Slag van Sint-Nicolaasdag 1648


De Slag van Sint-Nicolaasdag 1648 was een veldslag tussen 1500 slecht bewapende lokale lieden uit Meeuwen en omgeving die ten strijde trokken tegen een leger van huursoldaten dat de streek teisterde. De slag vond plaats op Sint-Nicolaasdag 6 december 1648 op de Donderslagse Heide ten zuiden van Meeuwen. De troep lokale huislieden werden daarbij verslagen en honderden van hen kwamen om of raakten gewond. De slag wordt herdacht als De Rampzalige Sint-Nicolaasdag.
Aanleiding
De Vrede van Münster van 15 mei 1648 maakte een einde aan de Tachtigjarige Oorlog tussen de opstandige Nederlanden en Spanje, maar daarmee kwam er nog niet onmiddellijk een einde aan alle vijandelijkheden die zich overal in West-Europa afspeelden. Ook de Franse koning had, in 1635, de oorlog aan Spanje verklaard en hierdoor waren er in de Zuidelijke Nederlanden zowel 'eigen' Spaanse troepen als 'vreemde' Nederlandse en Franse troepen actief.
Karel IV van Lotharingen, die in 1633 door kardinaal de Richelieu van zijn hertogdom was beroofd en uit Frankrijk gezet, had met zijn leger in Spaanse dienst gevochten. Daarbij ging hij vaak met zijn troepen zijn eigen gang, los van de wil van zijn opdrachtgever (condottieri-gedrag). In 1648 werd ook de Vrede van Westfalen gesloten waarbij Lotharingen officieel naar de Franse kroon ging. Karel IV kreeg dus zijn hertogdom Lotharingen niet terug. Na het sluiten van de Vrede bleef bij met zijn troepen van Lotharingse huurlingen achter in de Limburgse Kempen. De troep huursoldaten stonden in niemands dienst meer en kregen geen soldij. Zij trokken plunderend rond in de streek. Het prinsbisdom Luik, waartoe de dorpen in de streek behoorden, had geen eigen leger. Als verweer tegen mogelijk plunderaars hadden dorpen een beperkte militie van zogeheten huislieden, weerbare mannen van 18 tot 59 jaar.
De slag
De moegetergde Kempense dorpen verzamelden een troepenmacht van 1600 nauwelijks bewapende huislieden, onder leiding van jonkheer van Keverberch, om de Lotharingers te achtervolgen. Tot de Lotharingers, onder leiding van de graaf van Longueville, op de Rampsalighe Sint-Niklaasdagh 6 december 1648 op de Donderslagheide (tussen Kolisbergen en Middendijk) zich op de verzamelde huislieden stortten en daar een slachting aanrichtten. 367 huislieden werden gedood en 294 van hen werden gewond.
In het schepenboek van Grote-Brogel wordt hierover geschreven:
- Op St. Niklaasdag 1648 omtrent 11 uur in de voormiddag kwamen die troepen onder commando van een zekere Cormte Longville aan over Wauberg en zo naar Meeuwen. Leden van de schuttersgilde Sint Sebastiaan Grote Brogel met buitenlieden uit Ham (Oostham), Beringen, Peer, Genk, Opoeteren, Bocholt enz. enz. liepen samen, en stelden zich onder leiding van Joncker Kijvenberger van Opoeteren. Zij trokken zo goed als onbewapend over Borkel naar de heide van Meeuwen achter Tijskens in de Koye (Indekeu) naar den Donderslag, te dien tijde Dondervin genaamd. Daar zijn zij dan, de woeste Lorreinen op onze landslieden afgestormd en de ganselijke zonder weren of weyer totaliter geslagen, en vermoord gelijk men een hond zou vermoorden zonder enige barmhartigheid. Alzo dat die doden hebben gelegen en de zo lelijk vermoord dat het niet was om aan te zien en dat er wel gevonden werden, 381 doden en 390 gekwetsen.
De gemeentesecretaris van Meeuwen beschreef het gebeuren als volgt: al wat niet konst ontloopen oft sich noch roerden oft levens in hadde, wertter al geschooten, doorhouwen ende jaemerlijck ende affrijselijck mismaeckt.
Monument
Te Meeuwen werd in 1975 een monument onthuld dat deze gebeurtenis herdenkt. Dit monument bevindt zich op de hoek van de Genkerbaan en de Genitstraat.