Scheepswerf Cornelis Gips en zonen
Scheepswerf Cornelis Gips en zonen was een scheepswerf annex houthandel in de Nederlandse stad Dordrecht met circa 60 jaar een nevenvestiging te Schiedam.
Geschiedenis
Cornelis Gips (1778-1843) erfde in 1822 een scheepswerf van zijn schoonvader Dirk Boest op de Lijnbaan in Dordrecht. In 1826 liep hier het eerste zeeschip van stapel. Cornelis nam vervolgens in 1830 de werf van zijn buurman Maarten de Vries over. In datzelfde jaar liep bij hem zijn eerste Oost-Indiëvaarder van stapel, De Dortenaar, het eerste schip van reder Adolf Blussé van Oud-Alblas. Door de Belgische opstand stagneerde de scheepsbouw en pas in 1834 werd er weer een zeeschip gebouwd, het fregat Jacob Cats, weer voor reder Adolf Blussé van Oud-Alblas. De werf bouwde ook inmiddels ook binnenvaartschepen.
Vanaf 1834 leidden de twee zonen van Cornelis, Dingeman (1806-1885) en Dirk Boest (1803-1885), de zaken onder de firma Cornelis Gips en zonen. Deze omvatte naast de werf (inmiddels omgedoopt in Werf de Merwede) ook een houthandel. Tezelfdertijd werd in Schiedam een tweede vestiging in gebruik genomen, De Nijverheid, waar Dingeman zich had gevestigd. In 1840 zetten Cornelis, Pieter, Dirk Boest, Dingeman en Regorus Gips de vennootschap voort, in 1852 gingen Pieter, Dirk Boest, Regorus en Dingeman Gips als viertal verder, in 1859 Pieter Czn, Dirk Boest en Regorus Czn. In 1886 gingen Regorus sr en Dirk Boest jr samen verder. Voor grote schepen werd vanaf 1855 een terrein gehuurd van de gemeente Dordrecht aan de Wilgenbos, waar in 1869 het laatste houten koopvaardijschip werd gebouwd. In oktober 1853 werd in opdracht van de rederij van de Gebroeders Blussé op die werf de kiel gelegd voor de Kosmopoliet (I), een vroeg voorbeeld van een Nederlandse klipper. Het schip werd op 29 november 1853 te water gelaten en enige maanden later was het voltooid.
Tussen 1826 en 1871 werden 69 schepen door de werf gebouwd, waaronder de twee eerste Japanse houten schroefstoom-oorlogsschepen: de Nits Sin en de Kaiyō Maru. Met een lengte van 73 meter was de Kaiyō Maru destijds het grootste houten oorlogsschip dat ooit door een Nederlandse scheepswerf was gebouwd. De firma ging verder met de tijd mee: de werf te Schiedam kreeg in 1863 een stoomsleephelling.
Vanaf 1870 ging de werf over op de bouw van ijzeren rivierschepen en sleepboten. Zo kwam in 1871 een stoomsmederij tot stand, later uitgebreid tot een machinefabriek en een ketelmakerij. Naast de vervaardiging van scheepsmachines en - ketels werden ook onder meer hei-installaties vervaardigd. De werf te Schiedam onder de Schiedamsche sleephelling werd circa 1893 afgestoten. Begin 20e eeuw werd nog uitgebreid en geïnvesteerd. Zo kwam in 1908 een kantoor annex dienstlokalen tot stand. Rond 1910 telde Gips ruim 100 werklieden. De werf werd verliesgevend en in 1915 opgeheven, de inventaris openbaar verkocht. Delen van het bedrijfscomplex werden overgenomen door de Scheepswerf en Machinefabriek v/h HJ Koopman.
- D.J. Kwak, Nijverheid en Handel in Dordrecht en Omstreken, uitgegeven bij gelegenheid van de 131ste algemeene vergadering der Maatschappij van Nijverheid door het departement Dordrecht – 1908, 21-29
- Hout en schepen. Uit de geschiedenis van de houtbewerkingsbedrijven Gips (1941)
- J. Zondervan-van Heck en C.J.P. Grol, Buyten de Sluyspoort op Merwedegrond buytendyks, jaarboek 2001, vereniging Oud-Dordrecht