Scherpe schelpzwam

Scherpe schelpzwam
Scherpe schelpzwam
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Tricholomataceae
Geslacht:Panellus
Soort
Panellus stipticus
(Bull.) P.Karst. (1879)
onderkant
Synoniemen
  • Agaricus stypticus Bull. (1783)
  • Merulius stipticus (Bull.) Lam. (1815)
  • Crepidopus stypticus (Bull.) Gray (1821)
  • Rhipidium stipticum (Bull.) Wallr. (1833)
  • Panus stipticus (Bull.) Fr. (1838)
  • Pleurotus stipticus (Bull.) P.Kumm. (1871)
  • Lentinus stipticus (Bull.) J.Schröt. (1889)
  • Pocillaria stiptica (Bull.) Kuntze (1898)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De scherpe schelpzwam (Panellus stipticus) is een paddenstoel uit de familie Mycenaceae.

Habitat

De scherpe schelpzwam is een algemeen voorkomende paddenstoel en groeit op dode stronken, stammen en takken van loofbomen. Vooral eik in loof- en gemengde bossen op vochtige tot droge, voedselarme tot voedselrijke bodems.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

Deze schelpvormige kleine zwam, groeit in groepen en is goed herkenbaar door de okerkleur en de wat klei-achtige structuur van de hoedhuid. De hoed is waaier- tot niervormig, zijdelings gesteeld, diameter 2 tot 4 cm, fijnschubbig, mat en bleek okerbruin tot kaneelkleurig.

Steel

Aan de onderzijde valt met name de overgang van de lamellen naar het stompe, vrij brede steeltje op. De steel is 5-20 × 2-5 mm en bleek okerbruin. Vlees wittig tot crème.

Lamellen

De lamellen zijn kleverig en bleek kaneelkleurig.

Sporenprint

De sporenafdruk is wit.

Microscopische kenmerken

De sporen zijn gladwandig, elliptisch tot bijna worstvormig, en meten ongeveer 3–6 × 2–3 µm. Ze zijn amyloïde, dat wil zeggen dat ze in Melzers reagens zwak blauw-zwart aankleuren. De basidiën zijn knotsvormig, 15–20 × 2,5–3,5 µm groot, voorzien van een gespvormige verbinding aan de basis en dragen vier sterigmata waaraan de sporen zijn bevestigd. Cheilocystidiën bevinden zich op de lamelrand en zijn smal knotsvormig, cilindrisch of spoelvormig, soms gevorkt aan de top. Ze zijn dunwandig, hyalien (kleurloos), talrijk en meten 17–45 × 3,5–6 µm. Pleurocystidiën bevinden zich op het lamelvlak en zijn vergelijkbaar van vorm en structuur, 17–40 × 3–4,5 µm groot, maar minder talrijk; ze zijn verspreid aanwezig of in kleine groepjes. De hoedhuid (pileipellis) is dun en bestaat uit los door elkaar gevlochten hyfen (textura intricata). In deze laag komen verspreid pileocystidiën voor, die cilindrisch en dunwandig zijn; zij kleuren geel in Melzers reagens en blijven hyalien in KOH. Het hoedvlees is opgebouwd uit meerdere microscopisch te onderscheiden lagen. Direct onder de hoedhuid bevindt zich een zone met los verweven, dunwandige hyfen. Daaronder volgt een laag met dichter opeengepakte hyfen waarvan de wanden vaak gezwollen en gelatineachtig zijn. Dieper gelegen ligt opnieuw een losser netwerk van hyfen. Het lamellenvlees heeft een vergelijkbare opbouw als het onderste deel van het hoedvlees.