Scheepswerven in Blokzijl


Blokzijl lag, voor de aanleg van de Noordoostpolder, aan de Zuiderzee. Schippers en Hollandse kooplieden bevolkten dit stadje, dat in de zestiende en zeventiende eeuw een belangrijke rol vervulde in de turfhandel vanuit Overijssel en Drenthe naar de stedelijke centra in het westen van het land. Het vele scheepsverkeer bood werk aan enkele werven die eeuwenlang op dezelfde locaties actief bleven. [1]
Geschiedenis
Blokzijl is gebouwd als Staatse vesting in de Tachtigjarige oorlog. Met een ruime havenkolk en verbonden met Vollenhove en Steenwijk, bood de stad goede overslagmogelijkheden voor de handel in turf met de achterliggende veengebieden. Al in 1589 wordt het Grootschippersgilde opgericht. De aangesloten schippers, die vracht voor kooplieden vervoerden, voeren rond 1658 met 160 schepen. [1]

De turfschippers gebruikten platbodems, van het type pot- en wijdschip. Het brede ruim en de platte bodem van deze schepen boden de mogelijkheid een andere, bijzondere lading te vervoeren, namelijk levend vee. In het vroege voorjaar werden de schippers van Blokzijl ingehuurd als vervoerders van slachtossen. Deze ossen, afkomstig uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein, werden ingeladen op de zandbanken voor de kust van West-Jutland en dan over zee vervoerd naar de havensteden aan de westkust van de Zuiderzee. Deze vrachten werden afgeleverd vanaf ongeveer 1625 tot 1725. [2]

De Blokzijler turfvaart was van beperkte duur, dichtslibbing van het havenkanaal en afname van de turfaanvoer uit het achterland leidden er toe, dat rond 1720 slechts 39 grotere schepen vanuit Blokzijl vracht vervoerden. Rond 1767 waren er nog vijf schepen die de naam "groot" verdienden. Een tweede gilde, van de negotieschippers, telde bij oprichting in 1775 zo’n vijftig leden. Zij voeren voor eigen rekening met kleinere ondiep stekende schepen. Deze schippers waren voornamelijk actief als ‘ mattenschipper’. Ze kochten in Blokzijl en omstreken biezen matten. Die werden in vrijwel heel Nederland verkocht. In 1881 telde Blokzijl zo'n 65 mattenschippers. Na 1900 verdween de mattenschipperij. [3]
Mattenschippers voeren met een klein soort tjalk, ook wel Blokzijler Jacht genaamd. Schepen met een lengte van 14 meter en een breedte van vier meter die specifiek voor deze handel waren ontwikkeld en voornamelijk gebouwd werden in Blokzijl. Het gemiddelde laadvermogen van zo'n Blokzijler Jacht bedroeg 25 ton. Een kleiner scheepje, dat ook wel werd gebruikt, was de Mattensnik. Deze had een inhoud van zo'n 12 à 14 ton. [1] [3]
Voor de beurtvaart werden de veel grotere hektjalken en paviljoentjalken ingezet. [1]

Op de kaart die Joan Blaeu in 1649 van Blokzijl maakte, zijn drie werven getekend, waarvan er meerdere bijna 300 jaar op dezelfde locaties actief bleven. De werven lagen van oudsher op en nabij de Rietvink net ten noordoosten van de vesting.
Het meest noordelijk, boven de Rietvink, lag de werf Weener die tot circa 1910 actief was. Zuidelijk van de Rietvink lag de werf van de gebroeders Hendrik en Klaas Willigenkamp. De boedelverkoop van hun werf vond plaats in 1905. De werf kwam in handen van een houtzagerij. Op de kadasterkaart van 1832 is ook nog sprake van een werf van de Stad Blokzijl die binnen de vestinggrenzen ligt. [4]
Op de Rietvink lagen drie werven. Meest noordelijk op de Rietvink lag de werf waar verschillende generaties van scheepstimmerlieden van de familie Schuurink werkten. Daarnaast lag de werf van Weduwe Snoek. Meest zuidelijk op de Rietvink lag de werf van Teunis Snoek. Toen Hendrik Snoek hier als vijfde generatie scheepsbouwer, na 60 jaar rond 1942 met pensioen ging, kwam er een einde aan de scheepsbouw in Blokzijl. [5]
De werven bouwden punters en pramen voor de boeren uit Noord-West Overijssel. Voor de vissers op Urk en in Vollenhove werden grotere schepen gebouwd zoals schokkers en botters. Schuurink, Weener en Wilgenkamp waren hier bij betrokken. Begin 19e eeuw was Blokzijl de belangrijkste scheepsbouwer voor de Schokker vissers. Met scheepsbouwers uit Kuinre werd nagenoeg de hele Schokker vloot gebouwd. [6][7] P. Dorleijn, Van gaand en staand want V Lemmer en Vollenhove 1996 [8][7]
Rond 1900 bouwde een Vollenhovense werf een nieuw type vissersbootje. Het Vollenhover bolletje (lang circa 7 meter, breed circa 2 meter). Het nieuwe type bleek te voldoen, want er verschenen geleidelijk meer bolletjes in de vloot. Doordat deze bolletjes zo volkomen toegesneden waren op de plaatselijke omstandigheden, bestond er buiten Vollenhove weinig belangstelling voor. De werf van Pieter Snoek in Blokzijl nam wel het ontwerp over en bouwde er een aantal van. [8][9]
- 1 2 3 4 Prins, Dr. A.H.J. (1969). Schippers van Blokzijl. Uit het Peperhuis 1969
- ↑ Gijsbers, W. (1999). Kapitale ossen. De internationale handel in slachtvee in Noordwest-Europa 1300-1750. Universiteit van Amsterdam.
- 1 2 Vrachtvaarders aan het roer. Canon van Nederland/Overijssel. Nederlands Openluchtmuseum. Geraadpleegd op 13012026.
- ↑ Kadaster, Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Ambt Vollenhove, Overijssel, sectie B, blad 01 (MIN04050B01). Kadastraal Minuutplan 1832. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (1832). Geraadpleegd op 13012026.
- ↑ "60 jarig jubileum", Provincial Overijsselsche en Zwolsche Courant, 17-08-1940.
- ↑ Boonenburg, K. (1959). Schokkers. Uit het Peperhuis 1959
- 1 2 Korver, Dr. A.P.E., Schokland door de eeuwen heen. De Schokkers van Schokland (2001). Geraadpleegd op 13-01-2026.
- 1 2 Dorleijn, Peter (1996). Van gaand en staand want V Lemmer en Vollenhove. Van Wijnen, Franeker. ISBN 90-5194-145-5.
- ↑ Pagina is tot stand gekomen met bijdragen van Klaas Bergkamp van Museum Gildenhuys Blokzijl