijk zijn ontstaan is lange tijd niet geheel duidelijk geweest. Tegenwoordig blijkt dat de springspinnen samen met struikzakspinnen (Clubionidae), de bodemjachtspinnen (Gnaphosidae), de loopspinnen (Corinnidae) en de renspinnen (Philodromidae) tot de Dionycha behoren. Een kenmerk van deze groep van spinnen is dat ze niet in het bezit zijn van een zeefplaat of cribellum.

De indeling van de springspinnen in geslachten en onderfamilies is lange tijd aan verandering onderhevig geweest. Eugéne Simon verdeelde de groep in 1903 op basis van de tanden op de cheliceren in drie groepen, maar deze indeling bleek wat kunstmatig. Later werden de dieren door de Poolse arachnoloog Jerzy Prószyński geclassificeerd op basis van hun geslachtsorganen maar ook deze indeling bleek geen duidelijkheid te verschaffen over alle soorten en geslachten.[3] De geslachtsorganen van springspinnen zijn relatief eenvoudig gebouwd en verschillende soorten kunnen daardoor sterk gelijkende genitaliën hebben.

In 2015 werd door Wayne P. Maddison een nieuwe classificatie voorgesteld op basis van moleculair onderzoek. Deze indeling wordt tegenwoordig algemeen aanvaard. Springspinnen worden hierbij verdeeld in zeven onderfamilies die over het algemeen erkend worden als een monofyletische groep. Hiervan is de onderfamilie Salticinae verreweg het grootst en omvat de meeste soorten. Deze onderfamilie wordt verder verdeeld in de hoofdclades Amycoida en Salticoida en 27 tribussen.[3]

Een moeilijkheid bij het classificeren van de springspinnen is het feit dat sommige families wat basalere kenmerken vertonen. Voorbeelden zijn de families Lyssomaninae, Spartaeinae en Hisponinae. De vertegenwoordigers van deze groepen bezitten bijvoorbeeld een tarsale klauw aan de palp van de vrouwtjes, hebben minder complexe adembuisjes of vertonen juist complexe structuren aan de palpen.[4]

Hoe de ene onderfamilie zich naast dan wel uit de andere heeft ontwikkeld is nog niet goed begrepen. Uit vondsten van fossiele springspinnen in barnsteen met een leeftijd van 35 tot 40 miljoen jaar worden geen vertegenwoordigers uit de onderfamilie Salticinae gevonden. De soorten uit de onderfamilie Hisponinae zijn hier juist veel vertegenwoordigd. Tegenwoordig behoort ruim 90 percent van de springspinnen tot de Salticinae en komen de soorten uit de Hisponinae-familie gerestricteerd voor. In de loop van de tijd zijn de Salticinae kennelijk dominant geworden ten koste van de Hisponinae.

Lijst van families

In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de onderfamilies van de springspinnen weergegeven met het verspreidingsgebied, het aantal geslachten[3] en een voorbeeldsoort.

Lijst van onderfamilies van springspinnen
Naam Auteur Verspreidingsgebied Groepsomschrijving Kenmerken Voorbeeldsoort Afbeelding
Asemoneinae Maddison, 2015 Azië en Afrika Vijf geslachten Alle soorten hebben een halfdoorzichtig lichaam en lange poten. Asemonea tenuipes
Eupoinae Maddison, 2015 Tropisch zuidoostelijk Azië Drie geslachten Kleine, bodembewonende soorten. Lapsias lorax
Hisponinae Simon, 1901 Azië en Afrika Negen geslachten Achter de laterale ogen heeft de oogheuvel een versmalling. Jerzego corticicola
Lyssomaninae Blackwall, 1877 Noord- en Zuid-Amerika, India Twee geslachten De voorste laterale ogen zijn boven de voorste mediane ogen gelegen. Lyssomanes jemineus
Onomastinae Maddison, 2015 Azië 1 geslacht Half doorzichtig lichaam en lange poten, de palpen zijn relatief gecompliceerd. Onomastus kanoi
Salticinae Blackwall, 1877 Wereldwijd Alle andere geslachten Dit is de grootste familie die vrijwel 90 procent van de soorten omvat. Pseudeuophrys lanigera
Spartaeinae Wanless, 1984 Azië, Australië, Afrika 29 geslachten Veel soorten hebben vergrote achterste mediane ogen, echter niet allemaal. Portia schultzi
Zie de lijst van springspinnen voor een volledig overzicht van alle soorten.
Zie de lijst van geslachten van de springspinnen voor een overzicht van alle geslachten.

Verspreiding en habitat

Springspinnen komen wereldwijd voor, behalve in permanent heel koude streken zoals de uiterste delen van de poolgebieden. Het overgrote deel komt voor in tropische en subtropische gebieden rond de evenaar.

In Europa komen 480 verschillende soorten springspinnen voor, verdeeld over 73 geslachten.[5] In België en Nederland komen ongeveer 50 soorten voor. Een aantal hiervan is alleen bekend van incidentele gevallen zoals dieren die per ongeluk worden ingevoerd met de import van planten. De felgekleurde vuurspringer (Philaeus chrysops) is hier een voorbeeld van, deze soort komt voor rond het Middellandse Zeegebied. Van dergelijke soorten is niet bekend of ze zich hier kunnen voortplanten. Zie ook de lijst van springspinnen in België en Nederland.

De habitat verschilt vaak per groep. Soorten uit het geslacht Evarcha komen voor in droge weilanden en bossen terwijl soorten uit het geslacht Marpissa meer zijn aangepast op het leven op boomschors. Sommige soorten zijn te vinden in lage vegetatie zoals grassen en struiken, andere hebben een voorkeur voor takken in bomen. Soorten uit het geslacht Menemerus prefereren stenige muurtjes of rotsen. Dergelijke soorten kunnen ook in stedelijke gebieden voorkomen, met als bekend voorbeeld de huisspringspin (Pseudeuophrys lanigera) die ook in België en Nederland te vinden is.[6]

Uiterlijke kenmerken

Aangepaste afbeelding van de algemene kenmerken van een springspin. Afgebeeld is de soort Colonus puerperus, kopzijde links.
  • PR = Prosoma
  • OP = Opisthosoma
  • P = Palp
  • S = Spintepels
  • Am = Voormediaan
  • Al = Voorlateraal
  • Pm = Achtermediaan
  • Pl = Achterlateraal
  • L1 = Eerste poot (tarsus)
  • L2 = Tweede poot (metatarsus)
  • L3 = Derde poot (tibia)
  • L4 = Vierde poot (patella)

Springspinnen hebben een lichaamsbouw die grofweg vergelijkbaar is met die van andere echte spinnen; een kopborststuk of prosoma (ook wel cephalothorax genoemd), een achterlijf of opisthosoma en vier paar poten die bestaan uit verschillende segmenten.

Op het kopborststuk is een verhoging aanwezig, de oogheuvel, waarop de vier paar ogen gelegen zijn. Van de ogen zijn het voorste paar verreweg het grootst. Springspinnen hebben een stevig, harig lichaam, dat meestal bruin of zwart tot grijs is. De lichaamsbeharing van het lijf en de poten bestaat uit tastzintuiglijke haartjes die gevoelig zijn voor trillingen, zoals geluidstrillingen in de lucht. De springspin is in staat om laagfrequente tonen waar te nemen met de haartjes op het lijf op een afstand van meer dan drie meter.[7]

Springspinnen blijven relatief klein, de kleinste soorten zijn slechts enkele millimeters lang en de grootste soorten bereiken een lichaamslengte van iets meer dan twee centimeter. De voor zover bekend grootste soort is Hyllus giganteus uit Indonesië en Australië, die tot 25 millimeter lang wordt.[8]

Vorm en tekening

Springspinnen hebben allemaal vergrote ogen en een verhoogde oogheuvel maar kennen verder een enorme variatie in lichaamsvormen. Sommige soorten lijken op takjes, andere op steentjes en weer andere bootsen mieren na waarvan ze nauwelijks te onderscheiden zijn. Springspinnen kunnen kleuren waarnemen en hierdoor kennen ze een grote verscheidenheid aan kleuren en tekeningen. Zo kunnen soortgenoten elkaar makkelijker herkennen.

Bij veel tropische soorten vertonen mannelijke en vrouwelijke dieren vaak levendige kleuren zoals blauw, rood en geel, vaak met ingewikkelde patronen van strepen, vlekken en stippen. De soort Nycerella delecta heeft een overwegend helder witte kleur, met zwarte en rode vlekjes. Van de soort Carrhotus xanthogramma werd lange tijd gedacht dat het mannetje en het vrouwtje twee verschillende soorten waren vanwege de sterke seksuele dimorfie. De vrouwtjes zijn veel bonter van kleur en hebben soms een rood achterlijf terwijl de mannetjes vrij onopvallend zijn.[9]

Springspinnen hebben naast een lichaamsbeharing vaak ook schubben. Deze bestaan uit aangepaste lichaamsharen die verdikt zijn en over de huid liggen. Deze zijn bij veel soorten verantwoordelijk voor de bonte kleuren. Schubben komen bij ongeveer tien procent van de spinnenfamilies voor en lang niet bij alle soorten binnen een familie. Bij springspinnen zijn schubben gemeengoed; de meeste soorten hebben lichaamsvlakken die bedekt zijn met schubben en soms bedekken ze bijna het gehele lichaam. Schubben zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de lichaamskleur van dergelijke soorten, een voorbeeld is de huiszebraspin.

De springspin Myrmaplata plataleoides lijkt sprekend op een mier.

De schubben van de pauwspinnen uit het geslacht Maratus kunnen 'superzwart' zijn, wat betekent dat 99 procent van het licht wordt geabsorbeerd. De contrasterende felle kleuren op het achterlijf steken zo nog beter af.[10] Soorten uit het geslacht Lyssomanes hebben geen schubben maar bij hen ontbreekt ook een dichte lichaamsbeharing.[11]

Van veel soorten is ontdekt dat het lichaam kleuren in het ultraviolette spectrum kan weerkaatsen en dat de dieren dit licht ook kunnen waarnemen. Hierdoor kunnen soortgenoten elkaar overdag goed zien als er uv-licht wordt uitgestraald door het licht van de zon. Bij de Aziatische soort Phintella vittata is dit goed onderzocht en blijkt dat de dieren een golflengte kunnen waarnemen van 280 tot 315 nanometer, wat valt onder UVB.[12]

Een groot aantal springspinnen heeft een uitstekende camouflage waardoor ze wegvallen tegen de achtergrond in de natuurlijke habitat. Sommige soorten klemmen zich tegen een takje om niet op te vallen en andere hebben een kleur en tekening die niet opvalt op boombast of op een zandgrond. Sommige soorten bootsen mieren na waarbij ze zeer moeilijk te herkennen zijn als spin. Voorbeelden zijn soorten uit de geslachten Myrmaplata, Leptorchestes en Myrmarachne. Dergelijke springspinnen bootsen niet alleen de drie paar poten van de mieren na, waarbij het voorste potenpaar gecamoufleerd is als antennes of als kop, maar vertonen ook de petiole, de zeer dunne insnoering van het achterlijf van mieren.

Poten

Met de voorste poten worden visuele signalen afgegeven om vrouwtjes te lokken of concurrenten te verjagen. Hier twee vechtende mannetjes van de vuurspringer (Philaeus chrysops).

De voorste twee paar poten van de springspin zijn vaak de langste. De voorste poten worden veel gebruikt om signalen naar het andere geslacht af te geven, wat een rol speelt bij de balts. Ook worden de poten gebruikt om concurrerende mannetjes weg te jagen. Veel springspinnen maken gebruik van hun voorste poten als drumstokjes om uiterst snelle en ritmische geluiden te creëren om een vrouwtje te verwelkomen. De voorste poten van bepaalde soorten hebben aan het uiteinde kleine, kwastachtige haarpluimpjes, die als pompon worden ingezet om de vrouwelijke dieren te versieren. Bij andere soorten wordt het derde potenpaar gebruikt om signalen uit te zenden, zoals soorten uit het geslacht Maratus. Bij deze soorten heeft het uiteinde van de poten een opvallende witte kleur.[10] Bij soorten die mieren imiteren worden de voorste poten omhoog geheven tijdens het lopen om de antennes van mieren na te bootsen.

De voorste twee potenparen zijn relatief korter dan die van de krabspinnen (Thomisidae). Daarnaast beschikken krabspinnen over poten die lateraal uit elkaar staan, waardoor ze zijwaarts kunnen bewegen. De voorste poten van springspinnen zijn vaak op een opvallende manier verdikt. Bepaalde springspinnen beschikken echter niet over de kenmerkende verdikte, gedrongen poten, zoals de mannelijke exemplaren van de soort Cosmophasis micarioides, die bijna zweepachtige voorpoten hebben.

De middelste twee paar poten zijn vooral bedoeld om te lopen. In de meeste gevallen hebben ze geen grote stekels aan hun poten, in tegenstelling tot soorten uit de familie loopspinnen (Corinnidae), die stekels aan de achterste twee paren van hun poten bezitten. De leden van de familie lynxspinnen (Oxyopidae) beschikken over lange, doornachtige structuren aan al hun poten.

Het vierde (achterste) potenpaar wordt doorgaans ingezet voor het springen. De poten worden hierbij in de lengterichtring geplaatst, waarna ze snel worden gestrekt. Bij bodembewoners wordt het derde potenpaar vaak ingezet tijdens de sprong. De poten worden dwars op de lichaamsas geplaatst voor de afsprong. Bij de soorten van het geslacht Jotus wordfen beide potenparen gebruikt.[13] Bij het landen op een prooi worden de poten naar voren geplaatst en zodra de spin contact maakt, worden ze als een kooi om de prooi heen gebogen. Van verschillende soorten is bekend dat korte stekels aan de onderkant van de poten de prooi kunnen doorboren om deze te fixeren.

De onderzijde van de poot, de tarsus of voet, bevat kleine kussentjes die bedekt zijn met fijne haartjes die setae worden genoemd. Deze kleine, pluimachtige haartjes dienen om de spin grip te geven op een gladde ondergrond. Bij het experimenteel verwijderen van de haartjes blijken de spinnen uit te glijden als ze willen springen vanaf een gladde ondergrond.[14] Bij springspinnen, meer bepaald de bonte grasspringspin (Evarcha arcuata), is ontdekt dat de haartjes zo fijn zijn dat vanderwaalskrachten optreden die het hechtvermogen sterk vergroten. Een dergelijk mechanisme is ook bekend van bijvoorbeeld gekko's. Naast kussentjes bezitten alle soorten klauwtjes die lijken op kleine haakjes. Ook deze dienen om de grip te vergroten door zich in oneffenheden in de ondergrond te haken. De kussentjes en de klauwtjes kunnen zich onafhankelijk van elkaar bewegen.[15]

Kopborststuk

Het kopborststuk kan gekanteld worden om de ogen beter te focussen

Het kopborststuk of cephalothorax draagt de poten aan de onderzijde en aan de voorzijde is de kop gelegen die de monddelen draagt. Net als bij veel andere spinnen is het kopborststuk duidelijk te onderscheiden van het achterlijf door een sterke insnoering. De bovenzijde van het kopborststuk is verhard en wordt het carapax genoemd. Bij de soorten die mieren imiteren is het achterste deel van het kopborststuk sterk ingesnoerd om de gelijkenis met een mier te versterken. Bij de in 2003 beschreven soort Depreissia decipiens is achterlijf extreem ver ingesnoerd zodat de spin nauwelijks meer als zodanig te herkennen is.[16]

Het kopborststuk is bij springspinnen aan de voorzijde opvallend sterk rechthoekig gewelfd. Het verhoogde voorste deel wordt de oogheuvel genoemd en heeft een platte voorzijde waar het voorste paar ogen geplaatst is. De voorzijde van de oogheuvel doet hierdoor enigszins aan als het 'gezicht' van de spin, het geheel is meestal niet of slechts licht behaard. De oogheuvel is bij veel soorten voorzien van een afstekende tekening of een kleurenmasker. Een voorbeeld is de soort Maratus personatus, die hier een helder blauwe horizontale band heeft.

Monddelen

Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de monddelen gepositioneerd; deze bestaan uit de pedipalpen en de cheliceren. De pedipalpen zijn geleed en zijn het langst, zij worden gebruikt als tastorgaan, dienen om voedsel in de mondopening te duwen en spelen ook een rol bij de balts. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes zwaaien vaak met de palpen naar elkaar om elkaar te verleiden of juist aan te geven dat een soortgenoot beter uit de buurt kan blijven. De pedipalpen van de mannetjes spelen net als bij andere spinnen een rol bij de sperma-overdracht. Het sperma wordt hierbij in de pedipalp geplaatst en overgedragen aan het vrouwtje dat het op haar beurt in haar geslachtsopening plaatst.

De cheliceren bestaan uit een basaal en sterk verbreed deel (paturon) en een kleiner distaal deel (de giftand). De basis van de cheliceren is bij veel springspinnen opvallend van kleur en heeft vaak een iriserende glans. Hierdoor vallen ze goed op en de cheliceren worden door de mannetjes, net als de pedipalpen, gebruikt om de aandacht van vrouwtjes te lokken.

Ogen

Schematische weergave van de ogen en de positie ervan bij de soort Terralonus californicus.
PL = Achterste lateraal
PM = Achterste mediaal
AL = Voorste lateraal
AM = Voorste Mediaal

Net als andere spinnen hebben springspinnen vier paar ogen, dus acht in totaal, die in grootte verschillen. Alle ogen zijn voorzien van een enkelvoudige, onbeweeglijke lens. De ogen zijn oppervlakkig vergelijkbaar met de ocelli van insecten en bestaan niet uit een samengesteld lenzenstelsel of facetoog zoals ook bij insecten voorkomt. Het visueel systeem van springspinnen is het hoogst ontwikkeld van alle soorten spinnen en wellicht zelfs van alle geleedpotigen.[17]

De ogen zijn zowel van voor naar achter als van links naar rechts in twee rijen in te delen. Er is een voorste rij (anterieur) en een achterste rij (posterieur) en een rij aan de zijkant (lateraal) en een rij in het midden (mediaan). Het best ontwikkelde ogenpaar is aan de voorzijde van de oogheuvel gelegen, deze ogen worden de voorste mediane ogen genoemd. De ogen die hierachter geplaatst zijn, worden met achterste mediane ogen aangeduid. De twee paar ogen aan de zijkant van de oogheuvel staan bekend als de voorste en de achterste laterale ogen. Zowel de achterste mediane ogen als alle laterale ogen zijn minder goed ontwikkeld en fungeren meer als bewegingsdetectoren. De exacte plaatsing van de ogen kan per geslacht of zelfs soort verschillen en vormt een belangrijk determinatiekenmerk.

Mediane ogen

De mediane ogen van Platycryptus undatus.

De voorste mediane ogen zijn het best ontwikkeld en deze ogen zijn in staat om diepte te zien. Het voorste mediane oog bestaat uit een buis-achtige structuur die met zes paar spiertjes kan worden bewogen.[18] De buis heeft een onbeweeglijke lens aan de bovenzijde en een lens aan de achterzijde die kan worden verplaatst. De werking lijkt op een telescoop, hierdoor ontstaat een heel kleine beeldhoek en een zeer goede gezichtsscherpte.[19] De onderste lens kan ook van links naar rechts bewegen en naar boven en onder. Bij springspinnen die een deels doorzichtig kopborststuk hebben zijn de oogbewegingen ook goed in vivo te zien van buitenaf.

De mediane ogen bevatten opsinen, dit zijn fotoreceptormoleculen die zich bevinden in lichtgevoelige cellen in de retina van het oog. Deze zorgen dat het oog in staat is om blauw licht en UV-licht waar te nemen.[20]

Het licht valt uiteindelijk op de retina die uit vier verschillende pigmentenlagen bestaat. Iedere laag heeft een verschillend absorptiespectrum. De cellen voor de langste golflengten (die het minst worden gebogen door de lens) liggen hierbij ook het verst van de lens af. De retina heeft de vorm van een smalle, gekromde strook lichtgevoelig weefsel die verticaal is gepositioneerd.[21] De spinnen kunnen hierdoor waarschijnlijk alle kleuren zien inclusief uv-licht, dit wordt wel tetrachromatisch zicht genoemd.[22] Het lichaam de mannetjes van sommige soorten, zoals Cosmophasis umbratica, reflecteren uv-licht wat de vrouwtjes zeer aantrekkelijk vinden.[23]

Achter de voorste mediane ogen zijn de achterste mediane ogen gepositioneerd, deze zijn bij veel soorten sterk gereduceerd. De achterste mediane ogen zijn in de regel nauwelijks zichtbaar en hebben waarschijnlijk geen functie meer. Er zijn echter enkele uitzonderingen, de soorten uit het geslacht Cyrba hebben juist vergrote achterste mediane ogen waardoor ze als een primitieve groep worden gezien. Nu zijn de achterste mediane ogen meestal schuin achter de voorste mediane ogen gelegen, tussen de voorste en achterste laterale ogen. De voorste laterale ogen en achterste mediane ogen kunnen zo makkelijk worden verward. Bij een vooraanzicht van de kop zijn in het midden van de oogheuvel de voorste mediane ogen gelegen en hiernaast de voorste laterale ogen.

Laterale ogen

Soorten uit de familie Deinopidae, hier Deinopis subrufa, hebben eveneens zeer grote ogen aan de voorzijde van de oogheuvel.

De twee paar ogen aan de zijkanten van de oogheuvel, de voorste en achterste laterale ogen, zijn een stuk kleiner dan het voorste mediane paar. De laterale ogen hebben deels overlappende beeldhoeken van ongeveer 60 graden. De laterale ogen hebben geen beweeglijke delen en detecteren alleen lichtverschuivingen. Omdat ze zowel aan de voor- als achterzijde van de oogheuvel zijn gepositioneerd, kunnen ze bewegende objecten aan de zijkanten van het lichaam detecteren.

De voorste laterale ogen zijn niet zo complex als de voorste mediane ogen maar zijn wel beter ontwikkeld dan het achterste laterale paar.[24] Als alle andere ogen worden afgedekt kan de spin nog steeds prooien achtervolgen en buitmaken met de voorste laterale ogen. Ze hebben een zwakker oplossend vermogen als de (afgedekte) voorste mediane ogen, maar staan kennelijk ver genoeg uit elkaar om binoculair zicht mogelijk te maken. Hierdoor kan de spin toch diepte zien en is zodoende in staat om gericht te kunnen springen.[25]

Waarschijnlijk wordt echter alleen groen licht goed waargenomen bij het inschatten van de afstand tot een prooi. De twee bovenste pigmentlagen zijn gevoelig voor uv-licht en de twee onderste voor groen licht. De diepste laag kan scherpe beelden vormen maar de bovenliggende laag geeft een wazig beeld. De gelaagdheid van het retina zorgt dat de spin kan corrigeren voor chromatische aberratie.[18] Door de verschillen in focus tussen deze twee lagen, die evenredig zijn met de afstand van het waargenomen object, kan de spin de afstand schatten. Uit proeven blijkt dat onder een rode kleur licht de spin gedesoriënteerd raakt bij het inschatten van de afstand.

Springspinnen zijn niet de enige familie van spinnen die een sterk vergroot paar ogen heeft maar er zijn slechts enkele andere spinnen met dergelijke ogen. Een voorbeeld zijn de spinnen uit de familie Deinopidae. Ook deze soorten hebben een sterk vergroot voorste paar ogen door hun gespecialiseerde levenswijze. Bij ogen van de Deinopidae is echter het achterste middenpaar vergroot, en deze ogen hebben zich ontwikkeld om bij weinig licht toch te kunnen zien.

Achterlijf

Pauwspinnen uit het geslacht Maratus hebben een opvallende, pauw-achtige kleur aan het achterlijf dat ze op- en neer bewegen om vrouwtjes te lokken.

Het achterlijf is bij veel soorten rond van vorm maar kan ook sterk afgeknot zijn of juist heel langwerpig van vorm. De soort Hentzia grenada bijvoorbeeld lijkt door het langgerekte lijf meer op een strekspin.

Het achterlijf bevat de belangrijkste organen zoals het spijsverteringsstelsel en de voortplantingsorganen. Deze orgaansystemen zijn vergelijkbaar met die van andere spinnen. Het ademhalingsapparaat is wat gecompliceerder; springspinnen hebben zowel boeklongen als een tracheeënstelsel. Boeklongen bestaan uit een gevouwen weefselstructuur die zuurstof opneemt uit de lucht en CO2 weer afgeeft. Deze structuren komen bij veel andere spinnen ook voor. Het tracheeënstelsel is een netwerk van dunne buisjes die zuurstof direct naar de organen voeren. Een dergelijk ademhalingsapparaat is niet algemeen bij spinnen maar is bij insecten juist de standaard.

De geslachtsorganen van de vrouwtjes zijn achteraan het achterlijf gelegen. Bij vrouwtjes is een epigyne aanwezig, de mannetjes gebruiken echter net als andere spinnen hun monddelen of palpen om sperma over te dragen. Bij veel spinnenfamilies worden de soorten onder andere onderscheiden op basis van de morfologische kenmerken van deze organen. De geslachtsorganen zijn in vergelijking met andere spinnenfamilies echter vrij simpel van vorm zodat ze weinig bruikbaar zijn bij de classificatie in verschillende groepen.[11]

De mannetjes van sommige soorten hebben flapjes aan weerszijden van het achterlijf die kunnen worden uitgeklapt als zij proberen om een vrouwtje te verleiden. Hierdoor wordt het achterlijf vergroot en komen vaak complexe kleuren en tekeningen tevoorschijn die dienen om te imponeren.

Aan de achterzijde van het achterlijf zijn de spintepels gelegen. Hoewel springspinnen in de regel geen web maken spelen de spintepels een rol bij het zich ankeren aan de ondergrond en het maken van een schuilplaats.

Levenswijze en voortplanting

Springspinnen schuilen bij slecht weer in tent-achtige nestjes, afgebeeld is Opisthoncus parcedentatus.

Deze dagactieve dieren verblijven het liefst op warme, zonnige plaatsen. Ze besluipen hun prooi op de grond, op muren of in struiken. Komt de prooi binnen bereik, dan wordt deze besprongen.

Slechts een klein aantal springspinnen maakt gebruik van een web om prooien buit te maken. Een voorbeeld zijn de soorten uit het geslacht Spartaeus, die onregelmatige webben maken waarmee ze insecten zoals vlinders vangen. Soorten uit het geslacht Portia maken een koker-web met struikeldraden dat waarschijnlijk bedoeld is om andere spinnen te vangen. Net als andere springspinnen gaan ook deze soorten regelmatig actief op jacht naar prooidieren.[18]

Het spinsel wordt ook gebruikt voor het maken van schuilplaatsen. Veel soorten maken tijdelijke verblijven van spinsel tussen boomschors of onder stenen en bladeren om 's nachts te schuilen of om slechte weersomstandigheden te weerstaan. Soorten die overwinteren gebruiken het spinsel om een winterkwartier te maken.[9] Dergelijke 'puptenten' worden ook gebruikt om in te vervellen, als de spin de oude afwerpt tijdens de vervelling is het dier kwetsbaar en wordt zo beschermd. Tenslotte worden ook de eieren afgezet in een spinselconstructie om deze zo te beschermen.

Een vrouwtje van de soort Brettus cingulatus beschermt haar jongen in een kraamweb.

De vrouwtjes beschermen hun eieren door deze in een tent-achtig spinsel te spinnen -het kraamweb- waarna ze het legsel bewaken. De eieren worden vaak verstopt tussen planten, in moskussens of schorsspleten. Van soorten uit het geslacht Neobrettus is beschreven dat het vrouwtje soms enkele van haar eieren opeet. Waarschijnlijk kan ze zo bij haar kroost blijven zonder op jacht te hoeven gaan.[26]

Een verregaande vorm van broedzorg is in 2018 gevonden bij de soort Toxeus magnus. Deze Taiwanese springspin lijkt uiterlijk sterk op een mier. De vrouwtjes produceren een melk-achtige vloeistof die zij voeren aan de jongen. Een dergelijke vergaande vorm van moederzorg wordt normaal gesproken alleen gevonden bij zoogdieren. De pasgeboren spinnetjes zijn de eerste tijd volledig afhankelijk van de melk, die wordt opgenomen uit een klier aan het achterlijf van het moederdier. De moedermelk bevat suiker, vet en vier keer zoveel proteïnen als koeienmelk. De vrouwtjesspinnen blijven de vloeistof afgeven tot veertig dagen na de geboorte van de jongen. Deze waren intussen al in staat om voor zichzelf te zorgen door prooidieren te vangen maar bleven terugkomen voor melk. Dieren die geen melk meer kregen bleken een lagere overlevingskans te hebben dan dieren die zich bleven laven aan de vloeistof. Zelfs nadat de spinnen het volwassen stadium hadden bereikt en zichzelf konden voortplanten, bleven sommige jongen terugkomen naar het oude nest. Volwassen mannelijke dieren werden echter weggejaagd, mogelijk om inteelt te voorkomen. Ook dit complexe sociale gedrag is zeer ongebruikelijk voor spinnen.[27]

Baltsgedrag

Mannetjes van Lyssomanes jemineus hebben kwastjes aan hun voorpoten die als pompons gebruikt worden om de vrouwtjes te versieren.
Baltsgedrag van een mannelijke Lyssomanes viridis.

Springspinnen kennen een zeer uitgebreid baltsgedrag waarbij de mannetjes het vrouwtje het hof maken, dit wordt interseksuele selectie genoemd. Het feit dat springspinnen een uitzonderlijk goed gezichtsvermogen hebben ligt hieraan waarschijnlijk ten grondslag. Het baltsgedrag kent zeer uiteenlopende vormen maar meestal worden hierbij de voorste poten en de palpen gebruikt. Ook kan het achterlijf van het mannetje worden ingezet, deze wordt dan afgeplat en heen en weer gezwaaid of op en neer bewogen. Bij veel soorten wordt bij het bewegen van het achterlijf ook geluid geproduceerd. Soms worden ook andere poten dan het eerste paar ingezet, of worden andere lichaamsdelen zoals de cheliceren getoond. Zo kan een mannetje een snelle zijwaartse loopbeweging maken en aan het eind hiervan een sprongetje maken zodat zijn lichaamskleuren goed zichtbaar worden voor het vrouwtje.

Bij een andere soort kruipt het mannetje langzaam dichterbij met de voorpoten uitgestrekt. Af en toe strekt hij ook zijn derde potenpaar uit en weer in als hij haar benaderd. Mannetjes van Hentzia palmarum benaderen het vrouwtje al zig-zaggend lopend en tillen af en toe het achterlijf zijwaarts op waarbij ze tegelijkertijd hun cheliceren spreiden. Sommige soorten kennen een breed scala aan dergelijke 'dansjes', zoals de soort Corythalia canosa. Deze springspin kan dertig verschillende bewegingen uitvoeren om een vrouwtje te verleiden om met hem te paren.[18]

Springspinnen maken gebruik van vibraties als onderdeel van het baltsgedrag. De mannetjes zoeken hierbij het nest op van een vrouwtje en gebruiken hun poten om het spinsel van het nest te laten trillen om hun aanwezigheid kenbaar te maken. Deze vorm van communicatie kan ook plaats vinden in het donker, bijvoorbeeld nesten onder boomschors. Mannetjes die een onvolwassen vrouwtje tegenkomen spinnen een nest naast dat van haar totdat ze volwassen is en ze kunnen paren.[28]

Daarnaast kunnen sommige soorten ook geluiden maken middels stridulatie. Mannetjes van de soort Saitis michaelseni maken geluiden die door de mens op een afstand van enkele meters hoorbaar zijn. Het geluid ontstaat door haartjes aan de voorzijde van het achterlijf langs twee richels aan de achterzijde van het kopborststuk te strijken.[29]

Stridulatie wordt waarschijnlijk niet alleen gebruikt door baltsende mannetjes. Bij een aantal soorten uit de geslachtengroep Chrysillini (vroeger was dit de onderfamilie Heliophaninae) komen stridulatie-organen namelijk ook voor bij vrouwtjes en juveniele dieren. Bij deze laatste twee zijn de organen soms zelfs beter ontwikkeld dan bij mannetjes van dezelfde soort. Dit suggereert dat stridulatie ook wordt gebruikt als een vorm van sociale communicatie.[30]

Springspinnen maken tenslotte gebruik van feromonen om elkaar op te sporen voor de voortplanting.[13] Hier is echter nog weinig onderzoek naar gedaan in vergelijking met onderzoek van feromonen bij de insecten. Uit testen blijkt dat het voornamelijk de mannetjes zijn die gevoelig blijken voor vrouwelijke feromonen.[31]

Springvermogen

Een mannetje van de soort Hyllus argyrotoxus heeft zich geankerd met een spindraad, klaar voor een sprong.

Springspinnen staan bekend om hun vermogen om gerichte sprongen te maken om prooien te vangen, vijanden te ontwijken of gebruiken sprongen om vooruit te komen. Er zijn wel meer geleedpotigen die kunnen springen, zoals sprinkhanen, vlooien en cicaden. Deze gebruiken hun springvermogen slechts om weg te springen voor een vijand, over obstakels of diepten te geraken of om de vleugelvlucht te initiëren. Deze geleedpotigen kunnen niet inschatten waar ze exact terecht komen.

Al deze groepen hebben spieren in hun poten waarmee de sprong gemaakt wordt. Spinnen maken geen gebruik van spieren om hun poten te bewegen, maar van hydraulische druk die verhoogd dan wel verlaagd wordt om de poot te spannen respectievelijk te ontspannen. Springspinnen maken ook bij het springen gebruik van het plotseling verhogen van de vloeistofdruk in lijf. Deze lichaamsvloeistof (hemolymfe) is vergelijkbaar met het bloed van andere ongewervelden.

De meeste springspinnen kunnen tijdens een sprong een afstand afleggen van enkele keren tot twintig keer hun eigen lichaamslengte. Sommige soorten zijn in staat om relatief veel verder te springen. Van een 6,2 millimeter lang mannetje van de soort Colonus puerperus is bekend dat een afstand van 15 centimeter werd gesprongen wat neerkomt op 24 keer de lichaamslengte. De totale sprong, inclusief verticale helling, bedroeg 23 cm, wat neerkomt op 38 keer de lichaamslengte.[13]

Springspinnen kunnen zowel van verticale vlakken op een horizontaal vlak springen als andersom. Ook kunnen ze ondersteboven een sprong maken om op hun buik te landen. Als een sprong wordt gemaakt om zich te verplaatsen is de startsnelheid lager dan wanneer een prooi wordt besprongen. De maximale startsnelheid van een sprong varieert bij veel onderzochte soorten van 78 tot 99 centimeter per seconde. Bij eerder vernoemde Colonus puerperus bedraagt deze snelheid echter 127 tot 152 cm/s.

Bij het springen naar een prooi wordt een spindraad verankerd aan de ondergrond om een val te voorkomen bij een mislukte sprong. De spindraad stabiliseert de vlucht door de lucht na de sprong en speelt ook een dempende rol bij de landing.[32] Als de spin springt om aan een vijand te ontsnappen wordt een vrije val gemaakt, zonder spindraad.

Voedsel

Springspinnen kunnen veel grotere prooien aan dan hun eigenm lichaamslengte, afgebeeld is Thiodina sylvana met een buitgemaakte cicade Flatormenis proxima.

Springspinnen leven vrijwel uitsluitend van kleine geleedpotigen en zijn carnivoor. Op het menu staan voornamelijk insecten zoals vliegen en muggen (Diptera), vliesvleugeligen (Hymenoptera), halfvleugeligen (Homoptera) en vlinders (Lepidoptera). Als een prooi gevangen is, wordt deze gebeten met de cheliceren waarbij een krachtig gif wordt geïnjecteerd. Het gif van springspinnen is erg potent voor geleedpotigen, als een andere spin wordt gebeten raakt deze direct verlamd. De springspin is niet in staat om een prooi in te spinnen zoals van andere spinnen bekend is. Door het sterke gif kan de springspin prooien aan die groter zijn dan het dier zelf. Het gif van springspinnen is niet gevaarlijk voor mensen. De kaken zijn vaak niet groot genoeg om door de huid te dringen en van soorten die mensen hebben gebeten is bekdn dat het gif een milde uitwerking heeft.

Sommige soorten hebben zich gespecialiseerd in een bepaalde groep van insecten. De Zuid-Afrikaanse soorten Stenaelurillus guttiger en Stenaelurillus modestus bijvoorbeeld leven vrijwel uitsluitend van termieten.[33]

Sommige springspinnen hebben een sterke voorkeur voor het eten van muggen, zoals Paracyrba wanlessi en Evarcha culicivora. Deze laatste soort is hier zelfs naar vernoemd, want culicivora betekent vrij vertaald muggeneter. Paracyrba wanlessi leeft meer in bamboebossen en heeft weinig impact heeft op de bestrijding van muggen in de omgeving van mensen. Evarcha culicivora daarentegen is meer te vinden in een stedelijke omgeving waar de spin jaagt op muggen die ziektes kunnen verspreiden. Deze laatste soort prefereert muggen die zich hebben volgezogen met bloed. Het is hierdoor het enige bekende dier dat zijn prooi selecteert op wat deze heeft gegeten.[34]

De bosmierspringspin (Myrmarachne formicaria) lijkt sprekend op een mier. Deze soort komt ook voor in België en Nederland.

Een aantal springspinnen heeft zich aangepast in het eten van mieren. Veel andere spinnen vermijden juist contact met mieren vanwege de relatief grote kaken en het feit dat ze in groepen voorkomen. De soort Anasaitis canosus uit Noord-Amerika valt mieren aan door zich naast de mier te positioneren en vervolgens bovenop de achterzijde van de kop of op het borststuk te bijten. De mier kan zo zijn vervaarlijke kaken niet gebruiken om zich te verdedigen. Als de springspin een andersoortige prooi tegenkomt wordt deze op de 'normale' manier aangevallen waarbij het slachtoffer op een willekeurige plaats wordt gebeten.[35] De pas in 2019 beschreven Mexicaanse soort Myrmecicultor chihuahuensis leeft in de buurt van de nestingang van mierennesten en is waarschijnlijk volledig formicivoor (mierenetend). Deze spin scheidt verschillende chemische componenten af die op de geurstoffen van mieren lijken. Waarschijnlijk worden ze hierdoor moeilijker herkend als een vijand voor de mieren[36]

Soms worden ook wel andere spinnen buitgemaakt. Net als anders spinnen zijn springspinnen kannibalistisch en maken als ze de kans krijgen ook kleine soortgenoten buit. Ook zijn er springspinnen die zich hebben toegelegd op het eten van andere spinnen. Dit is in de spinnenwereld geen uitzondering, de familie spinneneters (Mimetidae) bijvoorbeeld bestaat vrijwel uitsluitend uit spinnen die op andere spinnen jagen. Springspinnen die het op andere spinnen hebben voorzien vallen ze soms opportunistisch waarbij ze omzichtig te werk gaan om zelf niet ten prooi te vallen. Dergelijke soorten eten echter ook wel andere prooien waarbij ze een directere aanval uitvoeren. Soorten uit de geslachten Cyrba en Portia jagen op wielwebspinnen die ze aanvallen in hun eigen web. Ze creëren hierbij trillingen met de poten en de palpen om de bewoner van het web te lokken. Er zijn ook soorten die het web van andere spinnen betreden om de prooidieren eruit te halen en op te eten. Dergelijke spinnen worden kleptoparasieten genoemd.[18]

Van de soort Phidippus regius is pas sinds 2017 bekend dat ook kleine gewervelden worden gegeten, zoals kikkers uit het geslacht Hyla, de kikkersoort Osteopilus septentrionalis en hagedissen zoals Anolis carolinensis en Anolis sagrei. Waarnemingen van de spin die gewervelde dieren buitmaakte werden gedaan in zeven staten in Florida, waar de soort van nature voorkomt. Van soorten uit grotere spinnenfamilies is al langer bekend dat gewervelde dieren kunnen worden buitgemaakt maar van de veel kleinere springspinnen was dit gedrag nog onbekend.[37]

Plantenetende soorten

Van spinnen die op bloemen worden gevonden werd altijd gedacht dat ze afkwamen op de bloembezoekende insecten en niet op de nectar van de bloem. Springspinnen blijken echter ook wel eens nectar van planten te eten, wat zeer ongebruikelijk is voor de carnivore spinnen. De spinnen nemen de nectar op door de monddelen in de nectar te steken of het met de voorste poten en de palpen op te dippen en in de mond te brengen. Uit laboratoriumtesten bleek dat de spinnen geen nectar tot zich namen om aan de vochtbehoefte te voldoen, aangezien ook water werd aangeboden dat ze links lieten liggen.[38]

Een jonge Evarcha-culicivora eet nectar uit een honingklier van de wonderboom (Ricinus communis).

Van veel planten is bekend dat zij extraflorale nectariën bezitten. Dit zijn nectarproducerende klieren die echter niet op de bloem gepositioneerd zijn maar op andere delen van de plant zoals de stengels of bladeren. Ze dienen niet om bestuivers aan te trekken maar om roofinsecten te lokken die houden van zoetigheid, zoals mieren en wespen en mogelijk ook springspinnen. De strategie hierachter is dat de van de nectar snoepende roofinsecten ook plantenparasieten elimineren. Van de plant Chamaecrista nictitans is onderzocht wat de rol van springspinnen is op de groei van de plant. Exemplaren van de plant waarop springspinnen aanwezig waren produceerden aanzienlijk meer zaad dan planten zonder de spinnen.[39]

Van de soort Bagheera kiplingi is beschreven dat plantendelen worden gegeten van de acacia Vachellia. Het betreft de zogenaamde beltische lichaampjes, kleine suikerrijke afscheidingen die aan de uiteinden van de geveerde bladeren van de acacia gevormd worden. Deze acacia leeft in symbiose met mieren uit het geslacht Pseudomyrmex die in de holle stekels van de plant wonen. De mieren beschermen de plant tegen vijanden die de acacia aantasten in 'ruil' voor onderdak bestaande uit de holle stekels en voedsel in de vorm van de beltische lichaampjes van de bladklieren. Het dieet van Bagheera kiplingi bestaat in onderzochte locaties in Costa Rica voor 60% en in Mexico zelfs voor meer dan 90% uit de plantafscheidingen. Daarnaast eten de springspinnen af en toe ook mierenlarven en andere insecten die op de plant leven, evenals kleinere soortgenoten.[40]

Jacht

Koch’s blinker (Heliophanus kochii) loert op een andere spin.

Springspinnen maken in de regel geen web en zijn ook niet in staat om spinsel af te gooien op een prooi, zoals bekend is van de lijmspuiters (Scytodidae). Ze jagen actief op prooidieren die ze opsporen en achtervolgen met behulp van hun gezichtsvermogen en het vermogen om te springen. Dankzij de rondom de oogheuvel gepositioneerde ogenparen beslaat het gehele blikveld van de spin 360 graden waardoor het dier de gehele omgeving om zich heen in de gaten kan houden. Bij het lokaliseren van een bewegende prooi richt de spin eerst zijn kopborststuk en vervolgens het gehele lichaam naar het object om de ogen goed scherp te stellen. Het kopborststuk kan tot 45 graden worden gedraaid bij het focussen op objecten.[9]

De methoden die springspinnen gebruiken om te jagen worden door wetenschappers wel omschreven als some of the most intricate vision-guided predatory strategies in the animal kingdom (enkele van de meest gecompliceerde, op het zicht gebaseerde jachtstrategieën in het dierenrijk).[34]

Zo'n beetje ieder geslacht heeft wel een specifieke methode om op prooien te jagen en veel soorten zijjn dan ook uitgesproken niche-jagers. Een voorbeeld zijn soorten uit het Amerikaanse geslacht Lyssomanes. Deze wachten aan de onderzijde van een door de zon beschenen plantenblad tot er zich een prooi aandoet die op het blad gaat zitten. De spin ziet de schaduw van het dier aan de bovenzijde van het blad en als deze niet te klein of te groot is rent de spin naar bovenkant om de prooi buit te maken.[41] Van soorten uit het geslacht Phidippus is bekend dat ze onthouden waar de prooi zich bevond na een mislukte sprong. Ze plaatsen het lichaam namelijk direct in dezelfde richting voor een nieuwe sprong.[13] Bij het besluipen van prooien maakt de spin soms een omweg, waarbij de prooi tijdelijk uit het oog wordt verloren. Dergelijk probleemoplossend gedrag is onderwerp van onderzoek door biologen. Springspinnen kunnen een prooi herkennen op een afstand van 30 tot 40 centimeter. Hoe goed springspinnen zien, blijkt ook uit het feit dat ze op twintig a dertig centimeter afstand soortgenoten van andere soorten spinnen kunnen onderscheiden. Een prooi hoeft niet per se te bewegen om door de spin herkend te worden. Andere spinnen jagen door op bewegende prooien te jagen of hun trillingen waar te nemen in het web. Door het goede gezichtsvermogen zijn springspinnen in staat om een ook stilstaande prooi te herkennen en aan te vallen.[42]

Tijdens het jagen beschikt de spin over een groot blikveld.

Portia fimbriata heeft een specialistische manier om op spinnen te jagen. Deze soort speurt naar de vrouwtjes van springspinnen uit het geslacht Euryattus. De vrouwtjes van deze soort maken een nest van spinsel in een opgerold dood blad waar ze goed beschermd zijn. Ze komen alleen tevoorschijn als een mannetje met zijn poten de spindraden laat vibreren als teken dat hij paringsbereid is. Als P. fimbriata een nest tegenkomt imiteert deze dit gedrag door met de poten dezelfde trillingen te veroorzaken. Als het vrouwtje vervolgens haar nest verlaat om haar partner te ontmoeten wordt ze door de bedrieger gedood.[34]

De jachtmethoden verschillen enigszins per groep en ook kunnen soorten verschillende jachttechnieken gebruiken die afhankelijk is van de prooi. Sommige springspinnen zijn de hele dag actief op pad om prooien op te sporen en te achtervolgen als ze deze tegen komen. Hierdoor is de kans het grootst dat ze een prooi tegenkomen. Andere soorten jagen meer vanuit een positie waarbij ze de omgeving in de gaten houden op prooidieren. Weer andere soorten, zoals die uit het geslacht Phaeacius, blijven het grootste deel van hun leven in een zelfde positie. Ze platten het lichaam af en drukken zich met de kop naar beneden hangend tegen een ondergrond -zoals een boombast- waardoor ze nagenoeg onzichtbaar zijn. Als er zich een prooi aandoet laten ze zich naar beneden vallen om deze buit te maken.

Het actief jagen op prooien brengt ook een risico met zich mee, vooral in de tropen en subtropen. Hier komen namelijk schimmels voor die spinnen kunnen infecteren en uiteindelijk doden. Schimmels die spinnen infecteren worden entomopathogene schimmels genoemd. Door actief rond te lopen wordt de kans op een dergelijke schimmelinfectie verhoogd.[43] De schimmel infecteert de spin waarna het dier uiteindelijk sterft en bedekt wordt met een laagje schimmelsporen. Deze verspreiden zich met de wind waarna ze andere spinnen kunnen besmetten. Meer dan 90 procent van de schimmels die spinnen infecteren komen uit de orde Hypocreales, en dan meer specifiek de families Cordycipitaceae en Ophiocordycipitaceae. Met name de soorten uit het grote geslacht Gibellula zijn een belangrijke natuurlijke doodsoorzaak van springspinnen.[43]

Springspinnen en de mens

Springspinnen spelen een belangrijke rol in het natuurlijke ecosysteem omdat ze vele kleine, meestal geleedpotige, diertjes eten. Vele plaaginsecten zoals schadelijke kevers, bladluizen en mieren staan op het menu en deze dieren worden door springspinnen onder controle gehouden.

Springspinnen, zoals de soorten uit het geslacht Portia, worden bestudeerd door neurobiologen omdat ze ondanks hun kleine hersenen een uitstekend zicht, het vermogen om afstanden in te schatten en een snel reactievermogen bezitten.[21][18] Verschillende aspecten betreffende springspinnen worden bestudeerd door ingenieurs in de techniek. Nieuwe inzichten in de werking van het oog en de signaalverwerking in de hersenen van springspinnen zijn mogelijk interessant binnen de industriële robotica.[44] De mogelijkheid om diepte in te schatten met behulp van relatief eenvoudig brein en enkelvoudige lensogen bieden mogelijk perspectieven in optische systemen. De werking van de poten van springspinnen, met name de werking van de springpoten, zijn interessant binnen de pneumatiek, de hydrauliek en de kinematica. Deze toepassingsgebieden kunnen worden gebruikt om humanoïde robots bijvoorbeeld te laten lopen en springen.[13]

Een exemplaar van de soort Phidippus johnsoni werd in 2012 naar het International Space Station gestuurd waar het dier 100 dagen verbleef als proefdier voor laboratoriumtesten. Hierbij werd gekeken of het dier in de ruimte op een andere manier op prooien zou jagen onder de afwezigheid van de zwaartekracht. Deze spin, liefkozend Nefertiti genoemd, draaide 1,584 rondjes om de aarde en legde hierbij een afstand af van 67 miljoen kilometer. Het dier werd later levend teruggebracht naar het National Museum of Natural History in Washington.[45]

Sommige springspinnen worden ingezet bij gevechten waarbij de mannetjes tegenover elkaar worden geplaatst om tegen elkaar te strijden. Deze praktijk komt voor in delen van Azië. Over de uitkomst worden weddenschappen gesloten, vergelijkbaar met hondengevechten. Een voorbeeld is de soort Thiania bhamoensis waarvan de mannetjes indrukwekkend kunnen vechten maar elkaar meestal niet doden.[46]

Het animatiefiguurtje Lucas the Spider, bekend van verschillende YouTube-filmpjes, is gebaseerd op een springspin. In 2020 werd een springspinnensoort naar Lucas vernoemd; Salticus lucasi. De onderzoekers prezen de ontwikkelaar Josh Slice voor het rehabiliteren van de slechte naam die spinnen over het algemeen hebben.[47]

Literatuur

  • Rainer F. Foelix, Biology of Spiders, Oxford University Press, 1996 - Engelse vertaling, up-to-date gebracht, van het standaardwerk "Biologie der Spinnen" met een groot stuk over het zien van spinnen.

Bronvermelding