Sovjetinval in Samland

Sovjetinval in Samland
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog
Kaart van de gevechten
Kaart van de gevechten
Datum 24 januari –12 februari 1945
Locatie Samland, Oost-Pruisen
Strijdende partijen
Sovjet-Unie Duitsland
Leiders en commandanten
Ivan Tsjernjachovski
Ivan Ljoednikov
Erhard Raus
Hans Gollnick
Rolf Wuthmann
Otto Lasch
Verliezen
2600 niet-vervangbare verliezen 2500-2600 niet-vervangbare verliezen

De Sovjetinval in Samland was een militaire operatie van het Rode Leger in de Tweede Wereldoorlog. Eind januari 1945 omsingelden de Sovjettroepen de Oost-Pruisische hoofdstad Koningsbergen (Duits: Königsberg) en rukten ook op naar de westkust van Samland. Verse Duitse troepen braken deze Sovjetspeerpunt echter af en konden de Sovjets ook nog een stukje terugdringen. Deze operaties leidden ook het begin in van het eerste beleg van Koningsbergen.

Voorgeschiedenis

Het Rode Leger had op 13 januari 1945 zijn Oost-Pruisenoffensief geopend. Het 3e Wit-Russische Front kwam eerst langzaam op gang in zijn Insterburg–Koningsbergenoffensief, maar toen de doorbraak eenmaal een feit was, kwam de snelheid erin. Tegen 25 januari 1945 veroverden de Sovjets Tapiau en waren dus de Deime overgestoken. Daarmee begon de facto de Sovjetinval in Samland.

Verloop van de strijd

Sovjetopmars

Ljoednikov in de jaren dertig

De Sovjettroepen die oprukten ten noorden van de Pregel bestonden voornamelijk uit het 39e Leger (onder Kolonel-generaal Ivan I. Ljoednikov) en het 43e Leger (onder Luitenant-generaal Afanassi P. Beloborodov). Stootkracht werd verzorgd door het 1e Tankkorps (onder Luitenant-generaal Vasili V. Boetkov). Na de verovering van Tapiau ging de opmars verder in westelijke richting, richting Koningsbergen. Slechts resten van enkele Wehrmacht divisies lagen op de route. De iets krachtiger 5e Pantserdivisie trok via de zuidelijke oever van de Pregel terug. Tegen 27 januari naderden de Sovjets Koningsbergen. De oostelijke toegang tot de stad werd verdedigd door de resten de 561e Volksgrenadierdivisie (onder Generalmajor Walter Gorn) en de 367e Infanteriedivisie (onder Generalleutnant Hermann Hähnle). Tussen Koningsbergen en Crantz lag het 9e Legerkorps (onder General der Artillerie Rolf Wuthmann) met de resten van de 548e Volksgrenadierdivisie (onder Generalmajor Erich Sudau), de 551e Volksgrenadierdivisie (onder Generalmajor Siegfried Verhein) en de incomplete 286e Infanteriedivisie (onder Oberst Willi Schmidt). De Sovjet 39e en 43e Legers bleven naar het westen oprukken. Het 39e Leger probeerde ook enkele aanvallen op Koningsbergen zelf uit te voeren, maar deze werden door voornamelijk de 367e Infanteriedivisie afgewezen.

Vorming van bruggenhoofd Cranz

Intussen was er nog een andere belangrijke gebeurtenis gaande. Een stuk noordelijker, rond Memel, bevond zich sinds 10 oktober een bruggenhoofd rond deze stad. Hier bevond zich medio januari 1945 het 28e Legerkorps onder General der Infanterie Hans Gollnick. Op dat moment beschikte Gollnick over twee volle en redelijk verse divisies, de 58e Infanteriedivisie (onder Generalleutnant Curt Siewert) en de 95e Infanteriedivisie (onder Generalmajor Joachim-Friedrich Lang). Op de Kurische Nehrung bevond zich als beveilingseenheid de Divisie z.b.V. 607 (onder Generalleutnant Max Horn). Nu de Sovjets zover aan het oprukken waren, was het belang van Memel als bruggenhoofd verdwenen en tevens werden de divisies van het 28e Legerkorps nu van achteren bedreigd. Hitler gaf op 22 januari 1945 toestemming het bruggenhoofd te evacueren. Het actuele bevel aan het 28e Legerkorps kwam op 24 januari om 02:30. Meteen werd begonnen met de evacuatie. Acht veerboten werden ingezet om mensen en materieel over te zetten over het Memeler Tief naar de Kurische Nehrung. Intussen werd het bruggenhoofd stap voor stap ontruimd. In drie nachten werd de frontlinie teruggenomen. Op 28 januari om 04.00 uur verliet de laatste Duitse soldaat Memel. Op 22 januari werd ook meteen een regimentsstaf over de Kurische Nehrung naar Cranz overgebracht. Rond Cranz bevond zich namelijk de verzorgingsbasis van het 28e Legerkorps. Zo snel mogelijk werden nu de Duitse troepen van de twee divisies over de 90 km lange Kurische Nehrung naar het zuiden gebracht. Op 24 januari werd versneld een versterkte verkenningsafdeling over de Nehrung naar Crantz gestuurd. Die kwam op 27 januari aan en werd meteen ingezet in de gevechten rond Bledau. Ter versterking van de verdediging werden ook grotere oppervlakteschepen van de Duitse Kriegsmarine ingezet. Op 27 januari en enkele latere data beschoot een smaldeel, gevormd rond de zware kruiser Prinz Eugen gronddoelen ter versterking van de Duitse verdediging. Aangezien er voor het korps relatief weinig vrachtauto’s ter beschikking stonden, moesten de soldaten van het korps in 3-4 dagen in marsen de 90 km over de Nehrung afleggen. Hierdoor kwamen er meer en meer troepen aan in wat zich eigenlijk als “bruggenhoofd Cranz” aan het vormen was.

Opmars naar West-Samland

De Ford GPA (zoals deze) werd ingezet rond Thierenberg

Het Rode Leger had intussen niet stilgezeten. De opmars van de twee legers ging voort, nu aan de noordkant van Koningsbergen voorbij. Op 29 januari werd Metgethen veroverd en in de nacht van 29 op 30 januari 1945 sloten de Sovjets alle wegen tussen Pillau en Koningsbergen af door de kust van het Frisches Haff te bereiken. Koningsbergen was nu compleet omsingeld. Het 43e Sovjetleger werd intussen steeds meer geremd door de aanwezigheid van het 28e Legerkorps rond Cranz en uiteindelijk grotendeels tot een halt gebracht. Het 39e Leger bleef intussen verder oprukken naar het westen. Met name het 5e Garde Infanteriekorps (onder Luitenant-generaal Ivan S. Bezoegli), bestaande uit de 17e, 19e en 91e Garde Infanteriedivisies, rukte het verst westelijk op. En het 13e Garde Infanteriekorps (onder Generaal-majoor Anton I. Lopatin), met de 24e, 33e en 87e Garde Infanteriedivisies, rukte op richting zuidwesten, richting Fischhausen. Het 94e Infanteriekorps (onder Generaal-majoor Josef I. Popov) en het 113e Infanteriekorps (onder Luitenant-generaal Nikolai N. Olesjev) lagen intussen in een ring om de noordkant van Koningsbergen. Het feit dat het 43e Leger gestopt werd, betekende wel dat de noordelijke flank van het 39e Leger niet langer gedekt was. Dat zou later tot problemen leiden. Met name de 91e Garde Infanteriedivisie (onder Kolonel Vasili I. Kozjanov) rukte ver op. In de nacht van 31 januari op 1 februari werden Gross Lädtkeim, station Kotzlauken en Arissau ingenomen. Daarmee had de divisie een gat van 10 km ter rechterzijde naar de 182e Infanteriedivisie van het 43e Leger en een gat van 6 km naar zijn linkerbuurman, de 19e Garde Infanteriedivisie. Op 1 februari werd Thierenberg ingenomen en op 2 februari Germau. Dezelfde avond nog werd het dorp Lesnicken ingenomen en verkenners drongen door tot de Oostzeekust. Daarmee waren de troepen van het 9e en 28e Legerkorps daadwerkelijk van elkaar gescheiden. Op 3 februari breidden de Sovjets hun verkenningen in het gebied verder uit. Het net nieuw aangevoerde 271e Onafhankelijke Garde Gemotoriseerde Speciale Inzet Bataljon (beschikkend over 86 stuks Ford GPA amfibische jeeps) en het 2e Onafhankelijke Garde Motor Regiment (met 88 motoren) trokken naar de noordkust (westelijk van Rauschen) en de noordwestpunt van Samland. De volgende dag al werden deze eenheden weer teruggetrokken naar Thierenberg.

De aanval van het 28e Legerkorps

In de middag van 28 januari 1945 had het korpshoofdkwartier van het 28e Legerkorps zich verplaatst naar Cranz en nam contact op met het 3e Pantserleger. Besproken werd een uitbraak richting Koningsbergen. Dit zou moeten gebeuren op 1 februari en de aanval zou ondersteund moeten worden door een uitbraak in noordelijke richting door het Koningsbergen garnizoen. De tijd tot de start was nodig om de massa van de twee divisies van het korps over de Nehrung terug te voeren. Aan de achterzijde begon nu de eerste terugtrekking. De spits van de Nehrung tegenover Memel werd in de nacht van 29 op 30 januari ontruimd en elke nacht ging de terugtocht een stap verder. Verder werd het bruggenhoofd Cranz iets naar het westen uitgebreid. Op het laatste moment, op 31 januari, meldde het 3e Pantserleger dat er vanuit Koningsbergen geen krachten voorhanden waren om het 28e Legerkorps tegemoet te treden. Daarop werd besloten langs de kust naar het westen te trekken. Deze aanval werd vastgezet op 3 februari. De 58e Infanteriedivisie nam de aanval grotendeels voor zijn rekening en de 95e Infanteriedivisie de oostelijke sector (rond Bledau) bleef verdedigen. Gedurende 3 en 4 februari rukte de 58e Infanteriedivisie op richting Pobethen. In de nacht van 4 op 5 februari werd het gebied rond Cranz opgegeven en de 95e Infanteriedivisie trok achter de 58e langs via de kustweg naar Neukuhren. Vuursteun uit zee werd verkregen door de Admiral Scheer. Op 5 februari begon de 95e Infanteriedivisie in zuidwestelijke richting op te rukken, richting Thierenberg. Waar de Sovjets precies zaten, was de Duitsers onduidelijk. De aanval op Thierenberg zelf begon op 6 februari en harde gevechten gingen de hele dag en nacht door. De verdediging van Thierenberg werd uitgevoerd door de hierboven genoemde 271e Onafhankelijke Garde Gemotoriseerde Speciale Inzet Bataljon en het 2e Onafhankelijke Garde Motor Regiment. Van Duitse zijde viel eerst het 280e Infanterieregiment aan vanuit het noordoosten, later versterkt door het 279e Infanterieregiment vanuit het noordwesten. In de morgen van 7 februari 1945 werd Thierenberg tenslotte ingenomen. Dezelfde middag werd ten zuiden van Thierenberg (richting Norgau) contact verkregen met troepen van de 551e Volksgrenadierdivisie. Daarmee was het contact hersteld en had het 28e Legerkorps de uitbraak bereikt. De hele noordwestelijke hoek van Samland, met name het Warnicker Forst, werd vrij gemaakt van achtergebleven Sovjettroepen.

Insluiting van de 91e Garde Infanteriedivisie

Door deze actie van de 95e Infanteriedivisie was de 91e Garde Infanteriedivisie nu omsingeld tussen Thierenberg en de kust, rond Germau. De Sovjetleiding had al op 5 februari het gevaar gezien van de geïsoleerde positie van de divisie. Het 5e Garde Infanteriekorps kreeg de opdracht om beter aan te sluiten met de 17e en 19e Garde Infanteriedivisies. Versterking kwam in de vorm van de 28e Onafhankelijke Garde Tankbrigade (met zeven T-34 tanks) en het 35e Onafhankelijke Garde Tankregiment (met vier IS-2 tanks). Daarnaast had het 43e Leger zijn handen vrij gekregen door de Duitse terugtrekking bij Cranz en het 90e Infanteriekorps (onder Generaal-majoor Gaik A. Martirosian) met de 26e en 182e Infanteriedivisies werd ook richting Thierenberg gestuurd. Op 7 februari, ongeveer tezelfdertijd dat de Sovjets Thierenberg ontruimden, gingen deze troepen tot de aanval over. Initieel werden succes geboekt. Maar tegen het eind van de middag namen 2 Tiger I tanks van de 2e compagnie van Schwere Panzer-Abteilung 511 (onder Oberleutnant Adolf Rinke) de strijd op. Al snel stonden vier T-34’s en 2 IS-2’s in vlammen. De Sovjetaanval werd hiermee effectief gestopt. De gehele volgende dag probeerden de Sovjets verder op te rukken, maar ook de 551e Volksgrenadierdivisie slaagde erin door de linies van de 17e en 19e Garde Infanteriedivisies te breken en vanuit Norgau naar het oosten op te rukken. Daarop werd besloten door de Sovjetleiding dat de 91e Garde Infanteriedivisie moest uitbreken. Op 9 februari trok de divisie vanuit Germau naar het Langer Wald en in de vroege ochtend van 11 februari ontsnapte de divisie uiteindelijk naar de Sovjetlinies. De Duitsers konden nu van oostelijk van Rantau tot oostelijk van Zimmerbude een noord-zuid front opbouwen en gedurende een week kwam het front hier even tot rust.

Verliezen

De verliezen aan beide zijden zijn lastig te reconstrueren. In deze fase van de oorlog waren de Sovjetverliezen beter in kaart gebracht dan de Duitse.

De totale verliezen van de 39e en 43e Legers waren 2600 man aan doden en vermisten (de zogenaamde niet-vervangbare verliezen). De 91e Garde Infanteriedivisie alleen al ging de strijd in op februari met 3461 man en eindigde op 13 februari met 2671 man, een verschil van 790. Daarnaast verloor deze divisie bijna al zijn materieel in de uitbraak.

De Duitse verliezen zijn lastiger. Het 3e Pantserleger/Armee-Abteilung Samland verloor in de eerste 10 dagen van februari 2537 doden en 997 vermisten (totaal dus 3534 man). Als we ten minste 1000 man verliezen zuidelijk van Koningsbergen ervan aftrekken, zouden de Duitsers in Samland zo’n 2500-2600 man verloren hebben aan niet-vervangbare verliezen. Dit betekent dat de verlies-ratio tussen Sovjets en Duitsers ongeveer 1:1 geweest is.